Bouwmeesterverering

Onder de titel Architectuur in de steden, heden en toekomst, vond in Barcelona het negentiende congres van de Internationale Unie van Architecten plaats. Een erg weidse titel, daaronder kan alles vallen. Hetgeen geschiedde. Het programma van tentoonstellingen, lezingen, werkgroepen, seminars, excursies, prijsvragen, films en recepties toonde voornamelijk aan dat architectuur als aanleiding voor een bijeenkomst een veel te algemene noemer vormt.

Iedereen die op een of andere wijze betrokken is bij omgeving, van welke aard ook, kan veronderstellen dat zijn of haar onderwerp iets met architectuur te maken heeft. En als het dat heeft, dan ligt het ook voor de hand om een goed vakgesprek eens te combineren met een heerlijk weekje Barcelona. En zo bleven de inschrijvingen maar binnenkomen. Architecten, studenten, critici, filmmakers, antropologen, bouwondernemers, stedebouwkundigen, landschapsontwerpers, ze waren er allemaal. De verantwoordelijken voor de rampen en wonderen dezer wereld overbevolkten de wandelgangen.
De organisatie had wel op wat toeloop gerekend en had een groot aantal plaatsen in de stad voor het congres gereserveerd. Zo werden de disciplines nauwlettend uit elkaar gehouden en hoefden de bouweconomen geen ecologen te spreken, architecten geen critici. Met de verdere logistieke problemen dacht Barcelona met haar ervaring van de Olympische Spelen wel raad te weten.
Het tegendeel was het geval. Bij vorige versies van het UIA-congres bleef het bezoek voornamelijk beperkt tot praktizerende architecten die beschaafd met elkaar converseerden over aspecten van hun beroep. De bijeenkomsten waren bedaagd. Maar nu meldden zich een eindeloze rij studenten, die tot ver na aanvang nog in rotten van twee stonden te wachten op hun passe-partouts. Ondertussen werd de stad overspoeld met mensen die witte geplastificeerde kaartjes op hun borst droegen. Je zag ze overal.
Op de tweede dag waren plenaire debatten voorzien, waaraan de wereldsterren van de architectuur hun bijdragen zouden leveren. Jean Nouvel, Zaha Hadid, Richard Rogers, Peter Eisenman, Daniel Libeskind, beroemder bestaat niet. De organisatoren waren op het idee gekomen behalve vakgesprekken ook de architectuur als cultuurdrager weer onder de aandacht te brengen en door wie kon zulks beter gedaan worden dan door de figuren die zich uit de taaie bouwwereld van alle dagen hebben omhoog te werken om de status van superster te bereiken.
Barcelona heeft het geweten. Terwijl de lezingen stonden geprogrammeerd voor redelijk grote zalen, stond buiten een menigte waarvoor alleen stadions groot genoeg zijn. Mensen dreigden in het gedrang onder de voet gelopen te worden, fluitconcerten en ritmisch handgeklap klonken op. De beheerders van de gebouwen zagen de zaak uit de hand lopen en beriepen zich schielijk op de brandweer. Het hele feest werd afgeblazen. Protestdemonstraties waren het resultaat. Van El Pais tot de boulevardpers was er als de kippen bij om de woede en wanorde te registreren. De volgende dag ronkten de bladen van de schande. De naam van de stad, die zich zo had onderscheiden tijdens de Spelen in 1992, werd te grabbel gegooid door organisatoren die de populariteit van hun eigen discipline verkeerd hadden ingeschat. De burgemeester werd ter verantwoording geroepen voor het feit dat hij vergunningen had verleend aan deze wanpresteerders.
Er werd razendsnel ingegrepen door de hele plenaire vergadering te verplaatsen naar het Olympisch stadion voor indoor-sporten, even buiten de stad. Vanwege daglichttoetreding konden dia’s daar niet vertoond worden. Ook het geluid was erbarmelijk. Het publiek liep in en uit met bakjes popcorn. Maar niemand die het deerde. Want iedereen werd nu in staat gesteld de begeerde handtekening te verwerven. Tussen ingang en podium, een gangetje van twintig meter, werden erehagen gevormd. Het kostte de sprekers vele minuten om daar doorheen te komen. Zo bracht het congres toch nog mensen bij elkaar.