Boze geesten lijken overal te zijn

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn wekelijkse kroniek kan bespreken. Vandaag: Tanzania Transit.

© Amstelfilm

Het aantal Afrikagangers onder Nederlandse documentaire filmers en tv-makers is groot. Het aantal producties over dat continent is enorm (denk alleen al aan de serieafleveringen Van Dis en Vermeulen). En dan zal de afdeling documentaire van het Filmfonds (bedoeld voor speelfilmlange bioscoopdocumentaires) nog behoorlijk wat aanvragen afgewezen hebben. ‘Collectieve Afrika-liefde’ noemde ik het wel eens grijnzend, toen ik nog bij de beoordeling daar was betrokken, wat geen recht doet aan de individuele kwaliteit van de meeste aanvragers, makers en hun eindproducten. En aan die van de fraaie Hollandse televisie-videotheek over Afrika. Hoe dat elders in Europa ligt weet ik niet. Mijn natte-vinger-indruk is dat België zich op de ‘eigen’ kolonie concentreert (Canvas had recent een indrukwekkende Kongo-reeks die verder ging in Bewältigung der Vergangenheit dan onze televisie over de Gordel van Smaragd); dat Frankrijk zich vooral, om dezelfde reden, met Franstalig Noord- en Midden-Afrika bezighoudt; en dat de Engelsen meer in hun Aziatische dan in de Afrikaanse erfenis geïnteresseerd zijn. Ook ‘wij’ hebben middels VOC en WIC in Zuid-Afrika en Goudkust-forten (Elmina, Ghana) zo ons imperialistisch aandeel gehad. Daarover is hier tv gemaakt, maar eigenlijk blijkt gans Afrika, van Tanger tot Kaap de Goede Hoop, Nederlandse makers te trekken. Hoon daarover is ook al ongepast omdat de wereld op de televisie steeds meer moet wijken voor eigen land, volk, cultuur, stad en dorp: zie het NOS Journaal met zijn steeds provincialer karakter.

Het zijn de minsten niet die in Afrika filmden: Marjoleine Boonstra, Roel van Broekhoven, Tom Fassaert, Eline Flipse, Boris Gerrets, Hans Keller, Niek Koppen, Maaik Krijgsman, Renzo Martens, Bernice Notenboom, Robert Oey, Hans Pool, Walter Stokman, Femke en Ilze van Velzen, Jacqueline van Vugt, Femke Wolting – met excuses aan wier namen ik niet paraat heb. Toen ik als kind nog niet buiten de Amsterdamse Hoofddorppleinbuurt kwam leerde ik de wereld kennen dankzij de bibliotheek op het Surinameplein (meteen het verste punt) en dankzij bijvoorbeeld het oeuvre van de Zweedse ontdekkingsreiziger Sven Hedin. Wat behoorlijk curieus is omdat kennelijk vier jaar na de oorlog de boeken van die fanatieke nazipropagandist voor ons gewoon beschikbaar waren. Voor daaraan verwante smerige Afrika-visies in documentaires hoeven we niet bang te zijn. Ze overstijgen ver het toeristisch niveau, en respect en belangstelling zijn de voornaamste ingrediënten van wat ons bereikt. Al zullen er zijn die witte televisie over zwart Afrika per definitie verwerpelijk vinden. En al komen we wel degelijk racisme en discriminatie tegen, maar dan geregistreerd als Afrikaans verschijnsel. De slavernij in Mauritanië werd recent door Bram Vermeulen nog aan de orde gesteld. En de nieuwe film van Jeroen van Velzen, Tanzania Transit, bevat een pijnlijk voorbeeld, waarover meer.

Van Velzen, die er als kind lang woonde, heeft een Afrikaans oeuvre op zijn naam, waaronder de mooie, lange documentaire Wavumba over een oude Keniaanse visser. Deze keer reist hij drie etmalen met de trein van Oost naar West door Tanzania, van Dar-es-Salaam aan de Indische Oceaan naar Kigoma bij het Tanganyikameer, iets ten zuiden van Burundi. Samen met honderden Tanzanianen, onder wie vier hoofdpersonen die niets met elkaar van doen hebben en elkaar in de lange trein ook niet ontmoeten. Ze worden niet geïnterviewd: we zien hen vooral in gesprek met andere reizigers. De meest spectaculaire is Peter, een prediker die een kleine coupé voor zichzelf heeft, waar hij slaapt, telefoneert en bidt. In een opvallende outfit van glimmende stof die het midden houdt tussen priesterpak en militair uniform, met om de nek een groot kruis aan ketting. Die draagt hij alleen bij zijn performances, als hij, vooral in de derde klas, aan het prediken, bidden en instant-genezen slaat. Waar behoorlijk wat belangstelling voor is, vooral onder vrouwen die met overgave zijn geestelijke liederen overnemen. Na zijn optreden (je kunt het echt niet anders noemen) laat hij zijn telefoonnummer in de mobieltjes van belangstellende passagiers zetten: ze mogen hem sms'en over al hun materiële en immateriële wensen waarvan hij de vervulling zal bevorderen middels gebed waarin het bloed van Jezus Christus een belangrijke rol speelt; en ze kunnen hem altijd gratis bellen als ze, pakweg, door nachtelijke demonen of geesten belaagd worden. Dat het consult daarna zelf niet gratis is valt af te leiden uit de pakken bankbiljetten die hij meedraagt. Bovendien denkt hij groot: hij belt een relatie over een congres dat hij organiseert en waarvoor sponsorbedragen nodig zijn: zo een 5700 euro. Nee, laat hij zijn gesprekspartner weten, die komen bovenop de 110.000 die al zijn geregeld: die waren bestemd voor een eigen tv-station en radiozender. Urejesho-TV gaat het heten. De naam is door God zelf gegeven en daarom heet hij nu ook Apostel Urejesho: ‘Ik geef terug wat gestolen is.’
Als hij een vrouw vraagt om naar zijn kerk te komen en die antwoordt dat ze het vervoer daarheen niet kan betalen, aarzelt hij, maar komt dan toch over de brug tot groot enthousiasme van de meeste passagiers. Kleine investering, grote baten want dit moet inderdaad een man van God zijn. Zelf denk ik dat hij dat geld gestolen heeft van arme sodemieters die hij met wensen en gebeden behoedt ‘voor een voortijdige dood’, maar dat zullen weinig passagiers met me eens zijn. Opvallend hoe haast vanzelfsprekend hele rijtuigen zijn optredens accepteren tot omhelzen.

Kwam Van Velzen Peter in de trein tegen met het geluk van de goede keeper? Nee. De term hoofdpersonen heeft hier raakvlakken met dat begrip in fictie: ook de andere drie kende hij van eerdere research en hun meereizen was voorwaarde voor een interessante film, die in de originele bioscoopversie zelfs anderhalf uur duurt (mijn tv-versie is ruim vijftig minuten). Een opzetje dus, waar documentaire puristen tegen zullen zijn. Ik zelf ben in de loop der jaren rekkelijker geworden. De personages zijn wie ze nu eenmaal zijn, als ze spelen, spelen ze zichzelf en ik voel me niet bedrogen. Zeker niet als ik in de Filmkrant lees dat het een mirakel is dat de film überhaupt tot stand kwam. Van Velzen had een heel andere treinreis, van Tanzania naar Zambia, voorbereid, maar maanden research kon overboord toen drie dagen voor vertrek een corruptieschandaal binnen de treinmaatschappij dat project onmogelijk maakte – tenzij hij zich zou laten gebruiken om er een soort propagandafilm van te maken. Tot overmaat van ramp bleek zijn beoogde hoofdpersoon sinds hun laatste ontmoeting tot junk te zijn vervallen. Lekkere start.

Een kracht van de film is dat, los van de expliciete rol van Peter (die volgens de persinformatie voormalig bendeleider is, wat in deze tv-versie niet aan de orde komt), de grote rol van religie ook implicieter zicht- en voelbaar wordt. Kort na vertrek loopt een medewerker met bel door de trein: ‘1. Het eten is klaar: vis of kip, daarbij ugali of patat. 2. Ik wil de Heer bedanken dat hij ons op deze reis voor het Kwaad behoedt; daarom moeten wij allen “loof Allah” zeggen. 3. Bidden wij tot God opdat Hij ons blijft behoeden voor ziekte en gevaar. Laat ons allen Amen zeggen.’ Vergis ik me niet, dan neemt de man de twee grootste monotheïstische religies mee in zijn aansporing, wat om allerlei redenen de veiligheid bevordert. Dat we tussen de passagiers en op perrons weinig aan kleding herkenbare moslims zien begrijp ik beter wanneer ik google dat de dertig procent moslims vooral op Zanzibar en langs de Oostkust wonen, terwijl de trein juist de christelijke en natuurgodsdienst-gebieden binnen rijdt. Maar boze geesten lijken overal te zijn.

Andere hoofdrol is er voor Rukia, Keniaanse, afkomstig uit een streek waar geen regen meer valt. Ze had daar een bar bij de woestijnmijnen waar naar edelstenen wordt gezocht, maar zoekt nu, ver weg, een andere bestemming om geld te verdienen voor haar achtergelaten kind. IJzersterk en zelfbewust is ze – de enige vrouw die het waagt tussen de bier drinkende mannen in de restauratie te gaan zitten. Maar uitgerekend de man die haar daarvoor prijst valt haar lastig. In een aangrijpend gesprek in haar slaapcoupé, bestemd voor vrouwen en kinderen, vertelt ze haar bittere levensgeschiedenis: op haar veertiende door haar ouders als bruid verkocht aan een man die haar prompt verkrachtte. Medeleven en begrip is haar deel, zoals ze al eerder in de film samen zongen: ‘Alle vrouwen, laten we samenwerken in vertrouwen; dat zal ons kracht geven; stoere meiden, we moeten samen verder vooruit; stoere meiden, moedige werkers.’ Ieder lijkt het lied te kennen.

Dan de discriminatie. De film opent met grootvader Isaya en kleinzoon William, in de derde klas, aan hun kleding voor ieder herkenbaar als Masai. Die etnische groep behoort tot de verliezers van de modernisering, die niet meedeed aan de landverdeling en daarmee graasgebieden en uiteindelijk vee kwijtraakte. Daar gaan hun gesprekken niet over. Ze zijn een onweerstaanbaar duo, genietend van de reis, het uitzicht, de wereld. Geen scenarist kan hun volstrekt ironieloze blijde conversaties bedenken. Voor opa is het zijn eerste keer spoor en stralend stelt hij vast, als de trein wel heel onrustig hobbelt, dat het net als ezel rijden is. Langzaam wordt de generatiekloof duidelijk: William leeft in Dar-es-Salaam waar hij met andere Masai-jongens een dansgroep heeft. Dat William een promotiefilmpje voor zichzelf heeft laten maken (hij laat het zien op zijn telefoon – Isaya herkent hem niet, vraagt zich af hoe hij dan die ‘kleine televisie’ binnen kwam) vindt Isaya onbegrijpelijk: voor dat geld koop je toch vee? Maar er is niets van verontwaardiging, slechts verbazing en liefdevol praten ze verder. Isaya’s waardigheid is geen moment in het geding. Maar tegen het eind van film en reis wordt die zwaar in twijfel getrokken door mannelijke medereizigers: ‘Wat doen jullie in deze trein? Volgens mij komen jullie criminele dingen doen. Wij zijn bang voor jullie, slechte mensen. Moordenaars.’
Het verweer van ‘onze’ Masai is zowel onthutst als waardig. William zegt dat hij net zozeer Tanzaniaan is als zij, mag gaan en staan waar hij wil en dat het niet slim is neer te kijken op mensen die je niet kent. Als hij zegt dat hij wel ‘aap’ is genoemd luidt het antwoord: dat is zo. (Ze zijn nota bene de mooiste mensen in de trein, ook grootvader.) ‘Swahili behandelen ons niet als mensen’, zegt Isaya en hij vertelt hoe hij protesteerde bij het schoolhoofd in zijn dorp, waar alleen Masai-kinderen zakten voor het examen omdat ze nooit behoorlijk les kregen. Het hoofd spuwde hem in het gezicht. ‘Terecht: jullie moeten bij de koeien blijven.’ Grootvader en kleinzoon zoeken een ander rijtuig, voor het eerst somber. De camera van Niels van Koevorden legt prachtige portretten en groepsportretten vast. De opwinding van de reis, de toenemende vermoeidheid, ze worden voelbaar. Mooi nieuw deel in de Hollandse Afrika-mediatheek.


Jeroen van Velzen (regie), Jeroen van Velzen, Esther Eenstroom (scenario), Tanzania Transit, EO/IKON 2Doc, woensdag 27 februari, NPO 2, 22.55 uur.
Interview met de regisseur: https://filmkrant.nl/interview/jeroen-van-velzen-over-tanzania-transit/