FILM

Boze mannen

Skoonheid

Het kan zijn dat ik al te lang weg ben en de taal niet meer in haar natuurlijke omgeving heb kunnen ervaren, maar de personages in Oliver Hermanus’ film Skoonheid lijken een soort conservatief Afrikaans uit de jaren vijftig te spreken, het tijdperk van het metselen van de muur van grand Apartheid. Een andere mogelijkheid is dat ik het goed hoor, wat zou betekenen dat de regisseur op uiterst geraffineerde wijze taal, identiteit en seksualiteit aan elkaar koppelt terwijl hij afrekent met een voor zwarten én witten onmenselijk systeem.
Dat conservatief klinkende Afrikaans herken ik ook uit een vergeten en inmiddels verzwegen tijdperk uit de geschiedenis van de Zuid-Afrikaanse cinema: de hagelwitte, oppervlakkige films uit de jaren zeventig die desalniettemin in mijn geheugen gegrift staan. Ik groeide ermee op: Afrikaanstalige komedies, simpele liefdesverhalen, familiefilms of actie- en avonturenverhalen met een melodramatische inslag waarin de zwarte bevolking niet bestond.

Na mijn immigratie en de politieke veranderingen zag ik deze films nooit meer. Ik las er sporadisch over in academische artikelen die verder niemand las. Wel las ik vaak over nieuwe Afrikaanstalige films, wat mij hoopvol stemde, maar deze werden nooit internationaal gedistribueerd. Skoonheid bracht hier verandering in: eerder dit jaar deed het werk mee in een prestigieuze categorie op het festival van Cannes. De eerste reacties waren gemengd. Veel critici vonden het langzame ritme zwaar op de maag.
De ironie is dat Skoonheid in mijn beleving een bij uitstek Zuid-Afrikaanse en vooral Afrikaanstalige film is met boodschappen en thema’s die voor buitenstaanders tamelijk ondefinieerbaar lijken, ook al hebben die op het oog te maken met een universeel thema: onderdrukte homoseksualiteit. Een voorbeeld van het extreem cultuurspecifieke: hoofdpersoon Francois (Deon Lotz), eigenaar van een houthandel in de Kaap, is getrouwd en heeft een volwassen dochter. Vroeg in de film rijdt hij naar een boerderij waar hij in de keuken met een groep mannen een biertje staat te drinken. De mannen praten met elkaar, maar waarover is niet duidelijk. Wel valt in het geroezemoes de naam van een beroemde Zuid-Afrikaanse rugbyspeler. Vervolgens blijkt dat deze mannen bij elkaar zijn om seks met elkaar te hebben. Hoe ondermijnend dit gegeven in die context is valt bijna niet te beschrijven. Ik dacht zelfs eerst dat de scène ongeloofwaardig is, dat de regisseur hier te veel wil, onder meer door de personages zo correct en dus conservatief Afrikaans te laten spreken. Bovendien zijn het stuk voor stuk onaantrekkelijke mannen, boze, bange mannen in korte broek met shirts van linnen en met sokken tot aan de knie, mannen met lelijke, behaarde benen, mannen met een buikje, mannen die over rugby praten, de meest macho van alle sporten gespeeld in de meest mannelijke van alle landen.
Nog zoiets: de kern van de crisis waarmee Francois kampt heeft zijn oorsprong tijdens de apartheid. Hij vertelt in een gesprek met de mooie jongen Christian (Charlie Keegan), zoon van een vriend op wie hij verliefd is, over zijn tijd in het leger. Met slechts een paar zinnen waarin woorden als ‘plicht’ en 'gezin’ vallen definiëren acteur en filmmaker hier de crisis waarmee de Afrikaanstalige gemeenschap sinds het afschaffen van apartheid kampt, namelijk verlies van macht, status en identiteit. Deprimerende scènes waarin Francois verloren door de donkere straten van Kaapstad doolt versterken het gevoel van vervreemding en wanhoop. De titel krijgt zo zijn definitieve, wrange betekenis.
Skoonheid laat wel zien dat de bevrijding van het land vooral ook de bevrijding van witte, Afrikaans sprekende mensen betekende. Zo'n sensitieve film gedraaid in een taal die vroeger een instrument voor onderdrukking was duidt niet op desillusie over het verlies van macht en status zoals vaak wordt gevreesd in Zuid-Afrika, maar eerder op een soort vitaliteit dat vroeger het domein van de literatuur van André Brink en Breyten Breytenbach was.

Te zien vanaf 23 februari