Interview met socioloog J. Goudsblom

Brandgevaar

Vuurbeheersing was onze eerste beschavingsdaad, toch vallen er nog steeds slacht offers. Socioloog J. Goudsblom: «De mens heeft zich door de omgang met vuur ook een bepaalde zorgzaamheid eigen gemaakt.»

«U mag hier gerust roken, ook al ben ik zelf gestopt. Ik zal u een vuurtje geven.» Vanachter zijn bureau ontsteekt J. Goudsblom een säkerhets tändstickor, een veiligheidslucifer naar het oorspronkelijke ontwerp van de Zweed Johan Lundström uit 1852, en brengt hem met zorg naar het puntje van mijn sigaret. Voor wie zijn boek Vuur en beschaving (1992) heeft gelezen, heeft dit eenvoudige gebaar iets van een rituele handeling. Goudsbloms boek is een unieke studie van de manier waarop de mens in de loop van millennia het vuur heeft leren beheersen. De vuurbeheersing was de eerste beschavingsdaad van de mens. Het was een radicale ingreep in de natuur die model stond voor de ontwikkeling van alle volgende stadia van de menselijke samenleving: de ontwikkeling van landbouw en veeteelt, de verstedelijking en de industriële revolutie. Maar ook de mens paste zich aan: het toenemende belang van warmte-energie vereiste een steeds complexere maatschappij met meer en meer afhankelijkheidsketens. En daarom staat de lucifer evenzeer symbool voor ons (post-)industriële tijdperk als de stoommachine of de computer.
Niemand zou Lundströms uitvinding zelf kunnen maken. Zij behoort tot de talloze voorwerpen waarvoor wij volledig zijn aangewezen op anderen zonder dat wij ons van hun bestaan bewust hoeven zijn, schrijft Goudsblom. Net als de productie van lucifers bevindt het hele apparaat dat in onze dagelijkse energiebehoefte moet voorzien zich grotendeels «achter de coulissen» van de samenleving. Terwijl het als energiebron van steeds groter belang werd, verdween het vuur bijna geheel uit onze dagelijkse ervaring. Goudsblom: «We komen er zelden mee in aanraking en denken er nog minder aan. Mensen die roken, hebben een aantal keren per dag een vuurtje nodig. Wie op gas kookt, heeft meestal een elektrische ontsteking; dan zie je even een vlammetje maar dat is volstrekt onschuldig. Centrale verwarming is meestal gasverwarming, maar dat gasvlam me tje krijg je überhaupt niet te zien; de temperatuur wordt door de thermostaat constant gehouden zodat je je er niet om hoeft te bekommeren. Auto’s rijden op fossiele brandstof en we weten dat daar vuur aan te pas komt, maar we krijgen het niet te zien en het woord ‹verbran dings motor› is voor de meesten een abstractie. Dat wil niet zeggen dat we die vormen van vuur altijd onder controle hebben, maar we staan er niet bij stil, evenmin als bij het water buiten onze dijken.»




We staan er alleen bij stil als er slachtoffers vallen. Dan lijken we pas te beseffen dat vuur een natuurkracht is die we niet kunnen beheersen zonder een zeker risico. De dramatische manier waarop dat vorig jaar mei in Enschede en tijdens de jaarwisseling in Volendam gebeurde, is gelukkig een uitzondering. Maar zulke incidenten roepen steeds dezelfde vragen op: valt het risico nog verder terug te dringen en zijn de maatschap pelijke kosten van eventuele maat re gelen aanvaardbaar? Om met Goudsblom te spreken: moet en kan ons «vuurregime» worden aangescherpt? Goudsblom: «In principe hebben we de controle over het vuur uitbesteed aan specialisten, net als de bewaking van onze dijken. Die specialisten houden zich nergens anders mee bezig dan preventie en brandveiligheid, en we verwachten van hen terecht dat ze de zaak in bedwang hebben. We hebben een professionele brandweer in alle grote steden, veel bedrijven hebben een hoog gekwalificeerde bedrijfsbrandweer en daarnaast beschikken we over een groot apparaat voor preventie en controle op de brandveiligheid.»
Ondanks afschuwelijke incidenten als in Enschede en Volendam zit er progressie in onze pogingen de verwoestende gevolgen van het vuur terug te dringen. Er is sprake van een eeuwenlang beschavingsoffensief. Goudsblom haalt een wetenschappelijk tijdschrift te voorschijn en toont een tabel met de grootste branden in Groot-Brittannië tussen 1500 en 1900. «De grote brand van Londen in 1666 waarbij 13.000 huizen verbrandden valt erbuiten, het gaat alleen om provinciesteden. Je ziet dat het aantal verbrande huizen stelselmatig daalt. Dergelijke tabellen voor andere landen laten allemaal dezelfde trend zien die doorloopt in de afgelopen honderd jaar. Je ziet dat heel duidelijk in de VS waar de brandbestrijding ver achterloopt op die in Europa; in Amerika had je in het begin van de eeuw nog enorme branden, bijvoorbeeld de brand van San Francisco na de aardbeving van 1906 waarbij 28.ooo huizen afbrandden.
De brandveiligheid is vooral bevorderd door het gebruik van andere bouwmaterialen, zoals steen, door betere veiligheidsmaatregelen voor de bewoners en door een betere organisatie en uitrusting van de brandweer. Ook de regelgeving is geleidelijk verbeterd onder druk van de omstandigheden. De grote brand van Londen is van grote invloed geweest op heel Europa, zowel op het gebied van brandpreventie als op het gebied van verzekeringen. De brandverzekering bestond tot op dat moment niet. En de verzekeraars stelden natuurlijk op hun beurt veiligheidseisen aan de objecten die ze moesten verzekeren. Maar uiteindelijk is dat beschavingsoffensief alleen mogelijk geweest door de algehele stijging van de welvaart. In de periode van honderden jaren uit die tabel is de welvaart stelselmatig gestegen. Hoe welvarender een gebied, stadsdeel of bevolkingsgroep is, des te lager is het aantal slachtoffers door brand. Internationaal gezien komen de verschillen in aantallen brandslacht offers per land ook min of meer overeen met de relatieve welvaart.
Ik wil de rampen in Enschede of Volendam niet relativeren, maar we moeten ze daarom wel in proportie zien. We zijn gewend aan een samenleving waarin geen grote rampen meer plaatsvinden, alleen kleine rampjes. Een goed voorbeeld zijn de verkeersongelukken. Het jaarlijkse aantal slachtoffers van verkeersongelukken in Nederland overtreft verre dat van branden, inclusief de grote branden. Maar het verkeer is geen blinde natuurkracht, dat is iets wat we met elkaar organiseren en waarvan we de risico’s kennen en blijkbaar aanvaardbaar vinden. De grens tussen een ongeluk en een ramp is tamelijk arbitrair. Als er drie doden vallen is dat een fait divers, als het er tien zijn is het voorpaginanieuws.»




In Vuur en beschaving geeft Goudsblom een aantal boeiende voorbeelden van onze veranderde perceptie. Toen op 2 juli 1858 brand uitbrak in een pakhuis aan de rand van de Jordaan en 27 aangrenzende percelen (waaronder woonhuizen) werden verwoest, maakte het publiek dat uit alle delen van de stad was samengestroomd er een uitzinnig feest van. Een arts die het schouwspel gadesloeg, gaf naderhand uiting aan zijn walging in een kantenartikel. De toch al provisorische brandweerploeg (samengesteld uit lotelingen) kon zich nauwelijks van zijn taak kwijten omdat de omstanders in de weg liepen en de spot met hen dreven: «Het was meer een bacchantisch straattoneel, een luidruchtig volksfeest, dan een tragische ramp waartegen met rust en kalmte moest worden opgetreden.»
Goudsblom vond onlangs een voorbeeld van hetzelfde gedrag in Brazilië. «Toen ik de Braziliaanse brieven van August Willemsen las, stond daar precies zo'n voorval beschreven als in 1858 in Amsterdam, maar dan in São Paulo. Er stond een flatgebouw in brand en telkens als de vlammen een hogere verdieping bereikten, ontstond er gejuich in de menigte toeschouwers. Iedereen vond het prachtig, al moet ik erbij zeggen dat er geen menselijke slachtoffers vielen. Een brand is daar nog een soort volksfestijn, iets spectaculairs zoals onze jaarlijkse kerstboomverbranding op het Museumplein. Een grote brand is natuurlijk fascinerend om naar te kijken. Je kunt er plezier in hebben dat het vuur om zich heen grijpt, mensen kunnen zich misschien zelfs identificeren met een brand omdat die een verwoestende kracht ontwikkelt die je eigen krachten ver te boven gaat. Naarmate de middelen voor brandbestrijding in Nederland en elders in de welvarende wereld beter werden, zie je dat rond branden een steeds grotere ernst en professionele sfeer ontstaat.
We vrezen het vuur dus nog wel, maar we kennen het geen symbolische rol meer toe zoals vroeger. Alleen in sommige gevallen zie je dat aspect nog weleens terug. Ik herinner me recente beelden van de Griekse douane die een grote drugsvondst in brand stak. Het vuur heeft in dat geval een symbolisch-reinigende werking. Het gewraakte materiaal gaat dan letterlijk in rook op, het is voorgoed weg. Je weet dat het nooit meer op enige wijze kan weglekken. En het was een openbare verbranding om die symbolische functie te benadrukken. Maar verder speelt de symboliek van het vuur geen rol meer in ons leven. Er wordt nog weleens wat uit de oude doos gehaald, zoals een paasvuur. Paasvuren zie je tegenwoordig veel vaker dan vijftig jaar geleden. Maar dat is geen werkelijk oud gebruik, het is een invented tradition. Men vindt zijn folklore opnieuw uit; de geringste aanwijzig dat zoiets in het verleden kan hebben bestaan, is al genoeg om het paasvuur opnieuw in te voeren. Het aantal mogelijkheden om met natuurkrachten een manifestatie op te zetten is natuurlijk beperkt en het vuur is een van de weinige woeste krachten die je met enig gemak kunt manipuleren, terwijl er toch een suggestie van ongetemde kracht vanuit gaat.»




Op grond van de ervaring uit het verleden kunnen we ons vuurregime dus nog aanscherpen. Het risico is nooit volledig uit te sluiten, maar de gewilligheid van de mens om zich te schikken in nieuwe regels en voorschriften is altijd groot geweest. Goudsblom: «Als je de geschiedenis van de brandbestrijding naloopt, zie je een cumulatie van verordeningen die vaak door de burger met gemor worden nageleefd en op den duur als min of meer vanzelfsprekend worden aanvaard. Bovendien worden er telkens nieuwe technische voorzieningen bedacht die de veiligheid verhogen.
Het zijn niet alleen de spectaculaire maat regelen die tellen. Het aantal mogelijke brandhaarden in de woning is bijvoorbeeld enorm afgenomen. De kachel is een stuk veiliger dan open vuur, de gloeilamp is veel veiliger dan de kaars of petroleumlamp en bij de aanleg van elektra in huis wordt het risico van kortsluiting ook steeds kleiner gemaakt. Het brandgevaar wordt stapje voor stapje teruggedrongen. Er is een absoluut minimum denkbaar waarbij er niets brandbaars meer in huis is, waarbij al het bouwmateriaal en het materiaal voor de inrichting onbrandbaar zijn.
De branden met de meeste slachtoffers vinden overal ter wereld plaats in de horeca, in hotels en discotheken. Daar is nog altijd ruimte voor verbetering, hoewel juist in die sector de regel geving en de constructie-eisen het verst gevorderd zijn. Met name in het internationale hotelwezen hanteert men zeer strenge voorschriften. Natuurlijk is er een tendens om met die regels de hand te lichten, dat voorkom je waarschijnlijk nooit. De illusie van veiligheid blijft ons parten spelen. Kijk maar naar het wegverkeer. Sedert de invoering van de automobiel zie je in alle landen ter wereld een bijna jaarlijks dalende tendens van het aantal dodelijke ongelukken. Dat is een kwestie van betere wegenbouw, van een betere constructie van auto’s en van meer controle op het rijgedrag. Die combinatie werkt, maar helemaal veilig wordt het nooit op de weg.»




Het vuur blijft hoe dan ook de intiemste vijand van de mens. Elke nieuwe vorm van energie gebruik brengt nieuwe risico’s met zich mee en tegelijk zal de mens van zijn omgang met vuur blijven leren zoals hij er door de eeuwen van geleerd heeft. In de visie van Goudsblom is onze vuurbeheersing telkens het paradigma geweest voor de manier waarop mensen met nieuwe vermogens en instrumenten zijn omgegaan. Goudsblom: «De vuurbeheersing staat model voor de manier waarop mensen telkens nieuwe bronnen binnen de samenleving hebben gebracht. Na het vuur waren dat in grote lijnen de planten en dieren en de fossiele brandstoffen. Elk van die nieuwe verworvenheden heeft geleid tot nieuwe gedragsvormen, normen en machts verhoudingen tussen mensen. Ik zag dat ooit heel mooi verbeeld in de film La guerre du feu (1981) van de Canadese filmer Jean-Jacques Annaud. In de beginscène zie je hoe een van onze verre voorouders een roedel prehistorische honden op de vlucht jaagt met een brandende tak. Zo werd de macht van de mens over de wilde dieren gevestigd en natuurlijk de macht van de ene mens over de andere mens. Maar door de omgang met het vuur heeft de mens zich ook een bepaalde zorgzaamheid eigengemaakt. Vuur moet je namelijk onderhouden. Mensen hebben dus aan de hand van het vuur voor het eerst geleerd dat ze iets gevaarlijks kunnen beheersen en in hun nabijheid tolereren, mits ze de juiste voorzorgsmaatregelen nemen en mits die voorzorgsmaatregelen zich ook uitstrekken tot datgene wat ze willen beheersen, anders raken ze het weer kwijt.»