Bram peper

Volgens minister Bram Peper is het antwoord op de identiteitscrisis van Paars: een totale transformatie van het politieke bedrijf. Uit een ‘geheim’ essay dat hij tijdens het reces schreef, blijkt dat Peper nog net zo hemelbestormend is als vijfentwintig jaar geleden.

TERWIJL DE REST van Nederland op vakantie was plande Bram Peper een revolutie. Een bestuurlijke revolutie om precies te zijn, een turbo-thorbeckiaans transformatieproces, dat niet alleen ingrijpende consequenties zal hebben voor het duchtig te zuiveren ambtelijke apparaat, maar ook het kabinet en zelfs de gehele samenleving midden in het hart zal treffen. De ministeriële verantwoordelijkheid, de positie van de staat, de partijpolitiek, ja zelfs de Grondwet gaan op de helling als het aan de debuterende minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ligt. Peper ontvouwt zijn revolutionaire doctrine in Op zoek naar samenhang en richting, een lijvig essay dat hij tijdens het verplichte reces schreef bij wijze van peptalk voor collega’s van het zieltogende Paars II. Officieel is het stuk nog steeds vertrouwelijk. VVD-senator Hans Wiegel - zoals bekend geen voorstander van gemorrel aan de Grondwet - eiste van premier Kok dat Pepers pennevrucht zou worden opgestuurd naar de Eerste en de Tweede Kamer, maar aan dat verzoek werd niet voldaan. Wel beloofde Kok dat Peper op Prinsjesdag zal komen met een aangescherpt actieprogramma ter herstructurering van de staat. Sindsdien verkeert politiek Den Haag in staat van opperste paraatheid. En terecht, zo blijkt bij lezing van het geheime stuk. Peper blijkt anders dan zijn meeste paarse collega’s namelijk in topvorm te verkeren. In Op zoek naar samenhang en richting toont hij zich ouderwets listig, virtuoos in het formuleren van allerradicaalste ideeën op zo'n gemoedelijke manier dat je er blind mee akkoord zou willen gaan. Pepers jongste pennevrucht doet in stijl en presentatie denken aan de essays waarmee hij begin jaren zeventig als socioloog aan de Nederlandse Economische Hogeschool in Rotterdam snel naam maakte als principaal denker van de sociaal-democratie. Het verschil is dat de boodschap radicaal is gewijzigd. Begin jaren zeventig, vlak voor het aantreden van het kabinet-Den Uyl, was Peper een voorstander van een sociaal-democratische ramkoers richting het traditionele politieke establishment. Prof. dr. A. Peper, afkomstig uit een Haarlems arbeidersmilieu, wilde nog verder gaan dan het Nieuw Links van Lammers en Van der Louw. Heilige huisjes als de geleide loonpolitiek en de traditionele bescheidenheid van de Nederlandse vakbeweging dienden tot de grond toe afgebroken. Mooi rood is niet lelijk, zo luidde de titel van een reeks beschouwingen waarmee hij het legendarische Tien over rood van de groep rond Van der Louw in radicaliteit beoogde te overtreffen. In de zomer van 1972 plaatste Hollands Maandblad een strijdlustig stuk van de Rotterdamse professor, waarin deze de sociaal-democratie opriep tot ‘confrontatie met de confessionelen’. Daarmee was hij een van de gangmakers van de polarisatie, die met het aantreden van het kabinet-Den Uyl een nooit meer geëvenaarde piek bereikte. In de zogeheten Steenwijk-groep rond Peper vonden radicale PvdA'ers als Wim Meijer, Ger Klein, Jan Pronk, Jan Schaefer en Irene Vorrink elkaar. Den Uyl keek het allemaal met gepast wantrouwen aan, als altijd bevreesd - en niet geheel ten onrechte - voor een coup van de linkervleugel. Den Uyl hield Peper op gepaste afstand. Zijn kroonprins André van der Louw daarentegen ging gretig in op de boodschap van het orakel uit Rotterdam, dat hem in 1982 zelfs zou opvolgen als burgemeester. MET DIE BENOEMING kwam er ook al snel een einde aan Pepers radical chic uit de jaren zeventig. In de jaren tachtig zou hij uit een geheel ander vaatje tappen. Hij werd, samen met zijn beschermheer Van der Louw, een van de belangrijkste propagandisten van het Nieuwe Realisme waarmee werd getracht Den Uyl andermaal van de PvdA-troon te stoten. Dat 'nieuwe realisme’ diende als ideologisch antiserum tegen het als verouderd beschouwde uyliaan se denken. Het was tevens een omkering van alle waarden die de naoorlogse sociaal-democratie tot dan toe had gekend. De triomfantelijke overwinningsmars van de jaren zeventig moest plaatsmaken voor een aanzienlijk bescheidener muziekje. 'Rechts heeft meer voeling met hun maatschappij dan wij met de onze’, aldus Peper in 1982. 'We hebben te weinig opgepikt, omdat het zogenaamd te rechts was.’ De boodschap was zo flagrant in tegenspraak met het tien jaar eerder nog zo enthousiast beleden evangelie van de confrontatiepolitiek dat velen zich vertwijfeld afvroegen of dit wel dezelfde Peper was. 'Ik heb een groot imitatief talent’, zo verklaarde de kersverse burgervader zich. 'Ik kan me goed in anderen verplaatsen.’ Pepers benoeming tot burgemeester markeerde niet alleen ideologisch, maar ook persoonlijk een radicale overgang. Tot dan toe was hij de vechter geweest, een rebel, die zich met een beroep op zijn eigen proletarische wortels onderscheidde van de veelal in vage theorieën hangende collega-PvdA-ideologen. 'Als je bent opgegroeid in een arbeidersgezin weet je hoe de machtsverhoudingen liggen’, aldus Peper. Na zijn intocht in het stadhuis aan de Coolsingel was hij niet langer rebel maar regent, en die onverhoedse overgang verliep niet zonder persoonlijke kleerscheuren. Tot dan toe was hij toch vooral een man van de achtergrond geweest, een invloedrijk doch nauwelijks opgemerkt muurbloempje in het rijke leven van de rode familie. Voor 1982 was hij zelden op de voorgrond getreden. Net als in zijn studentenjaren in Amsterdam, toen hij tamelijk onopvallend in het kielzog verkeerde van veel charismatischer medestudenten als Klaas de Jonge, hield Peper zich het liefst ge deisd. Hij was het brein achter tal van initiatieven en redes van anderen. Nu stond hij opeens zelf in het licht. Dat ging zoals gezegd niet altijd even gesmeerd. AL SNEL KWAM Peper als burgemeester in de ban van de tragiek van menig eenzaam regeerder: hij raakte steeds verder in zichzelf verzonken en raakte zijn vroegere proletarische verzetsstatus al snel kwijt. Historisch werd het interview dat de Rotterdamse burgervader in maart 1984 samen met zijn kersverse geliefde Neelie Smit-Kroes gaf aan Ischa Meijer in Vrij Nederland. Peper was in die turbulente dagen veelvuldig in het nieuws door een als ietwat megalomaan omschreven stijl van leiderschap. Zwaaiend met zijn ambtsketting zou Peper niet alleen vrije doorgang over de vlugstrook opeisen, maar ook rekeningen in het restaurant niet voldoen, alsmede zonder te betalen zijn binnengedrongen in museum Boymans-Van Beuningen. Anders dan zijn voorganger Van der Louw raakte Peper in Rotterdam steeds verder geïsoleerd. Populariteit bij de maasstedelijke bevolking was er al helemaal niet bij. Tegenover Ischa Meijer schoot het eerste koppel van Rotterdam zodanig uit de slof dat er nog maandenlang vragen over werden gesteld in de Rotterdamse gemeenteraad. Peper verkondigde onder meer dat hij het slachtoffer was van een heksenjacht, terwijl een nog ernstiger geagiteerde Neelie Smit-Kroes in het gehele interview zoveel krachttermen gebruikte ('Elke boerenkloothommel kan toch op zijn vingers natellen dat een burgemeester het met zijn vrouw doet?’) dat een gemiddelde bootwerker uit Katendrecht er een hele klus aan zou hebben daar overheen te komen. In feite bleef het hele burgemeester schap van Bram Peper hangen in een aanhoudende crisissfeer, die uiteindelijk zou culmineren in de weinig verheffende slijtageslag met een onwillige politiechef Brinkman, die door Peper zou worden afgeschilderd als een geval voor de psychiatrie. Steeds eenzamer werd Peper in Rotterdam, slechts gesteund door zijn steun en toeverlaat Neelie en een enkel bezoek van zijn literaire idool annex biechtvader Gerard Reve, die grossiert in dezelfde desolate melancholie waaruit Peper zelf ook zijn geestelijke reserves pleegt te putten. Pepers toch nog onverwachte benoeming tot minister in Paars(II markeerde een nieuwe jeugd voor de in 1940 geboren rasbestuurder. Hij is nu een van de weinige ministers van Kok die schwung aan de dag legt. De crisissfeer die Paars II voor het reces voornamelijk verlamde, blijkt voor Peper juist de motor van een persoonlijke renaissance. Een keten van affaires, de enquête naar de Bijlmerramp voorop, trok diepe sporen in het kabinet, maar Peper gebruikt die nu juist als vertrekpunt voor wat wel eens zijn finest hour zou kunnen worden. Achter de façade van het evidente economische succes van Paars(II tekent zich een politieke identiteitscrisis van jewelste af, zo houdt Peper zijn lezers voor, en het antwoord daarop moet zijn: een totale transformatie van het politieke bedrijf. Het klinkt allemaal weer even hemelbestormend als 25 jaar geleden, zij het dat Peper zijn toenmalige neo-marxistische sentimenten vooralsnog heeft ingeruild voor een wat diffuser geloof in Marshall McLuhan, Internet en het nieuwe Europa. Zelf is hij er duidelijk door opgeknapt. Wat het Nederland uiteindelijk zal brengen, blijft vooralsnog een vraag.