‘Wie de beurre blanc nog van de schouders glijdt’, klonk het onaangenaam cursief van de houten plank. Waar de ui, uitwendig inmiddels redelijk droog maar van binnen geheel en al draaikolk vol vochtige spot, zich weer eens roerde. ‘Zou het eens moeten proberen met een Sabijnse Oesterchartreuse. De uitgezochte boodschappenlijst boven hels vuur gehouden en je bent er.’ Hij kon het zo leuk zeggen, de ui. Een linguïstische vrijbuiter met de arrogantie van de autodidact. Kortom, de oerknal van het lik-me-vessie. Eigen schuld. Omdat ik, in tegenstelling tot de oude Engelsman en Monsieur Gérard en eventueel Cristian, wel goed om mij heen keek. Want had ik de ui niet zien huilen dan was ik nu verder geweest. Zo roekeloos te zijn een naamloze ui zijn kans te geven, had deze ui, nog steeds zonder naam maar vol ambitie om het daar niet bij te laten, zich inmiddels weten op te werken tot een wijdvertakt oponthoud in mijn bestaan. Allerminst volgzaam. Nog niet middelpunt van mijn denken, maar als een steilewandrijder daar omheen wel akelig onregelmatig langskomend. Waarbij ik, als voetnoot in onzichtbare inkt, mij voor de zoveelste keer afvroeg of mijn denken in tegenstelling tot andermans verondersteld denken, eigenlijk (of via het met de paardesprong bereikte woord oneigenlijk) wel een middelpunt bezat.