Toneel: ‘De gebroeders Leeuwenhart’

Bramendal

De gebroeders Leeuwenhart van HNTjong © Bowie Verschuuren

Doodgaan is helemaal niet zo erg, zegt grote broer Jonatan tegen de ernstig zieke Kruimel. Het is alleen maar je ‘schil’ die onder de grond komt te liggen. ‘Zelf vlieg je naar Nangijala.’ Acteur Rick Paul van Mulligen spreekt aan het begin van de jeugdvoorstelling De gebroeders Leeuwenhart (8+) dit geheimzinnige woord voor het rijk waar zijn broertje na zijn dood naartoe zal vliegen op een opmerkelijke manier uit. Aarzelend spreidt hij zijn armen uit en zijn stem schiet zangerig de hoogte in. Hij is duidelijk verbaasd over zijn eigen verzinsel. Daarin ligt de kern besloten van NTJongs theaterbewerking van Astrid Lindgrens kinderboek uit 1973. De ridderavonturen die Lindgren de twee boers in Nangijala laat beleven, verzint de toneel-Jonatan ter plekke. Om zijn angstige broertje gerust te stellen. Om hem bij te staan op de reis naar het hiernamaals die Kruimel alleen zal moeten maken.

De voorstelling speelt zich helemaal af op en rondom het reusachtige bed van het negenjarige jongetje. Daar staan Kruimels moeder, zijn broer, een vrouw met een aktetas – de dokter wellicht – en een man met een gitaar in de eerste scène over hem te praten. Bij de woorden ‘Hij gaat dood’ vallen ze allemaal verschrikt even stil. Kruimel, aandoenlijk bangelijk en bozig gespeeld door Teun Luijkx, kruipt weg onder het dekbed. Dan ontstaat er een energieke bedrijvigheid rondom het bed. Jonatan spuit er rook omheen, springt erop, de anderen verschikken alvast hun kleren en verstoppen zich achter de (Zweeds) houten zijkant. Als Jonatan begint te vertellen, stappen zijn medespelers beurtelings in het avonturenverhaal. Ayisha Siddiqi, de vrouw met de aktetas, is met haar jas als een hoofddoek rond haar gezicht gevouwen Nangijala-bewoonster Sofia. In het Kersendal, waar Jonatan en Kruimel gaan wonen, leidt zij het verzet tegen de oprukkende slechterik Tengil die het naastgelegen Bramendal al in zijn bezit heeft. Hannah van Lunteren knoopt haar haren tot een hangsnor en verandert van Kruimels moeder in de joviale herbergier Jossie. En Viktor Griffioen, de man met de gitaar, trekt zijn broek binnenstebuiten en ontpopt zich als de stoere Hubert, de beste boogschieter van het Kersendal.

In zijn enscenering van een bestaande Zweedse toneelbewerking komt regisseur Casper Vandeputte tegemoet aan een uitspraak van Lindgren. Verbaasd over de bezorgde vragen van volwassenen over de zwaarte van de materie die de schrijfster aan jonge lezertjes voorschotelde, zei Lindgren dat kinderen voor de dood niet zo angstig zijn. ‘Ze zijn bang om alleen achtergelaten te worden door degenen van wie ze houden.’ Troostend nabij verbeelden de spelers rondom Kruimel met beddengoed, kussens, losgeraakte bedstijlen en huishoudelijke artikelen de paarden, de helden, de vijanden en de verraders uit het verhaal. Dankzij licht- en geluidseffecten – de ademnood van Kruimel is echoënd versterkt een griezelgeluid – wordt dat nog best eng. In het ontroerende lied dat de voorstelling omkadert, zingen de acteurs dat niemand weet wat er na de dood komt. Misschien is er niks, misschien zijn er monsters, maar het kan ook zomaar een paradijselijk avonturenland zijn.


Op tournee tot half december, hnt.nl