Boven

Op de zolderverdieping van mijn huis is na een lange periode van allesdoordringend lawaai een bescheiden mistbank ontstaan. Ik zie het wanneer ik halverwege de ochtend boven kom, met koffie en gevulde koeken, voorzichtig over groot en vervaarlijk ogend gereedschap heen stappend.

De kleine kamer die er eerst niet was blijkt in nevelen gehuld, alsof de ruimte in zijn geheel is ontrukt aan het rijk der fabelen en er elk moment een eeuwenoude entiteit uit tevoorschijn kan komen, wakker gemaakt door het kabaal van mensen en machines. Een opening naar een ander universum. Gelukkig duikt ergens in het midden van de mistbank Gijs op en zegt iets dat ik, door het kapje over zijn mond, niet versta. Het klinkt als ‘zwabben voor behobte griezen’. Dat zou het trouwens best kunnen zijn, bedenk ik. Men wéét het gewoon nooit, met klussende mannen. Uitnodigend hou ik de koffie omhoog. Gijs klopt gruis en stof van zijn overall, neemt de koffie aan en zet zijn mondkapje af. Hij ziet er nu uit als een oudere versie van zichzelf. Wit haar, kleine ogen, scherp aangezette rimpels in zijn voorhoofd. Maar het frezen is bijna klaar, legt hij uit. Over een paar dagen zal er gestuukt worden. ‘Goh’, zeg ik. ‘Fijn.’ Sinds de verbouwing begonnen is zeg ik, zoals de meeste mensen met linkerhanden, opvallend vaak ‘nounou’ of ‘tjongejonge’ over onderwerpen als isolatieschuim, bekabeling of het doortrekken van leidingen. Gijs is gelukkig het type mens dat reageert op de intentie achter de woorden: verwarring, vertrouwen en volstrekt buitenstaanderschap. Op dezelfde toon vraagt hij dan naar mijn werk, waar hij met zijn geklop en gedreun onbedoeld een beetje in mee is gaan klinken. Ik zeg iets wat stevig en ambachtelijk klinkt. ‘Het verhaal staat in de steigers.’ Daarna drinken we samen koffie, collega’s in scheppingsdrang, te midden van de puinhoop die ons bindt. En na afloop gaan we verder waar we gebleven waren. Ieder in onze eigen ruimte, werkend aan ondoorgrondelijke dingen. Ik beneden, tikkend en wissend en lawaai negerend. Hij boven, in de kleine kamer die er eerst niet was.

Behobt griezend misschien. In de mist.