Boven de tijd

ALDO VAN EYCK is dood. Een monumentale figuur in de Nederlandse architectuur verliet dit leven, en opnieuw ondergaat hij de reeks onvoorwaardelijke huldebetuigingen die bij grote figuren hoort. Het betreft het soort eerbetoon dat hijzelf al eerder ondervond rond zowel zijn zeventigste als zijn tachtigste verjaardag. Uit die hulde spreekt altijd meer respect dan ontzag. Respect voor de oude meester is er wel, hij heeft niet voor niets een eerbiedwaardige leeftijd bereikt. Dat was toch kras, zo'n bevlogen architect voor wie het vak geen beroep maar een missie was. Zo iemand gaat niet met pensioen, die sterft in het harnas. Waarom zou je uitrusten als de wereld nog niet klaar met je is?

Maar ontzag ontbeerde Van Eyck vaak. Het ontzag dat had moeten leiden tot een grotere invloed van zijn werk, is hem ontzegd gebleven. Zijn oeuvre is klein en zijn standpunten over een ‘menselijke architectuur’ worden in werkelijkheid niet au serieux genomen. Integendeel. In de her en der verschenen necrologieën wordt Van Eyck steevast een humane architect genoemd, in zijn architectuur staat 'de mens centraal’. Nog even afgezien van de onder het splijtende individualisme in onbruik geraakte retoriek over De Mens, staat de mens in de huidige bouwopgave allesbehalve centraal. Daarin gaat het namelijk om het realiseren van volume, rendementen, imago’s of absoluut unieke toparchitectuur. Voor zover het om de mens gaat, geldt het vooral diens behoefte aan herkenbaarheid, zeker niet de gebruikswaarde. Met De Mens lijkt ook het begrip 'gebruiker’ op de achtergrond geraakt. Daarvoor in de plaats is 'de consument’ gekomen, een categorie waar Van Eyck van gruwde. Voor de consument bouw je geen gebouwen waarin diens wens wordt getranscendeerd tot architectuur, maar voldoe je gewoon aan diens eisen. Dat levert dan ook heel andere gebouwen op. Accomodaties, ruimtelijke faciliteiten, precies de gebouwen waartegen Van Eyck met niet aflatende verbetenheid tekeer ging. EN DAN HET BEGRIP 'humaan’. Het staat voor zoiets als zacht, genadig, mededogend, begripvol, dienstbaar doch ook geestelijk verheffend. Het zijn allemaal deugden die het momenteel bijzonder slecht doen in zowel vastgoedpraktijk als internationale theorievorming. In plaats daarvan wordt de aanpassing onderzocht aan het post-humanisme, het wereldbeeld dat 'zich uiteenzet’ met genentech, digitalisering en globalisering. Terwijl Van Eyck de mens een plek wilde geven, heerst nu een voorkeur voor nomadische ruimten, doorgangsarchitectuur en transparante, multi-functionele programma’s. Evenmin humaan is de praktijk van rationalisering van bouwsystemen, de uniformiteit van procesorganisaties, de verharding van ruimtelijke grenzen in een corridormaatschappij, de opkomst van digitale netwerken met netpersona voorzien van een pseudo-identiteit, enzovoort. Het oeuvre van Van Eyck is kleinschalig en gaat over kleinschaligheid. Of je nu spreekt over het Burgerweeshuis, de Amsterdamse speelplaatsjes, het Moederhuis of kantorencomplex Tripolis, steeds gaat het over het scheppen van een geborgenheid door het temmen van de maat, het inzetten van betekenisvolle subthema’s of het onderbreken van de rechte, oneindige lijn. Stel dit eens tegenover de internationaal florerende Bigness, de megacity’s en de bedrijfsverzamelgebouwen, de adoratie van de grote maat. Regionalisme, ad-hocisme, contextualisme, het lijken allemaal achterhaalde benaderingen, vergeleken bij de universalisering van bouwtechniek, tabula rasa planologie, logo’s en andere vormen van corporate identities. Is Aldo van Eycks erfenis dan één groot anachronisme? Een onbetamelijke vraag wellicht, zo kort na zijn verscheiden, hoewel hijzelf de discussie ongetwijfeld ook het liefst astraal zou willen voortzetten. Debat zat hem als geen ander in het bloed. Het is aardig te zien wat Van Eyck zelf zo'n vijftig jaar geleden voor de oude garde overhad: niet meer dan ze zakelijk verdienden. In 1954 vond er, in het kader van een komend Ciam-congres, in Lasara een voorbespreking plaats waar de agenda voor de bijeenkomst in Dubrovnik werd opgesteld. Ciam, ooit het sprankelende lichaam van de internationale architectuuravantgarde, lag allang in Morpheus’ armen en het college der senatoren wilde dat blijkbaar graag zo houden, gezien hun maatregel om de junioren in de antichambre te laten wachten tot de agenda klaar was. De als architect nog piepjonge Van Eyck bevond zich in het gezelschap van het overige verzamelde ongeduld. Ze besloten niet langer te wachten maar eigen werk met elkaar te bespreken. En terwijl in de sacristie een tijdperk dommelend werd afgesloten, ontstond Team Ten, een los samenwerkingsverband met later verreikende invloeden. De informele, anarchistische wijze waarop het tot stand kwam werd een belangrijk ingrediënt van de architectuur die eruit voortkwam. Met zijn antropologische kijk bouwde hij niet voor architectuurliefhebbers maar voor de argelozen die normaliter steeds weer worden vergast op geamputeerde architectuur, waarvan de amputatie tijdelijk in de mode is. ANTROPOLOGIE is een vak dat bijna per definitie uitgaat van de eigenwaarde van alle culturen. Er ligt bijna vanzelfsprekend een terughoudendheid in besloten ten aanzien van het veranderen van die culturen, zeker vanuit dubieuze dominante posities. En daarmee is nog een aspect van Van Eycks unzeitgemässe architectuur genoemd. Hij ontwierp tegen dominanties in, cultureel, financieel en zeker ook professioneel. En zo sprak hij ook. Vorig jaar deed hij nog een vlammende oproep aan de jongste generatie architectuurstudenten om in verzet te komen tegen de uitholling van het vak, ondernomen door de lieden die daar juist de grote voorvechters van zouden moeten zijn: de toparchitecten, de schoolbesturen, de onderwijsinstellingen: 'Moet ik mij op de valreep voor mijn beroepsgenoten gaan generen? Architecten overal, studenten in Delft en elders: pik het niet langer! Al die spelbrekende onzin: breek ermee. Het is de hoogste tijd, laat het kleine muzikale woordje NEEN horen. Geef alvast je titel terug. Wij richten een landelijke vereniging van niet-geregistreerde architecten op. Vraag niet om een regenboog. Haal ’m!’ Dit citaat tekent Van Eyck ten voeten uit. Het toont zijn bevlogenheid, maar ook zijn on-Nederlandse neiging tot polemiseren en verketteren. Als een ware inquisiteur kon hij tekeergaan tegen posts, pests and other rats. Hij had vreselijke straffen in gedachten voor de overtreders van humane waarden. Daarin was hij aanklager en rechter tegelijk. En ook in dit vermogen tot het hogere schelden onderscheidde Van Eyck zich van zijn land- en tijdgenoten. MAAR NOGMAALS, maakt dit alles zijn werk tot één groot anachronisme? In feite gaat het helemaal niet over de actuele waarde van zijn opvattingen. Waar het om gaat is de vraag of Aldo van Eyck iets vertegenwoordigt dat boven de conjunctuurbewegingen van bouwmodes en theoretische modellen uitgaat. Of hij iets heeft bewaakt wat uiteindelijk altijd weer terug zal keren. Hijzelf dichtte zich deze betekenis zonder meer toe, wat dat betreft was hij een goeroe. Maar is zijn werk meer dan voer voor volgelingen? Het werk van Aldo van Eyck is van een ongekende scherpte en intensiteit. Hij heeft zijn stellingen altijd met grote helderheid uitgesproken. Daarom is er nu geen tussenweg meer mogelijk. We weten niet of 'humane’ architectuur het overleeft in de wereldorde van de global village. Het is nauwelijks nog te voorspellen welke menselijke waarden onaantastbaar kunnen worden genoemd, laat staan welke 'menselijke’ architectuur. Daarvoor is er teveel aangetast. Wat we wel weten is dat Van Eyck geen bescheiden plaatsje in de geschiedenis zal innemen. Hij wordt ofwel volkomen vergeten als speler in een machteloos achterhoedegevecht, of vestigt zich als een ziener die bleef hameren op de elementaire feiten van het bestaan, feiten die door iedereen vergeten werden. Tot hun herontdekking…