Rijksakademie - De werkplaatsen

Brandblussers en printplaatjes

De werkplaatsen vormen sinds jaar en dag het hart van de Rijksakademie. Een maand voor de RijksakademieOPEN werken specialisten en kunstenaars er samen aan nieuw werk.

Medium rc20161110 rijksakademie voor beeldende kunsten 01

Rondom het bureau van Kees Reedijk, op de zolderverdieping van de Rijksakademie, hangen bakjes aan de muur. Bakjes met snoertjes, met printplaatjes, elektromotortjes, en nog meer snoertjes. Reedijk is al vijftien jaar specialist elektronica: hij helpt de kunstenaars die als ‘resident’ bij de Rijksakademie zijn aangenomen met de uitvoering van hun ideeën zodra er bij die ideeën ook maar ergens sprake is van een elektrisch onderdeel. En dat is de laatste jaren steeds vaker het geval. De residents zijn opgegroeid in een technologisch veranderende wereld en daarmee verandert de kunst die ze maken ook. Ze zijn bezig met een 3D-animatie of filmen met een stereoscopische camera, maar daarnaast grijpen ze ook graag terug naar ‘traditionele’ technieken. Toen de academie vorig jaar speelde met de gedachte de lithografie-mogelijkheden op te doeken – er was de laatste jaren nauwelijks belangstelling voor, en de ruimte kon goed gebruikt worden voor modernere apparatuur – waren er prompt een paar residents die met steendruk in de weer wilden gaan. En ook de donkere kamer staat, ondanks alle nieuwe digitale mogelijkheden, nog steeds startklaar, al moet er, mocht iemand hem willen gebruiken, wel een specialist voor worden ingehuurd.

Het gebouw van de Rijksakademie oogt vanaf de Amsterdamse Sarphatistraat weinig toegankelijk. Het instituut huist sinds 1992 in de voormalige Kavalleriekazerne, en aan de buitenkant heeft het gebouw nog steeds een militair karakter. Een ijzeren hek schuift slechts na aanmelding door de intercom even open voor de bezoeker.

Onder de poort, in een gedenksteen op de grond, staat een tekst. ‘De revolutie die niet doorging. Een protestmars door de Sarphatistraat van vierduizend mensen eindigde in een bloedige confrontatie op deze plek. 13 november 1918.’ Het is een deel van het kunstwerk dat resident Mieke van de Voort (1972-2011) in 2005 maakte ter nagedachtenis aan de mislukte revolutiepoging van Amsterdamse socialisten – de soldaten openden vanuit de kazerne het vuur op de opgewonden menigte.

Wie nu door de poort gaat, staat op een binnenplaats met in het midden een sober gebouw in blokvormen. De theorie staat letterlijk centraal in de ideologie van de Rijksakademie: in het blokgebouw zit een uitgebreide bibliotheek. Daar omheen bevinden zich de technische faciliteiten, de werkplaatsen, die bestaan uit meer dan alleen de machines en materialen – het gaat kunstenaars immers niet om het produceren van een specifiek product, maar om het vinden van de juiste materiële vorm voor een idee. En daarbij zijn de kennis en ervaring van de technische specialisten – net als alle andere medewerkers van de academie standaard benoemd met hun voornaam – essentieel.

De werkplaatsen, vrijwel allemaal op de begane grond, zijn volgens een min of meer praktische overlap naast elkaar in het gebouw geplaatst. De metaalwerkplaats grenst aan de houtwerkplaats, daarnaast ligt, iets verderop, het keramiekatelier met de ovens. Wanneer het gebakken werk voorzien moet worden van kleur kan dat in het aangrenzende verf- en kunststofatelier. Daar is ook een ruime collectie olieverf beschikbaar – dankzij een sponsorcontract heel goedkoop te verkrijgen voor de residents, die een beperkt budget krijgen voor hun materiaalkosten – en er kan met allerlei soorten kunststof gewerkt worden. Van daaruit is het slechts een deur door naar de drukkerij, waar lithopersen en inktjetprinters staan opgesteld.

In de metaalwerkplaats, die vol staat met grote machines, bespreekt resident Evelina Rajca haar werk met specialist Stephan Kuderna, het voorlopige eindresultaat zit aan een werkbank geklemd. Rajca verzamelde kwartszand in San Francisco en Marokko en liet daarmee in een glasblazerij een glazen kom maken met onderaan een smalle buis als handvat. Vervolgens zocht ze naar een manier om de kom mechanisch rond te laten draaien, en zo te laten ‘zingen’ – zoals ook bij traditionele gebedsschalen gebeurt. Kuderna: ‘We hebben zeker tien opstellingen geprobeerd. Het ging erom de menselijke hand, waarin dit soort schalen meestal wordt bespeeld, zo goed mogelijk na te bootsen. Evelina had schetsen gemaakt, en vervolgens zijn we samen op zoek gegaan naar de juiste constructie.’ Aan de werkbank zit een metalen houder bevestigd, die, aangedreven door een elektromotor, de glazen kom om zijn as kan laten draaien, een houten stokje met rubberen uiteinde leunt zacht op het glas en veroorzaakt, nadat de kom in beweging is gezet, een aanzwellende, indringende toon. ‘De constructie is bewust opgebouwd uit losse onderdelen – zo kunnen we elk probleem dat optreedt apart aanpakken. Kijk, deze metalen buis bijvoorbeeld, daar zitten nu gaten in; het bleek dat een gesloten buis ging mee-resoneren. Veel van de onderdelen die we gebruiken, zijn nou eenmaal niet gemaakt om zo stil mogelijk te zijn. Ook over de lijm waarmee het glas aan het metaal is bevestigd, is nagedacht: het is een substantie die uitgehard precies de menselijke huid evenaart.’

Medium rc20161110 rijksakademie voor beeldende kunsten 05

Kuderna heeft een meestersdiploma en werkt al zestien jaar bij de Rijksakademie. Hij is coördinator van de ‘constructieafdeeling’, waar ook hout en keramiek onder vallen. ‘Toen ik hier kwam werken, dacht ik dat bepaalde technieken wel snel zouden verdwijnen. Waarom zou je nog mallen nodig hebben als je een 3D-printer kunt gebruiken om alles direct uit de computer te laten maken? Dat bleek onterecht: nog steeds zijn er kunstenaars die met mallen werken – we hebben nu zelfs freelance een mallenspecialist in dienst. De terugkerende vraag is welke technieken we moeten behouden en welke we beter kunnen uitbesteden. Zoiets specialistisch als glasblazen of bronsgieten, dat kunnen we beter buiten de deur laten doen, daarvoor ontbreekt het ons aan de expertise en de ruimte. De kunstenaars herontdekken ook technieken die vijftien jaar geleden nauwelijks meer werden gebruikt – zo zijn er de laatste tijd weer veel meer mensen bezig met analoge muziek en fotografie. Gelukkig hebben we een vitaal netwerk van specialisten.’

De Rijksakademie kreeg in 2013 te maken met een zware bezuiniging: de helft van het budget werd ingetrokken, de helft van het personeel moest worden ontslagen. Van de elf technisch specialisten zijn er nog vijf vast in dienst – allemaal mannen, de enige vrouwelijke technisch specialist is die van de keramiekwerkplaats, als freelancer voor een paar dagdelen per week.

Vorig jaar kwam er wel een grote subsidie van het ministerie van ocw speciaal voor technische vernieuwing. Martijntje Hallmann, hoofd Residency, vertelt dat dat bedrag specifiek gebruikt zal worden om oude op nieuwe technieken te kunnen aansluiten. Bijvoorbeeld door de aankoop van een cnc-freesmachine: daarmee kun je met een 3D-bestand een patroon laten uitfrezen uit een houten vlak. Ook komt er een betere geluidsstudio en wordt er bij video de stap gezet naar 4K, het nieuwere, grotere formaat. En dan gaat het niet alleen om de camera’s, ook de computers krijgen meer rekenkracht. Daarnaast is er geld voor twee nieuwe technisch specialisten.

‘De terugkerende vraag is welke technieken we moeten behouden en welke we beter kunnen uitbesteden’

José Biscaya is een van die specialisten, hij werkt sinds juni van dit jaar bij de Rijksakademie als specialist video en nieuwe media. Van oorsprong is hij kunstenaar en experimenteel filmmaker. Hij werkt boven in de academie, naast Reedijk, de elektronicaspecialist, in een ruimte die het ‘mediaschip’ wordt genoemd. Er staan veel computers, camera’s zijn nauwelijks te zien. Biscaya: ‘Camera’s worden steeds minder gebruikt – kunstenaars gebruiken steeds vaker 3D-programma’s om iets te ontwerpen, en dat zetten ze dan bijvoorbeeld om in materie met een 3D-printer.’ In een ruimte onder het dak wordt een 3D-scanner gebouwd. De echte scanners zijn te duur, maar in samenwerking met Reedijk werken de specialisten nu aan een plateau dat aangestuurd door de camera kan ronddraaien. Met een computerprogramma wordt het beeld omgezet in een 3D-object, en zo kan de kunstenaar weer verder werken.

Biscaya noemt het ‘workflows’, de stappen die je achter elkaar zet om tot een resultaat te komen. Bij een traditionele speelfilm staat die workflow vast, maar kunstenaars kiezen vaak voor alternatieve paden. ‘Bij traditionele analoge film was de workflow erg kostbaar, tegenwoordig kan er dankzij de digitale technieken veel meer, en voor veel minder geld: de film wordt ingescand, en als je het dan digitaal bewerkt en vervolgens drukt op 35-millimeterfilm, ziet het er fantastisch uit.’ In een van de ruimtes bij het mediaschip staat nog een montagetafel voor 16-millimeterfilm. Biscaya kan die zelf niet bedienen, maar mocht er een kunstenaar interesse hebben, kan er zo een specialist worden ingehuurd. In de doka’s zijn wel constant kunstenaars bezig, op dit moment Tamar Harpaz en Tchelet Weisstub. Biscaya: ‘Analoog heeft wel degelijk een ander effect dan digitaal, en sommige kunstenaars willen dat gebruiken. Er is nu iemand bezig in de zwart-wit-doka, die iets met schaduwen wilde doen. We hadden een overleg, en daarbij kwamen we samen tot de conclusie dat die plek het meest geschikt was voor het effect dat ze wilden bereiken.’

De functie van de specialisten is dus niet zozeer het uitleggen van de machines, als meer het meedenken over wat de meest geschikte vorm is om een idee in te ‘gieten’. Daarvoor heeft Arend Nijkamp, al twintig jaar verf- en kunststofspecialist bij de Rijksakademie, in zijn ruimte op de begane grond standaard een ‘inspiratietafel’ staan. Erop liggen onder meer een glazen bol, een wit voorwerp dat lijkt op een bot maar heel zacht aanvoelt, en een palet met daarop alle kleuren olieverf naast elkaar. Een tafel met proefjes uit verschillende soorten en kleuren kunststof, waardoor je niet alleen ziet wat er mogelijk is met het materiaal maar ook hoe het er na twee of tien jaar zal uitzien.

Voor Rutger de Vries, sinds januari van dit jaar resident van de Rijksakademie, was de kennis van Nijkamp onmisbaar bij het uitdenken van zijn kunstproject, waarvan, als alles goed gaat, straks een presentatie te zien zal zijn. Eerder maakte De Vries al een werk waarbij vier brandblussers precies de standaardkleuren van kleurenprinters konden spuiten, brandblussers die dankzij de kennis van Nijkamp ook gespoten waren in precies de juiste kleur. Jammer was dat de gekleurde verf – cyaan, magenta, geel en key plate (zwart) – eenmaal op de grond te snel mengde, de kleuren bleven niet afzonderlijk zichtbaar, het werd een ‘groene plas’. Na proefjes met pigmenten uit de echte cartridges in combinatie met een speciale verdunner is dat probleem verholpen. Nu werkt De Vries aan een vervolg: een kamergrote installatie die een kleurenprinter nabootst. Een project waarin de kennis van veel verschillende specialisten samenkomt. Juist dat samenkomen, het overlappen en meedenken wordt door de kunstenaars en specialisten als de grote verdienste gezien van het ‘Rijksakademiesysteem’.

Naast het overleg in de werkplaatsen speelt ook de dagelijkse door de eigen koks verzorgde lunch in de kantine, aan de waterkant, een belangrijke rol: iedereen komt daar samen en kan zo makkelijk over de grenzen van de disciplines heen kijken. Bij de constructiewerkplaats kreeg De Vries hulp bij het maken van het geraamte, Reedijk hielp hem met het maken van een computerprogramma dat de spuitbussen met elektromotortjes aanstuurt over de lengte- en breedte-as en het gewenste ‘plaatje’ vertaalt in opdrachten voor de afzonderlijke spuitbussen, en voor de verf kwam Nijkamp te hulp. Nog steeds, een maand voor de RijksakademieOPEN, heeft de installatie last van kinderziektes. De Vries: ‘Een beetje spannend is het wel; ik kan nog steeds geen enkel “beeld” laten zien.’

De specialisten hebben met hun lange werkervaring niet alleen veel kennis van hun vakgebied, ze weten ook hoe ze moeten inspelen op de ideeën van de kunstenaars. Om te voorkomen dat die vaardigheden over een aantal jaar, als deze generatie met pensioen gaat, verloren gaat, wil de academie in 2017 twee jonge technische trainees aannemen: een voor het platte vlak en een voor de driedimensionale technieken. Mensen die digitaal zijn opgeleid en drie jaar lang zullen meedraaien met de oudere generatie.

Daarnaast onderhoudt de academie een band met (technische) universiteiten en het bedrijfsleven. Regelmatig gebeurt het dat een bedrijf een product heeft ontwikkeld waarvan de mogelijkheden nog niet zijn uitgedacht. Dan nodigt het bedrijf een paar van de residents uit om te komen kijken – niet om ze een toepassing te laten bedenken, maar wel om het eventueel op te nemen in hun toekomstige projecten.

Kees Reedijk, de man met de snoertjes, ging met acht residents kijken bij een afgesplitste divisie van Philips waar ze elektronisch bedienbare ledlampjes op een lint hebben gemaakt – hij haalt het uit een van de bakjes om het te laten zien. ‘De techniek gaat hard en het leuke is dat het helemaal niets meer kost. Een printplaatje, waarmee je elektromotortjes kunt programmeren, kun je online voor vijf euro krijgen. Veel computerprogramma’s zijn bovendien open source en daardoor relatief eenvoudig aan te passen aan de specifieke wensen. Residents komen met ideeën en willen dan ook meteen aan de slag en dat is het leuke: dankzij de instructiefilmpjes op YouTube hoef je niet meer alle details te begrijpen om met techniek om te kunnen gaan.’ Ook het internet is dus een specialist geworden, maar wel eentje die achteraan staat in de hiërarchie van de Rijksakademie.


RijksakademieOPEN

Een weekend per jaar stelt de Rijksakademie van beeldende kunsten, in 1870 opgericht onder koning Willem III, de Kavallerie-Kazerne aan de Sarphatistraat in Amsterdam open voor bezoek. De 45 kunstenaars uit binnen- en buitenland die er verblijven, de ‘residents’, presenteren hun werk in de studio’s. Voor velen betekent een periode aan de Rijksakademie een doorbraak naar de (internationale) top – voor het jaar 2017 ontving het instituut ruim veertienhonderd aanmeldingen. Het maakt de RijksakademieOPEN tot een van de hoogtepunten van het jaar: in welke richting gaat de nieuwste kunst? Wat zijn de gedeelde thema’s, op welke tradities wordt teruggegrepen? Welke disciplines mengen zich met elkaar, wordt er eigenlijk nog geschilderd? De technische werkplaatsen zijn volop in beweging.

Tijdens de cultuurbezuinigingen van 2013 werd de Rijksakademie met de helft gekort en een nieuwe bezuiniging dreigt. Onlangs ontving de Rijksakademie de AICA Oorkonde 2016 (Association Internationale des Critiques d’Art). De vakjury roemde ‘de combinatie van professionaliteit op intellectueel en vaktechnisch gebied, de actuele stellingname, en de mix van deelnemers [die] de Rijksakademie [maken] tot een onderscheidend topinstituut en een belangrijke speler in de internationale kunstwereld’. Op 21 november, vlak voor de RijksakademieOPEN, vindt in de Tweede Kamer het finale begrotingsdebat cultuur plaats.

De RijksakademieOPEN, 26 en 27 november; [rijksakademie.nl](rijksakademie.nl)