Michael Ignatieff, Michael Ignatieff (ed.)

Boze geesten

Michael Ignatieff

The Lesser Evil: Political Ethics in an Age of Terror. The Gifford Lectures, Edinburgh University Press, 212 blz.

Michael Ignatieff (ed.)

American Exceptionalism and Human Rights

Princeton University Press, 353 blz.

Wie de al-Qaeda-aanvallen van 11 september 2001 op de WTC-tweelingtoren – symbool van de westerse winsteconomie, decadentie, ongelovigheid – vergelijkt met de verrassingsaanval van Japan op Pearl Harbor (7 december 1941) wil blijkbaar in het keizerlijke, imperialistische Japan van toen een agressieve evenknie zien van Osama bin Ladens onzichtbare zelfmoordgroepjes anno nu. Beter zou het zijn geweest, zoals Michael Ignatieff in The Lesser Evil doeltreffend doet, wanneer na die terroristische daad de Red Scare-episode in de Amerikaanse geschiedenis in de herinnering was teruggeroepen.

De schrik voor de roden zat er goed in. Vanaf oktober 1917 werd Rusland door Lenins en Trotski’s bolsjewiekenminderheid geterroriseerd. In Duitsland werd vlak na de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog de (Spartakus-) revolutie gepredikt. Overal elders zwol de communistische aanhang aan dankzij het ontstaan van de eerste linkse heilstaat in spe, een staat die aanvankelijk de wereldwijde revolutie predikte. In de Verenigde Staten, die Europa uit de loopgraven en nesten hadden gehaald, broeide het onder de vele teruggekeerde en werkloze soldaten. Een stakingsgolf overviel Amerika van Seattle tot Boston. In de zomer van 1919 lag de kool- en staalindustrie plat. Maar er gebeurde veel meer. Bommen ontploften in de huizen en kantoren van burgemeesters, rechters en andere publieke figuren, met bijna honderd doden als gevolg. Er was zelfs een zelfmoordbomaanslag die het huis beschadigde van minister van Justitie Mitchel Palmer. De geheime dienst van zijn departement, geleid door een zekere J. Edgar Hoover, ontdekte «bewijsmateriaal» dat aanzienlijke aantallen immigranten tot communistisch-terroristische groepen behoorden. Voor Palmer was die «ontdekking» de doorslaggevende reden voor de door hem verordonneerde razzia’s in november 1919 en januari 1920, waarbij vijfduizend vreemdelingen in hechtenis werden genomen en velen gedeporteerd.

In The Lesser Evil ziet Ignatieff in die historische periode van Amerika (die overigens in niets lijkt op de massamoordpolitiek van Lenin en Trotski) vijf samenspelende elementen die een, achteraf onterechte, overreactie te weeg brachten: een internationale revolutionaire beweging, binnenlandse terroristische acties, een politieke organisatie van vreemdelingen, massawerkloosheid en grote economische onzekerheid na de wereldoorlog en, ten slotte, de oorlogservaringen met de beknotting van burgerlijke vrijheden. Maar wat bleek in 1919? Het communistische radicalisme in Amerika stelde nauwelijks iets voor en vormde geen bedreiging voor de democratie. Toch was er massale bijval voor Palmers drastische acties tegen de terreur. Maar een instemmende meerderheid hoeft nog geen gelijk te hebben. Ignatieff schrijft: «Hysterie is opeens niet irrationeel meer louter omdat die iedereen in haar greep houdt.»

Heeft Amerika zich na 9/11 met de Patriot Act schuldig gemaakt aan een overreactie, aan veel te stringente wettelijke maatregelen die de democratie juist ondermijnen in plaats van versterken? Is de Patriot Act eigenlijk wel no dig, staat niet alles al in de reguliere wetgeving? Deze vragen staan centraal in The Lesser Evil. Ignatieffs antwoord is een aarzelend ja. Hij kiest een middenkoers tussen de libertaire houding van eeuwige geweldloosheid en puur pragmatisme, dat wil zeggen praktische nood-breekt-wet-maatregelen die boven het tijdelijke uitstijgen. Democratische wetten openbreken is een laatste redmiddel, dat getoetst moet worden aan het «fatsoen» en in het openbaar gerechtvaardigd. Misbruik, zoals de internering van Japanse Amerikanen na de aanval op Pearl Harbour, is uit den boze. Goede bedoelingen alleen kunnen op rampen uitlopen: «Het gebruik van terreur om de vrijheid te waarborgen kan die vrijheid vergiftigen.»

De zwakte van een krachtige democratische samenleving is om zo overdreven te reageren dat men de vijand overschat en juist doet wat die vijand wil, zodat groeiende paranoia, rechtenloosheid en chaos de gevolgen zijn. De kracht van een zwakke terroristische organisatie is dat ze met geringe mid delen grote angst kan zaaien. Als die zaadjes op vruchtbare bodem vallen (een regering die een war on terror afkondigt en een kruistocht in het vooruitzicht stelt; media als vergrootglas waaronder de vijand tot belachelijke proporties wordt opgeblazen, waar door de hysterie aanwakkert), heeft de terreur effect gehad. Niet de religieuze utopie naar middeleeuws model is het doel van Osama bin Ladens terreurcellen, maar de Apocalyps of Armageddon. De seksueel getinte doodscultus van zijn zelfmoordcommando’s richt zich op een ideaal hiernamaals en nergens anders op. Met godsdienstig fanatisme en sektarisme valt niet te discussiëren, omdat al-Qeada het zinnige gesprek allang voorbij is. Maar het is te simpel om kwaad met kwaad (oog om oog, tand om tand) te bestrijden. Dat betekent besmet worden met het agressieve virus dat men de wereld uit wil hebben.

Door een puur cynische houding tegenover terrorisme komt echter de politieke ethiek in de verdrukking. «Alle strijd tussen terroristen en de staat is meningenstrijd, en in die strijd zijn ethische rechtvaardigingen van doorslaggevend belang, om de moraal van de eigen partij hoog te houden, om de trouw van de bevolking, die anders de kant van de terroristen kiest, vast te houden, en om de politieke steun onder bondgenoten te bewaren.» De boodschap van Michael Ignatieff is simpel maar moeilijk: handel naar Thomas Jeffersons credo «fatsoenlijk respect voor de publieke opinie», zelfs als die mening zich tegen de democratische grondbeginselen dreigt te keren.

Lincoln voelde zich genoodzaakt meer macht naar zich toe te trekken omdat hij met een afscheidingsbeweging en een Burgeroorlog te maken kreeg. Na 1865 werd die presidentiële macht weer snel ingedamd. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog werd de politieke bewegingsruimte van Roosevelt enorm vergroot, onder meer om tijdrovende procedures te kunnen omzeilen en om de economie snel en drastisch op de oorlogsproductie te kunnen enten. Na 1945 was het gedaan met die uitzonderlijke beslissings bevoegdheden. Maar waar dient een uitbreiding van de presidentiële macht van Bush in de war on terror voor?

«Soeverein is hij die tot de uitzondering besluit.» Ignatieff citeert deze beroemde zin van Carl Schmitt, die ten tijde van de door ultralinks en ultrarechts belaagde Weimarrepubliek nog van mening was dat de democratische rechtsregels niet konden overleven zonder de macht om de uitzonderingstoestand uit te roepen. Het was Gustav Stresemann die Weimar succesvol verdedigde tegen KPD en NSDAP, ondanks de honderden politieke moorden (onder anderen op Walter Rathenau). Schmitt werd later de apologeet van Hitler. Politiek ging over het straffen van de vijand en het belonen van vrienden, dictatoriale macht ging boven de constitutionele wetgeving. Hitler was voor Schmitt een «minder kwaad» dan het communisme of een burgeroorlog. Wie zo denkt, offert al snel alles op en zit al snel opgescheept met een raciale wetgeving en erger. Ignatieff stelt Schmitt tegenover John Locke, de aartsvader van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 4 juli 1776. Volgens Locke mocht een onderdrukt volk met een beroep op «de hemel» tegen de tirannie opstaan.

Een prettige bijkomstigheid van The Lesser Evil is dat Ignatieff ook romanschrijver is en oog heeft voor visionaire literatuur. Conrads The Secret Agent en Dostojevski’s Boze geesten analyseert hij om daarna iets te kunnen zeggen over het huidige terrorisme. De professor in The Secret Agent is een zelfmoordterrorist die de mensheid veracht en het ontstekingsmechanisme van zijn bom letterlijk binnen handbereik houdt. Het einddoel kan hem allang niet meer schelen; het doel is door de middelen vervangen. Dat nihilisme staat centraal in Boze geesten, waarin de aartsintrigant Stavrogin leugen, bedrog, chantage, brandstichting en moord aanwendt om de grootst mogelijke chaos in een afgelegen Russisch stadje te scheppen. Het anarchistische doel van een rechtvaardige samenleving is uit het zicht verdwenen. De nihilisten praktiseerden een politique du pire, de politiek van het allerslechtste. Aanslagen zijn geslaagd als die de samenleving blijvend ontwrichten en de gematigde krachten (de bruggenbouwers) uitschakelen. Aanslagen moeten provocaties zijn die de repressie aanwakkeren. Daarom werd tsaar Alex ander II vermoord, omdat hij de lijfeigenen wilde «bevrijden»; daarom waren de terroristen in 1905 tegen de Doema, een eerste stap op weg naar een kiesstelsel. Terrorisme is de politiek van de shortcut, van de korte weg richting Apocalyps nu.

Interessant in The Lesser Evil is Ignatieffs kritiek op de Burke-conservatieven. Net als de «left-wing communitarians» be klagen die het vermeende ge brek aan burgerzin, de verveling en de teleurstelling van de elites en het electoraat in de westerse democratieën. Er zou geen eenheidvergrotend burgerdoel meer bestaan. Ignatieff ziet juist een verbazingwekkende standvastigheid onder de bevolking van West-Europa en Noord-Amerika, onder andere tegen de terreur van de Italiaanse Rode Brigades, de Baskische afscheidingsbeweging of de West-Duitse RAF. Die veerkracht is ook in de 21ste eeuw van groot belang. «We waren vergeten dat democratieën ook opofferingsgezinde gemeenschappen zijn.»

En Amerika? Gulliver te midden van de kleintjes en dwergen, en soms Goliath die het aflegt tegen een duimhoge vijand. In American Exceptionalism and Human Rights leggen juristen, regeringsambtenaren en wetenschappers uit waarom Amerika een uitzonderlijk democratisch land is dat op cruciale punten (doodstraf, niet-ondertekening van internationale verdragen, grotere tolerantie tegenover smaad, belediging en laster) afwijkt van West-Europa. In de eerste plaats is Amerika al bijna een eeuw een uitzonderlijke supermacht. En dan is er nog het populisme en de federale structuur waarbinnen de af zonderlijke staten een behoorlijke auto nomie hebben. Bovendien speelt het religieuze puritanisme (de Voorzienigheid) een belangrijke rol in het dagelijks leven en in de politiek, met alle messianistische neigingen van dien. Het land kent ook geen socialistische traditie en is nooit bezet geweest door een vreemde mogendheid. Ook een uitzonderlijke «afwijking» zijn de slavernij en het racisme die tot op de dag van vandaag hun stempel op het land drukken.

Is het erg dat Amerika een uitzondering is? Michael Ignatieff ziet de Januskop van de Verenigde Staten en de Jekyll-en Hyde-mentaliteit (een blind oog voor mensenrechten, een dubbele moraal), maar ziet ook de kracht van deze eerste democratie ter wereld met 21ste-eeuwse exportneigingen. «Onder het Eerste Amendement bestaat er niet zoiets als een vals idee.» Vandaar dat nazi-groepjes in Ohio of waar dan ook mogen demonstreren, vandaar dat smaad en laster zelden worden bestraft, om het vrije woord (hoe vijandig ook tegenover diezelfde vrijheid) principieel te beschermen.

De geschiedenis leert, aldus Ignatieff, dat een democratie nog nooit is kapotgemaakt door terrorisme, wel door een eigen overreactie. Met de red scare van 1919 en de internering van Japanse Amerikanen na 7 december 1941 «kwamen de Amerikanen ermee weg». Kan de US Patriot Act de democratie die die uitzonderingswet juist wil beschermen uiteindelijk de das omdoen?

Nee, maar waakzaamheid blijft geboden. Van alle staatsvormen is de democratie het allerkleinste kwaad. En Ignatieff blijft een welbespraakte waakhond.