Boven hels vuur

Er zijn talen, ik spreek uit eigen wetenschap, die wel drie verschillende woorden hebben voor het begrip fantasie. Laten het er twee zijn. Er zijn mensen, waarvan je hoort zeggen dat zij werkelijkheid en fantasie niet kunnen scheiden. Niemand wil graag tot die warrige categorie worden gerekend. Reden waarom wij in het algemeen onze fantasieën onbesproken laten. In plaats daarvan de werkelijkheid en ons commentaar daarop nog wat aandikken. Door overdaad inmiddels zo vertrouwd geraakt met dit proces komt onaangedikte werkelijkheid op ons over als…

‘Wie de beurre blanc nog van de schouders glijdt’, klonk het onaangenaam cursief van de houten plank. Waar de ui, uitwendig inmiddels redelijk droog maar van binnen geheel en al draaikolk vol vochtige spot, zich weer eens roerde. 'Zou het eens moeten proberen met een Sabijnse Oesterchartreuse. De uitgezochte boodschappenlijst boven hels vuur gehouden en je bent er.’ Hij kon het zo leuk zeggen, de ui. Een linguïstische vrijbuiter met de arrogantie van de autodidact. Kortom, de oerknal van het lik-me-vessie. Eigen schuld. Omdat ik, in tegenstelling tot de oude Engelsman en Monsieur Gérard en eventueel Cristian, wel goed om mij heen keek. Want had ik de ui niet zien huilen dan was ik nu verder geweest. Zo roekeloos te zijn een naamloze ui zijn kans te geven, had deze ui, nog steeds zonder naam maar vol ambitie om het daar niet bij te laten, zich inmiddels weten op te werken tot een wijdvertakt oponthoud in mijn bestaan. Allerminst volgzaam. Nog niet middelpunt van mijn denken, maar als een steilewandrijder daar omheen wel akelig onregelmatig langskomend. Waarbij ik, als voetnoot in onzichtbare inkt, mij voor de zoveelste keer afvroeg of mijn denken in tegenstelling tot andermans verondersteld denken, eigenlijk (of via het met de paardesprong bereikte woord oneigenlijk) wel een middelpunt bezat.