Bramen plukken

De kans op echte stilte in een stiltecoupé is even groot als die op zondagrust in een stad. Maar vanmiddag heb ik geluk. Alleen het suizen van de ventilatie klinkt in het klooster-op-wielen. Het landschap schuift langs onder een matgeplastificeerde rand, waarin staat te lezen: S I L E N C E [S] S T I L T E.
Na een tijdje klinkt het schuin achter mij: ‘Mng… Ng! Mngah… Gw… gw… heng… ng!’ Ik kijk opzij en zie twee jongens, allebei tegen de dertig, driftig naar elkaar gebaren. 'Nhhi… gr… monggh! Mo-hng!!’ riposteert de ander, maar de klanken zijn meer een onbedoeld bijproduct bij zijn vliegensvlugge handgebaren.
Twee doven praten
druk in de stiltecoupé:
geheid een haiku
noteer ik, en spiek dan naar de gezichten van de andere passagiers. Ook zij moeten toch geraakt zijn door het absurde, het ironische of misschien moet ik wel zeggen het oxymoroneske van het tafereel. Maar niks. Niemand laat zich losrukken uit z'n starre meditatie over het Hollandse landschap, noch uit de berichtgeving in de Spits! noch uit de memo over het nieuwe toetsingsmodel van de kwaliteit van de interne communicatie bij de regioafdelingen van het provinciebestuur.
En die jongens maar ouwehoeren. Ze komen vingers en handen te kort. Geen idee waar ze het over hebben. Vaak heb ik gedacht dat het praktisch zou zijn als iedereen gebarentaal sprak. Vooral in discotheken of op literaire festivals die na tienen onverbiddelijk overgaan in een oorverdovend dansfestijn dat alle gesprekken smoort.
Ik heb altijd geleerd dat gebarentaal net zoveel nuances, gevoelens en stemmingen kan overbrengen als reguliere spraak. Maar kun je er ook poëzie mee maken? Rijm? Ritme? Hoe zien fluisteren en schreeuwen eruit?
Zoals alle ontwikkelde, intelligente en cultuurgevoelige mensen denk ik bij het zien van doven ogenblikkelijk aan Beethoven. Zeker nu een van die jongens een stuk papier erbij pakt om de dialoog blijkbaar met het schrift te ondersteunen. Zo alomvattend is dat doventaaltje kennelijk toch ook weer niet.
Ludwig van Beethoven had daar zijn Konversationsheften voor, schriftjes die ons een idee geven van de soort conversaties die een genie zoal voerde. Over soep. Over het vinden van een geschikte huishoudster. Over z'n neef die niet wilde deugen. Over geld. Over bloedgeile meiden en hitsige neukseks lees je dan weer een stuk minder. En volgens mij is dat wél exact waar die twee jongens het nu over hebben, zo enthousiast gaat het er aan toe.
Ineens remt de trein abrupt, en vliegen we allemaal een halve meter uit onze stoel voordat we tot stilstand komen. Het duurt enige tijd voordat een stem zich uit de speakers meldt: 'Wij zijn gestopt vanwege… de aanwezigheid van… personen op het spoor die… zich daar… op gevaarlijke wijze ophouden.’
Als we een minuut later nog niet rijden, kijken de dove jongens me vragend aan. Ik wijs naar buiten en maak van mijn wijs- en middelvinger een tweebenig poppetje dat ik over de denkbeeldige rails laat wandelen. Zo moeilijk kan het toch niet zijn, gebarentaal.
Toch is de boodschap niet begrepen. Ik herhaal mijn act, wijs uit het raampje, en maak de wandelbeweging. Geen effect. Jezus, jullie zijn toch niet blínd of zo?
Of ik het op kan schrijven, gebaren ze. Dat biedt uitkomst. Bovendien kan ik afkijken in hun kleine Konversationsheftje. Ik zie eigennamen, achternamen, merk- of straatnamen, vermoed ik. Het woord sportschool. Tijden of andere cijfers. Sporen van levens. Voetafdrukken. Boodschappenlijstjes. Flarden existentie. La langue est un système ou tout se tient. Die geruststellende formule van De Saussure heb ik ooit uit m'n hoofd geleerd en komt op de raarste momenten weer even bovendrijven. De taal is een systeem waarin alles met alles samenhangt.
Ik besluit de woorden van de conducteur niet integraal te noteren en volsta met de samenvatting: 'Mensen op het spoor.’
Waarom? schrijft de jongen direct daaronder.
Goede vraag. Ik heb geen idee, en kijk de coupé rond. Noch altijd winnen we het niet van de Spits!, de beleidsnota en het landschap. Dan zie ik buiten, langs de bosjes, een vrouw van, wat zal het zijn, een jaar of 57 lopen, met een emmer in haar hand. Ze verdwijnt tussen de struiken.
Bramen plukken, schrijf ik op, en mijn twee doven accepteren dit antwoord tot mijn verbazing met welwillend geknik.
Alsof er op dit moment gewacht is, komt nu ook de trein hortend, wat onwillig, in beweging. Even later barst de regen los. Op het fietspad langs het spoor schuilt een wielrenner onder een boom.
De doven stappen een halte eerder uit dan ik. Op het perron zie ik ze verdwijnen met hun jassen half over hun hoofd getrokken. Op het tafeltje is het papier achtergebleven. Strikt formeel is het vast geen haiku, maar van mij mag het:
Mensen op het spoor.
Waarom?
Bramen plukken.