Boven alles verheven

Je kunt ook zeggen dat Marcel Möring een depressieroman schreef © Harry Cock

Dit is een treurzang over liefde. Sam Hagenau treurt over het vertrek van zijn geliefde Joyce. Hoe zit het, wat deed hij verkeerd, waarom ging ze weg, wat zag hij niet en zij wel? Hij werkt als archeoloog in het voormalig Kamp Westerbork en omgeving en tijdens een wanhopige wandeling, op de vlucht voor zijn herinneringen en gedachtekronkels, ontdekt hij een uitgebrande auto waaronder een verbrand lichaam ligt. Hoe zit dit? Waarom ligt dit lichaam in een rituele houding? Dit zijn de gegevens waarmee Möring aan de slag ging en waarmee hij in de stijl van de autobiografische fictie een beklemmende roman wist te maken rond de thema’s vergeten, herinnering, vergetelheid, verantwoordelijkheid en misverstand. Je kunt ook zeggen dat dit een depressieroman is.

Schuldgevoel, lethargie, vergeefse bevrijdingspogingen, zelfreflectie en zelfmedelijden jagen elkaar voort bij de verteller. Gelukkig hoeven we niet de hele tijd sympathie voor deze vertwijfelde Sam te voelen. Langzaam komen we erachter dat precies zijn gerationaliseer, zelfreflectie en gelijkhebberij Joyce te veel werden. Dat eeuwige gezeur en gedram aan haar kop. In dit soort miezerige termen beschrijft Möring het overigens niet, maar als lezer zit je wel eens verkrampt in je stoel te wachten tot de gekwelde Sam eindelijk eens stopt met gelijk te hebben en zowel Joyce als mij op te zadelen met een verhevigd schuldgevoel. En juist dit gegeven gaf de schrijver de kans, en hij greep hem, een uiterst tragisch personage neer te zetten. Geen geval, gelukkig, maar een mens. Niet ‘de’ mens of zoiets engs, maar een mens. Deze figuur kan er gewoonweg niet mee stoppen alles te doorzien, vooral anderen, hij is niet in staat ook maar een begin met vergeten te maken. Met gewoonweg leven. Het maalt en maalt maar door.

Kijk voor de zoveelste komische blik maar naar Netflix, dacht Möring wellicht

Joyce krijgt er genoeg van. ‘Waarom moet je alles zo op de spits drijven,’ voegt ze hem toe wanneer hij weer een avondje bij vrienden heeft zitten doordrammen over de wereldproblematiek. En Sam stelt daar niets anders tegenover dan dat alles persoonlijk is. En hij heeft gelijk natuurlijk, alweer, ja alles is persoonlijk. ‘Omdat leed, in welke vorm dan ook’, stelt hij, ‘niet anders dan persoonlijk kan zijn.’ En juist dit type gelijk hebben doet hem de das om. Hij weet het, hij voelt het, maar hij kan er niet van afkomen. Deze figuur heeft zelf het idee dat alles bij hem voortkomt uit niet aflatende nieuwsgierigheid en twijfel. Dat hij daarom altijd doorvraagt, over alles, zichzelf, de relatie, de wereld en verantwoordelijkheid. Maar als lezer weet je dat hij in feite nergens aan twijfelt. Hij weet alles al: alles is namelijk zwart, somber, vernietiging en wanhoop. Ziedaar de depressie. ‘Ik heb alleen onbevredigende antwoorden. Intuïtie. Weetgierigheid. Ik ben een archeoloog en wij archeologen willen weten wat…’ Dat zegt hij wel, maar je weet als lezer, of je begint het langzamerhand te vermoeden, dat hij zichzelf tegenspreekt.

Als archeoloog en kleinzoon van joodse ouders graaft hij zich naar vergeefse vergetelheid over de kampen, naar genoegdoening die niet komt, naar verantwoordelijkheid van de overlevenden en de wegkijkers. Hij kan er niet mee leven. Als voormalige geliefde graaft hij alleen maar, door en door, zonder uitkomst. Perspectiefloos, los van zelfinzicht. Hij weet alles al, er is geen ontsnappen, hij rationaliseert zichzelf het graf in. Niet voor niets dat Möring na bovenstaande ontboezeming over archeologie het zinnetje ‘Al dat gelul’ laat volgen. Ja, al dat gelul, zeg dat wel, maar juist dit gelul drukt Sam verder het moeras in, hij is niet in staat zijn eigen rol in het juiste licht te zien. Hij blijft zijn morele gelijk halen. Hij weet alles beter: over liefde, over vriendschap, over gelovigen, over zzp’ers, over het gewone van de kampen, over vakanties als vlucht, over vakantiegangers. ‘Misschien is ze bij me weggegaan omdat ze beter gezelschap zocht’, beweert de verteller ergens zowel zwartgallig als uiterst geestig in een vlaag van zelfkennis: ‘Zo iemand die zichzelf op datingsites omschrijft als “houdt van reizen en humor”.’ De ik verheft zich boven iedereen, kijkt neer, twijfelt nergens aan, weet alles. Hij is verloren in inzicht. Lost in vision.

Als dit niet tragisch is, weet ik het ook niet meer en Möring schreef er een mooie, emotionele roman over. De ik stelt zelfs zijn erotische praktijken aan de orde via eindeloze ondervragingen van Joyce. Of het allemaal wel in orde is en was. Zullen we erover praten? Als je in een relatie zo begint is er geen houden meer aan, vrees ik, dan wacht de relatietherapeut. Hij weet het allemaal beter, ja, hij wil zeker ook Joyce redden. Hij beseft wel dat zijn gedram appelleert aan misplaatste gevoelens van morele superioriteit; ‘aan mijn gevoelens van Redder der Gekwetste Vrouwen, Eenzame Ridder Met Een Nobele Queeste, De Enige’. Langzaam doemt zelfinzicht op. Misschien zit de redding in de creatie van nieuwe rituelen. Of speelt zijn joodse achtergrond een beslissende rol?

Wie meer te weten wil komen over de gebruikelijke mannelijke rationalisaties rondom verbroken relaties kan bij deze roman zijn hart ophalen. Ze staan er allemaal in. Möring koos niet voor de zoveelste komische blik, kijk daarvoor maar naar Netflix of naar romcoms, moet hij gedacht hebben. Hij is onverbiddelijk. Een man, deze man, Sam Hagenau, ligt op het hakblok. En ik ook natuurlijk.