Deyan Sudjic, De macht van het bouwen

Bouwen voor Hitler en Mitterrand

Deyan Sudjic

De macht van het bouwen: Hoe macht en geld de wereld aanzien geven

Ambo Anthos, 359 blz., e 24,95

Deyan Sudjic beschrijft in De macht van het bouwen de relatie tussen architectuur, macht, geld en politiek in de twintigste eeuw. Alle beroemde en beruchte wereldleiders komen in het boek voor. Van Hitler tot Clinton en van Mao tot Mitterrand. En allemaal hebben ze de architectuur gebruikt voor hun eigen ijdelheid, of om de vooruitstrevendheid van hun politieke ambities of de onoverwinnelijkheid van hun land te tonen. Ongeacht hun ideologie willen machthebbers hun invloed in de wereld in stenen verankerd zien. Sudjic komt met een stortvloed aan feiten en anekdotes waaruit blijkt dat architectuur en stedenbouw worden ingezet om de macht van de persoon in kwestie extra elan te geven en indruk te maken op tegenstanders of op het eigen volk.
Dat politieke leiders architectuur gebruiken om hun eigen dromen te verwezenlijken, verbaast niet, er zijn voldoende voorbeelden van beschikbaar. Maar lukt dat ook en hoe gaan architecten om met de politieke kant van hun artistieke werk? De invloed van architectuur is volgens Sudjic zo sterk dat het een ideologie als voldongen feit kan presenteren: «Architectuur kan een droom oproepen van wat saddamisme, stalinisme of fascisme kan zijn, zelfs nog voordat het bestaat.» Hitler deed dat bijvoorbeeld met zijn megalomane plan voor een nieuw Berlijn, Germania. Dat is nooit tot stand gekomen, maar met de van nazi-symbolen doordrenkte Rijkskanselarij maakte de dictator zoveel indruk op de Tsjechoslowaakse president Hacha dat die wel erg gemakkelijk zijn land opgaf. De wijze waarop Hitler architectuur inzette voor zijn corporate identity is volgens Sudjic in de geschiedenis dan ook ongekend. Maar volgens de auteur is de Duitse dictator wellicht ook de enige uitzondering op de regel geweest: de gefrustreerde kunstenaar zette zijn politieke macht net zo goed in om zijn architectonische ambities te verwezenlijken.

Wie denkt dat het alleen de bekende potentaten zijn die bouwwerken gebruiken om een plaats in de geschiedenis op te eisen, heeft het mis. Ook miljonairs als Rockefeller en Fiat-baas Agnelli hebben de hulp van architecten ingeroepen om hun status een duidelijk profiel te geven. Democratisch gekozen leiders zoals Amerikaanse presidenten doen eveneens aan zelfverheerlijking. Een duidelijk Europees voorbeeld is de Franse president Mitterrand. Zijn befaamde grands oeuvres, waaronder de piramide van het Louvre en de Grande Arche in La Defense, zijn niet alleen bijzondere gebouwen, maar hebben een duidelijke politieke dimensie. De vooruitstrevendheid van Frankrijk komt in die bouwwerken tot uiting.

Dat architectuur een probaat middel kan zijn om ijdelheid en grootheidswaanzin in realiteit om te zetten, zegt nog niets over de invloed van de architect. Ondanks de neiging van veel bouwmeesters om zich apolitiek op te stellen is Sudjic helder over hun rol: «Slechts weinig succesvolle architecten kunnen voorkomen dat ze op een bepaald moment in hun carrière gebouwen maken met een politieke dimensie.» Veel «grote» architecten nemen het niet zo nauw met het bewind waarvoor ze bouwen. Mies van der Rohe, Renzo Piano, Le Corbusier en ook de Nederlandse architect Koolhaas blijken snel van mening te kunnen veranderen als zij een nieuwe opdracht binnen kunnen slepen. Koolhaas was volgens Sudjic nooit zo gekant tegen marktwerking, maar toen hij een grote opdracht in China binnen wilde slepen bleek hij ineens enthousiast over de centraal geleide bouwexplosie in China. Die regie vanuit de overheid maakt het inderdaad gemakkelijker om prestigieuze projecten gerealiseerd te krijgen, maar tegelijkertijd wordt te gemakkelijk voorbij gegaan aan de manier waarop Chinezen uit hun huizen gejaagd worden.

Sudjic begrijpt dat architecten graag mooie gebouwen willen realiseren, maar wijst erop dat iedere bouwmeester zich in een politiek spectrum beweegt, of hij dat nu wil of niet. Grote architecten zijn volgens Sudjic dan ook «geen vrije kunstenaars». Ook al is het onmogelijk om te ontsnappen aan die politieke omgeving, de manier waarop architecten compromissen sluiten is van essentieel belang. Een belangrijk verschil tussen bijvoorbeeld Albert Speer en Mies van der Rohe is dat Speer zich volledig overgaf aan de politieke en architectonische aspiraties van Hitler. Van der Rohe vond het weliswaar geen probleem als zijn architectuur werd ingezet voor politieke doeleinden, maar was wel compromisloos als het ging om de bouwwerken die hij wilde realiseren. Van der Rohe lukte het niet de nazi’s te overtuigen van het nut van architecturale abstractie voor het nazi-bewind, met als gevolg dat de reputatie van Van der Rohe een stuk beter is dan die van Speer. En daar is dan ook meteen de kern van de relatie tussen architectuur en politiek blootgelegd: architecten hebben de machtigen der aarde nodig om hun hoogstandjes te realiseren. Maar geldt dat ook voor de architectuur zelf? Is de Rijkskanselarij nu niet het symbool van democratisch Duitsland? De architect legt het altijd af tegen het geld en de politiek, maar het lukt geen enkele wereldleider om zich voorgoed een architectuurtaal toe te eigenen.