Brandend geheim

‘DEZE SLIMME INDIAAN krijgen ze nooit te pakken’, sprak Desi Bouterse in 1994, enkele dagen nadat Justitie in Nederland een gerechtelijk vooronderzoek tegen zijn aandeel in de cocaïnelijn Colombia-Paramaribo (CoPa) had gestart.

Het speciale CoPa-team van de politie in Den Haag was toen al vijf jaar bezig met het inzamelen van bewijsmateriaal. Diverse ex-lijfwachten van ‘Bevel’ waren door het CoPa-team gehoord. Een van hen, Marcel Nelom, bleek te beschikken over gedetailleerde kennis over de transporten van cocapasta naar de Surinaamse jungle, waar het in speciale laboratoria onder legertoezicht tot cocaïne werd verwerkt en naar Nederland getransporteerd. Nelom deed in De Groene van 17 augustus zijn verhaal. 'Het hele leger draaide om de cocaïne’, zo vertelde hij. Nelom praatte ook tegen het CoPa-team, maar merkte tot zijn verbazing dat Justitie hem na het vertellen van zijn gehele relaas toch wilde uitwijzen. Wijselijk dook hij onder. Andere kroongetuigen van Justitie tegen Bouterse overkwam hetzelfde. Zoals Henny Aboikoni, die na zijn verhoren door het CoPa-team op het vliegtuig naar Frans Guyana werd gezet en voor zover bekend nu ergens in de binnenlanden van Suriname verscholen zit. Kortom: echt netjes ging de Nederlandse justitie niet om met mensen die hen op het spoor van Bouterses cocaïnelijn hadden gezet.
Om de politieke fall-out te beheersen, werd het toezicht op het CoPa-Team in handen gelegd van een ambtelijke werkgroep, in de wandelgangen 'de Groep’ genoemd. Het bestaan van dit gezelschap werd voor het eerst onthuld in november 1995. Toen vertelde de Haagse officier van justitie Van der Voort, verantwoordelijk voor het CoPa-onderzoek, aan de commissie-Van Traa dat ambtenaren van Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken (in casu de BVD), Algemene Zaken (het kabinet van de premier) en Justitie in de gaten hielden of de betrekkingen met Suriname niet te zeer werden verstoord. Van der Voort zei dat hij weliswaar nooit op de vingers was getikt door 'de Groep’, die overigens in de loop van 1995 alweer opgeheven was, maar hij had wel 'de indruk dat Buitenlandse Zaken ermee gebaat is als het onderzoek niks wordt’.
HEEFT VAN MIERLO particuliere motieven om de arrestatie van Bouterse te voorkomen? Dat is de vraag die de laatste dagen, na de onthulling van NRC Handelsblad, het hele politieke discours der Nederlanden overheerst. Enkele merkwaardige incidenten in de recente betrekkingen met Suriname wekken in ieder geval wel de suggestie. Eind 1995 bijvoorbeeld, toen het erop leek dat Bouterse zou worden opgeroepen als getuige in de zaak tegen de Nederlandse drugshandelaar Kobus L., dreigde de voormalige legerleider met het openbaar maken van compromitterende gegevens over Nederlandse gezagsdragers, uiteraard zonder de precieze aard van de informatie te onthullen. In februari 1996 stuurde Justitie niettemin een oproep naar Paramaribo om Bouterse te laten getuigen, maar gezien de weinig coöperatieve houding van de regering-Venetiaan had die poging weinig kans van slagen. Was deze mislukking een opzetje van Justitie of enkel een oprechte Nederlandse misrekening ten aanzien van Suriname? Hoe dan ook, Paramaribo wees het verzoek af op grond van een uitzonderingsclausule in het Rechtshulpverdrag, en Den Haag drong niet langer aan.
Sindsdien draait de Nederlands-Surinaamse geruchtenmolen op volle toeren. Over welke compromitterende informatie zou Bouterse kunnen beschikken? Doelde hij op geheime Nederlandse wapenleveranties na de staatsgreep van 1980? Of ging het om de betrokkenheid van de Nederlandse politie en douane bij drugstransporten? 'Het hoofdkwartier van de maffia zit in Nederland’, aldus Bouterse. Zou hij als represaillemaatregel voor zijn uitleveringsverzoek bijvoorbeeld koningin Beatrix op de Interpollijst willen zetten, als hoofd van de staat die in korte tijd als het Colombia van het Noorden bekend werd en waarvan het overzeese gebiedsdeel Aruba op alle hitlijsten van de Amerikaanse Drug Enforcement Administration voorkomt? Kon hij onplezierige details onthullen over de pogingen van de quasi-voormalige (want nimmer echt opgeheven) Inlichtingendienst Buitenland om Bouterse naar Brazilië te laten uitwijken in ruil voor een oprotpremie van miljoenen guldens?
GEZIEN DE veelbewogen geschiedenis van de Nederlands-Surinaamse betrekkingen zijn de mogelijkheden legio, maar wie ze allemaal op een rij zet, moet erkennen dat ze meestal blijven steken in verdachtmakingen. Over de betrokkenheid van Nederlandse militaire instructeurs bij de coup van 1980 is bijvoorbeeld eindeloos gespeculeerd, maar bewijzen zijn nimmer op tafel gekomen. De zogenaamde 'affaire-Valk’ (genoemd naar de toenmalige Nederlandse defensie-attaché) sleepte zich jaren voort, maar er zijn geen concrete aanwijzingen dat Valk onder één hoedje speelde met de zestien militairen die op 25 februari 1980 met drie geweren, een gaspistool en een pakje vuurwerk de macht in Fort Bomika overnamen.
Daarentegen berust het verhaal over de afkooppogingen van de IDB op een getuigenis uit de eerste hand. De voormalige secretaris van Ronnie Brunswijks jungle-commando, de Nederlandse platenproducent en avonturier Frits Hirschland, vertelde in De Groene van 10 augustus 1994 dat hij in 1991 door de IDB naar Paramaribo werd gestuurd om de voormalige legerleider acht miljoen gulden te bieden indien hij naar Brazilië zou verhuizen. Het geld zou afkomstig zijn uit een zogeheten 'Gladio-potje’. Dat was vlak na de 'telefooncoup’ tegen de regering-Shankar, waarmee Bouterse bewees dat hij achter de schermen nog altijd meeregeerde. Ernstiger is de beschuldiging, eveneens afkomstig van Hirschland, dat Van Mierlo in 1981 als minister van Defensie besloot om de Surinaamse militaire inlichtingendienst te laten trainen door officieren van de Lamid, de inlichtingendienst van de Nederlandse landmacht. Een Nederlandse onderofficier zou kort daarop een begin hebben gemaakt met deze opleiding.
Verder zou Van Mierlo in maart 1982 tijdens een geheime ontmoeting met zijn Surinaamse collega Harvey Naarendorp op Curaçao hebben toegezegd dat de eerder gesloten contracten aangaande Nederlandse wapenleveranties en militaire instructie zouden worden gerespecteerd.
Uit enige telexen van destijds, die dankzij Hirschland in april vorig jaar boven water kwamen, valt op te maken dat de minister de vrees van de Amerikanen voor een toenemende Cubaanse invloed in Suriname deelde. Hij wilde 'een verder afglijden van de politieke situatie’ voorkomen door een inschikkelijke houding jegens het bewind in Paramaribo aan te nemen. Na de decembermoorden zou de samenwerking zijn verbroken. Van Mierlo leek even uit het lood geslagen, maar kon in de Kamer aannemelijk maken dat hij had gehandeld in het belang van het herstel van de Surinaamse democratie en van de zesduizend Nederlanders die in de voormalige kolonie leven. En aan de beschuldigingen van Hirschland kleeft het grote bezwaar dat hij zijn werkwijze en bronnen hult in mystificaties - men leze het verslag van zijn belevenissen in de Surinaamse jungle, in eigen beheer uitgegeven onder de titel Dossier Moengo '290 uur’, met bijbehorende cd.
DE ENIGE POLITICUS die soortgelijke beschuldigingen tegen Van Mierlo hardop heeft uitgesproken, is de CDA'er James 'Jim’) Janssen van Raay, sinds 1979 lid van het Europees parlement, alwaar hij naam maakte doordat Henk Vredeling hem ooit een asbak naar het hoofd gooide. Van Raay beweerde vorig jaar te weten dat Frankrijk en de Verenigde Staten eind 1982 het plan zouden hebben gehad om Bouterse manu militari uit het zadel te lichten, maar dat Den Haag dit had afgewezen. Tegen de Haagsche Courant zei hij dat een lid van de Franse buitenlandse inlichtingendienst SDECE hem dit in 1990 had toevertrouwd tijdens een diner ter gelegenheid van een Ariane-lancering in Frans Guyana. Volgens deze zegsman had een Frans legertje klaargestaan aan de grens met Suriname, maar omdat Nederland geen medewerking had willen verlenen, was de interventie afgeblazen.
Het verhaal van Janssen van Raay wordt slechts ten dele uit andere bron bevestigd, te weten de memoires van de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken George Shultz. In Turmoil and Triumph (1993) schrijft hij dat de CIA na de decembermoorden van 1982 aanvankelijk het plan koesterde om Bouterse te laten vermoorden door Koreaanse huurlingen die vanuit Venezuela in de Chinese gemeenschap in Suriname zouden infiltreren. Nadat dit plan wijselijk naar de prullenmand was verwezen, zou Reagan in een brief aan premier Lubbers hebben verzocht om een Nederlandse interventie, die dan van Amerikaanse zijde zou worden ondersteund met een blokkade van de vaarroutes tussen Suriname en Cuba. Volgens Shultz wees Lubbers het verzoek van de hand omdat een samenwerkingsverband met de Amerikanen een crisis in zijn rooms-rode kabinet zou uitlokken, en wel op het hoogtepunt van het debat over de plaatsing van de kruisraketten.
Janssen van Raay gelooft niet dat Lubbers of minister van Defensie Van Mierlo een Surinaams militair avontuur eenvoudig om politieke redenen ongewenst achtten. 'Van Mierlo heeft de moordenaar Bouterse vanaf het begin gesteund’, zei hij tegen de Haagsche Courant. Hij zei er niet bij waarom Van Mierlo dat zou hebben gedaan. De Braziliaanse episode van de afgelopen week ziet hij echter als een bevestiging van zijn vermoedens. Zojuist teruggekeerd van een reis naar Indonesië en Singapore verklaart hij tegenover De Groene dat de lectuur van zijn achterstallige kranten hem 'depressief’ maakt. Natuurlijk heeft Van Mierlo iets te verbergen, ook al willen de Nederlandse journalisten en politici dat niet onder ogen zien. Janssen van Raay: 'De Franse inlichtingenman in Guyana vertrouwde mij namelijk nog iets anders toe: Bouterse had een dossier met belastende informatie over Nederlandse steun bij de coup van 1980 en daarna.’ Hoe de SDECE-man heette, weet hij echter niet meer.
BOUTERSE BRACHT reeds in januari van dit jaar een bezoek aan Brazilië om het staatsbezoek van president Wijdenbosch voor te bereiden. Ook toen ketste zijn eventuele uitlevering aan Nederland af op de weigerachtigheid van de Braziliaanse autoriteiten. Brasilia liet weten dat een verzoek om aanhouding kansloos was omdat Bouterse als gevolmachtigde van Wijdenbosch diplomatieke bescherming genoot. In april reisde Bouterse - wederom in opdracht van Wijdenbosch - via Brazilië naar China. Volgens de persoonlijke woordvoerder van Van Mierlo heeft Buitenlandse Zaken toen opnieuw de Brazilianen 'gesondeerd’, weer zonder succes. Een zelfde weigering kon Justitie ook in juli verwachten, temeer omdat Bouterse inmiddels de officiële functie van adviseur van staat had. Van Mierlo’s bewering dat een verzoek tot aanhouding op een pijnlijke mislukking zou zijn uitgelopen, blijkt dus niet uit de lucht gegrepen. Terwijl heel journalistiek en politiek Nederland zich eind vorige week opwond over de onthulling in NRC Handelsblad, deden de Nederlandse correspondenten in Brazilië gewoon hun werk en belden alle autoriteiten met de vraag of een Nederlands uitleveringsverzoek enige kans van slagen had. Het antwoord luidde in veel gevallen ronduit 'neen’ en in een enkel geval 'ja, mits de Braziliaanse rechter toestemming geeft’.
Dat laatste vraagt om nadere kwalificatie, want Braziliaanse rechters zijn niet ongevoelig voor diplomatieke druk en in dit geval zou de druk aanzienlijk zijn. De betrekkingen van Brazilië met Suriname zijn namelijk goed, en de betrekkingen met de Bouterse-kliek zelfs uitstekend. Brazilië bevoorraadt sinds de jaren tachtig het Surinaamse leger en financierde ook het inmiddels ter ziele gegane paradepaardje van de revolutie, Para-industries. Momenteel steekt het geld in de Surinaamse PTT en de goud- en houthandel. Suriname heeft er een schuld van zeventig miljoen dollar aan overgehouden. Verder spelen Bouterses informele Braziliaanse connecties een belangrijke rol bij de drugshandel; volgens het rapport-Van Traa vervullen zij een 'essentiële rol’ bij de cocaïnetransporten van Colombia naar Suriname en vandaar naar Europa.
Ook de officiële Surinaamse zaakwaarnemers in Brasilia zijn merendeels vertrouwelingen van Bouterse. De ambassadeur is de ex-militair Rupert Christopher, lid van de NDP en na de 'telefooncoup’ van 1990 tijdelijk tot minister van Defensie benoemd. In die hoedanigheid was hij zeer waarschijnlijk verantwoordelijk voor de moord op twee leden van Brunswijks jungle-commando. De regering-Venetiaan ontsloeg hem omdat hij tijdens staatsbezoeken in Brazilië in het geheim de belangen behartigde van Bouterses partij, de NDP. In zijn huidige functie doet hij dat openlijk.
De militair attaché in Brazilië is Johan Ceder, voormalig hoofd van de Centrale Inlichtingen Dienst in Paramaribo. Tevens zijn de voormalige Surinaamse stafchef Ali Hoesein en andere hooggeplaatste Bouterse-getrouwen in Brazilië opgeleid. Aangezien Bouterse zelf er een graaggeziene gast is en hij alle tijd heeft gehad om zijn vertrouweling Wijdenbosch aan de juiste mensen voor te stellen, kon Van Mierlo terecht vrezen dat de zaak zou afketsen op een omgekochte of van hogerhand geïntimideerde Braziliaanse rechter. Als de Brazilianen Bouterse zouden hebben gearresteerd, dan nog zou zijn uitlevering geen formaliteit zijn. Nederland heeft geen uitleveringsverdrag met Brazilië en moet derhalve eerst de strafbare feiten aannemelijk maken ten overstaan van de Braziliaanse rechter. Het proces zou al ten halve gevoerd zijn voordat de verdachte in Den Haag belandde, zodat hij en Moszkowicz alle tijd hadden om zijn verdediging op te bouwen. Gezien het gemak waarmee Bouterse naar verluidt tegenstanders en lastige getuigen uit de weg ruimt, heeft Nederland er goed aan gedaan om een dergelijke procedure te vermijden. Het voorbeeld van treinrover Ronald Biggs, om wiens uitlevering door Brazilië de Britten al sinds 1963 vragen, spreekt boekdelen.