Braaf zijn

‘Als u het niet erg vindt even op mijn hond te passen…’ De dame op het bankje naast me reikt me het rode touw aan dat verbonden is met een bruin beest van gemiddelde grootte. Zonder mijn bezwaren af te wachten stapt de dame – ze loopt met een wandelstok – op de Albert Heijn To Go af, en ik blijf achter, in een drukke stationshal, met een broodje brie en een cappuccino die ik hier kalmpjes had willen nuttigen, maar die ik nu onaangeroerd laat.

Bij de ingang draait ze zich abrupt om, blijft even leunen op haar stok en gebiedt op een toon die weinig goeds voorspelt: ‘Braaf zijn hè, Tolga.’

De mensheid bestaat uit katten- en hondenliefhebbers, en uit types als ik, die nooit vrede zullen sluiten met welke vertegenwoordiger van het dierenrijk dan ook. Ik houd de lijn met gestrekte arm voor me uit alsof het een beschimmelde prei is die ik uit de groentela heb gevist en werp het beest angstvallig blikken toe, vanuit mijn ooghoeken, terwijl ik me panisch probeer te herinneren of het nu honden of katten waren die je niet recht mocht aankijken omdat ze oogcontact als een oorlogsverklaring interpreteren.

Uiteraard blijft het vrouwtje tergend lang weg. Uiteraard springt dit Tolga-geval naast me op de bank en begint het mijn broodje brie te besnuffelen. Straks gaat die snuit natuurlijk linea recta naar m’n kruis, want zo zijn die beesten, ze bespringen alles wat in de buurt komt, zodat een huisbezoek aan hondenbezitters altijd neerkomt op het aanhoren van een doodvermoeiende serie bestraffingen (‘foei toch’) en verontschuldigingen (‘dat doet hij anders nooit’).

Even vlamt er een verlangen naar het Quartier Latin in Parijs in me op. Dat zit zo: ik heb eens gelezen (in Het hof van barmhartigheid van A.F.Th. van der Heijden) dat er in dat Quartier Latin, studentenbuurt immers, geen honden zijn, ‘en daarom komen er in de romans van Sartre geen honden voor’.

Ik heb de bron daarvan nooit kunnen vinden. Wel las ik elders (in een inleiding op Het zijn en het niet) dat Sartre ‘de natuur verafschuwde en een hekel had aan honden’.

Misschien dat hij daarom in dat hondvrije arrondissement ging wonen. Ik begrijp goed dat alleen daar het denken tot wasdom kan komen, want met honden in de buurt is het onmogelijk je op enige gedachte te concentreren, merk ik wel, nog altijd verkrampt op het bankje, waar ik nu met één hand het broodje brie onder m’n jas probeer te verbergen, de koffie tussen m’n knieën klem en me schrap zet voor een verrassingsaanval van Tolga.

Het baasje is nog steeds niet terug. Ik begin aan een filmsynopsis: vrouw vraagt jongeman op hond te passen en krijgt plotseling een hartaanval, waardoor hij met die hond achterblijft. Die jongen heeft net met een onwijs lekker ding afgesproken, en als ze aan komt gelopen slaakt het lekkere ding een gilletje (ze is allergisch voor die kuthonden en wil afstuderen op Sartre) en maakt rechtsomkeert.

Met één hand probeer ik het broodje brie onder m’n jas te verbergen terwijl ik me schrap zet voor een ­verrassingsaanval

Plotseling staat de dame naast me, en begint Tolga te knuffelen, door zijn kop tussen haar beide handen te nemen en heen en weer te schudden, alsof ze haar natte handen aan hem droogwrijft. Ik glimlach, wil de lijn al weer doorgeven totdat ik zie dat ze getransformeerd is tot een iets jongere vrouw, met een rood hoedje, en zonder stok. Ongevraagd komt ze naast me zitten en aait het beest alsof ze hem al jaren kent. Aha, peins ik, dit is natuurlijk een vriendin of zus van die in de AH To Go verdwaalde of gestorven dame, en ze zal zich nu wel afvragen wie ik ben. Dus verklaar ik: ‘Ik pas even op.’

Ze luistert niet en zegt: ‘Wij hebben zelf ook honden.’ Terwijl ze gemoedelijk haar hand laat likken. ‘Hoe heet ze?’

‘Tolga’, zeg ik tot mijn spijt, waarna de vrouw met het rode hoedje de naam blijft herhalen in wisselende maar elk evenzeer de aandrang om te braken opwekkende intonaties.

Hondenbezitters vormen blijkbaar een genus dat elkaar herkent en dat de stilzwijgende overeenkomst heeft te pas en te onpas aan elkaars beesten te mogen frunniken. En nu ben ik, in de hersenpan onder het rode hoedje, ineens ingelijfd tot diezelfde soort.

Niemand bij dit stationsbankje is wie hij lijkt. En dat komt allemaal door die rothond.

Eindelijk komt het baasje terug. Ze draagt een banaan. Is ze daar twintig minuten naar op zoek geweest? Eerst verwelkomt ze Tolga alsof hij net uit een brandend huis is gered. Dan glimlacht ze naar de vrouw naast me, en zegt: ‘Hij heeft goed opgepast hoor. U boft maar met zo’n alleraardigste zoon.’

Nom de dieu… Bij het opspringen gooi ik mijn cappuccino om. Weg, weg hier… Ik wil naar Parijs!