Brandende verlangens in de tuin der lusten

Huub Beurskens, Wilde boomgaard. Meulenhoff, 173 blz., f29,50
DE NIEUWE ROMAN van Huub Beurskens heet Wilde boomgaard, een titel die is ontleend aan Rene Char, zo blijkt uit het motto vooraf. Dat deze Franse auteur - die evenals Michaux en Ponge schatplichtig is aan het surrealisme - hier als leeswijzer figureert, zal geen toeval zijn; Beurskens moet verwantschap voelen met de dichter die zich net als hij regelmatig liet inspireren door schilders uit heden en verleden of met hen samenwerking zocht. De affiniteit met Char heeft ook nog een andere, substantielere dimensie. De zin die Beurskens van hem citeert, beschrijft kernachtig een gedachte die Beurskens al eens vaker literair heeft vormgegeven: ‘De schaarse momenten van vrijheid zijn die waarin het onbewuste bewust en het bewuste onbeduidend (of een wilde boomgaard) wordt.’

Het gaat hier om de momenten wanneer de rede slaapt of doezelt. Bij het dromen, bij het slapen met de ogen open, bij het wegdwalen overdag. De kloktijd is er even niet en er is ook geen dagprogramma, zodat alles zwanger kan worden van een soms verontrustende en moeilijk te begrijpen betekenis. Schimmen uit een schemerend bestaan vermengen zich met wonderlijke brokstukken werkelijkheid in vaak bizarre patronen. Ze spoken plotseling rond als vertegenwoordigers van vergeten of verdrongen verlangens om vervolgens weer op te lossen in de (schijn)helderheid van het daglicht.
In Slapende hazen (1985), een reeks nauw met elkaar samenhangende verhalen rondom een zesjarig jongetje, over thema’s als angst en minachting voor de wereld van de volwassenen, erotiek en religie, refereerde Beurskens al aan dit fenomeen. De even groteske als zinnelijke verhalen uit de bundel Badhok (1988) ademen een zelfde sfeer en ook Wilde boomgaard, dat de autobiografische lijn van Slapende hazen op een bijzondere wijze doortrekt, heeft deze binnenwereld van raadselachtige dubbelzinnigheid als model.
BEURSKENS HEEFT zich dit keer laten inspireren door twee droomkoningen met reputatie, de ene afkomstig uit een door het christelijk dogma gedomineerd tijdperk, de andere een hartstochtelijk pleitbezorger van het recht op individualiteit: respectievelijk Jeroen Bosch en Witold Gombrowicz, kunstenaars die zich vanuit hun eigen discipline intensief met de droom hebben bezig gehouden. Met elementen uit hun werk bouwt hij een eigen romanwerkelijkheid op vol ongerijmdheden, indachtig het adagium: ‘Zoals je dacht dat je het zag, zo is het niet!’
Beurskens vertelt zijn verhaal in een drieluik. In de zijpanelen ervan situeert Beurskens twee contrasterende werelden: een paradijselijke en een die alles heeft van een helse droom. Verder is er een heuse drievuldigheid aanwezig, zij het niet als centrale figuur. Hoofdpersoon in het boek is Lerrie. We volgen hem in twee fasen van zijn leven, episoden die corresponderen met de schildering van de buitenpanelen: eerst als dertienjarige, dan als vierenveertigjarige. Lerrie is, op een kort intermezzo na, ook de verteller in de roman. Dat intermezzo zou je het middenpaneel van het boek kunnen noemen. Het is een op zichzelf staande vertelling over Leon Baszak, een voor de maatschappij verloren zoon die elke interesse in een vrouw of bijbehorend gezin wegwuift omwille van 'zijn verlangen naar een volledig met het natuurlijke, het puur zintuigelijke leven samenvallend leven’. Hij verlangt ernaar 'van het ene op het andere moment een man van meer dan tachtig (te) zijn’. Daarmee drukt hij een wens uit die ook Lerrie in de greep houdt. Baszak komt uiteindelijk tot het inzicht dat zoiets een onmogelijkheid is.
Het intermezzo over Baszak kan worden gelezen als een parabel over de volwassenwording. Beurskens laat zich nauwelijks iets gelegen liggen aan de wetten van psychologie en logica; hij maakt de taal tot structurerend element. Duidelijk met veel plezier, hij formuleert vaak verrassend poetisch, soms tot op het gekunstelde af. Zijn zinnen zitten vol alliteraties en binnenrijmen of echoen elkaar, passages met verheven taalgebruik ketsen op klinkklare omgangstaal, hij strooit lustig allerlei in onbruik geraakte woorden door zijn tekst (knoteren, wonne, gelp) en schrikt er zelfs niet voor terug om de middeleeuwse allegorie weer eens af te stoffen en van een eigentijds jasje te voorzien.
WILDE BOOMGAARD opent met een bijeenkomst in een kloostercel - een plek dus die altijd al een broedplaats was voor zondebesef, schuldgevoel en schaamte. Twaalf uitverkorenen, van zo'n dertien jaar oud, omringen hier pater Warner, een 'celibatair uit superioriteit’. Hij houdt hen voor dat het celibaat 'niet het afwijzen van de wereld in(houdt), maar juist het aanvaarden ervan’. Woorden die toehoorder Lerrie in verwarring brengen. De wereld aanvaarden is wel het laatste wat hij wil. Moet hij dan trouwen, vraagt hij zich ongerust af. Maar dat kan ook niet, hij wenst immers kind te blijven en dat kan niet met een vrouw of gezin. Daarmee zijn de belangrijkste lijnen voor een fantastische geschiedenis uitgezet.
Lerries poging om de kinderlijke argeloosheid te bewaren, zal uiteraard mislukken. Met het enthousiasme van een illusionist die zijn trucs door en door kent, laat Beurskens dat zien. Hij tovert de lezer een aantal benarde momenten uit het leven van Lerrie voor ogen. Drie personen spelen daarin een belangrijke rol.
Allereerst pater Warner, die liever populair bij zijn voornaam wil worden genoemd: Gregor. In de loop van het verhaal zal hij een spectaculaire gedaanteverandering doormaken, van primus inter pares celibatair wordt hij de minnaar van de bloedmooie Lona. Zij is zes jaar ouder dan Lerrie en hij bespiedt haar geregeld tijdens de zondagsmis, bewierookt haar in de heilige letters van haar naam: 'Lieve, Oogappel, Nimf, Aanminnige’ en 'bezondigt’ zich aan haar. Maar wat hem betreft blijft het bij kijken.
Als derde is er Vogel Ties, een geilbeer die in zijn priveboekerij een reproduktieboek van Bosch’ Tuin der lusten bewaart. Achter zijn huis ligt een exotische tuin die Lerrie in gedachten annexeert en zo tot zijn eigen tuin der lusten maakt. Daar kan hij met het boek bij de hand zijn verbeelding de vrije loop laten. Een tijdlang lijkt die vrijplaats zijn paradijs, totdat deze verandert in een gijzelplaats en uiteindelijk in een vuurzee wanneer een van zijn wilde fantasieen noodlottige werkelijkheid wordt. In de almacht van zijn denken heeft hij zich voorgenomen het drietal dat elkaar niet kent, te verenigen tot een goddelijke drievuldigheid.
Dat geschiedt in een prachtige groteske scene. Tijdens een verblijf in zijn lusthof moet Lerrie om niet door Lona opgemerkt te worden haar hondje Jasmijn even de bek dicht houden. Met die eenvoudige daad veroorzaakt hij vervolgens een kettingreactie in zijn gespeculeer: voor hij het in de gaten heeft, is Jasmijn naar de dierenhemel verdwenen en heeft Lona de Maltezer hond opgeeist bij Vogel Ties. Die grijpt zijn kans en verkracht de dorpsschone, steekt vervolgens zijn huis in de brand en verhangt zich, waarna Lona wordt getroost door Gregor - met de eerder beschreven gevolgen.
Dat laatste hoort Lerrie pas jaren later wanneer de kwadratuur van de kindsheid een illusie is gebleken. Hij had van kind onmiddellijk kinds willen worden, maar bij zijn salto mortale door de tijd valt hij zijn vierenveertigste levensjaar binnen en ontwaakt daar in een boze droom. Wanneer je je niet met de wereld bemoeit, bemoeit die zich wel met jou en veel heb je dan niet meer in te brengen. En de gevolgen doen pijn. Gregor en Lona komt hij in een geheel nieuwe configuratie opnieuw tegen, samen met Jasmijn die nu een dochter van hem blijkt te zijn. Hij is dus getrouwd en vormt met zijn vrouw Blanche een gezin. En daar blijft het niet bij.
Wilde boomgaard is een speels en fantasierijk boek dat vol dubbelzinnigheden zit en waarin met woordspel en beelden ook nog eens op een onnadrukkelijke manier met het katholieke geloof wordt gedold. Het speelt zich af in een exotische wereld, ontstaan uit een transformatie van elementen uit het Limburgse en Griekse landschap, een land dat recht heeft op een plaats in de Bosch-atlas. Het is een plezier om daar doorheen te reizen.