Bras de fer

Het EU-voorzitterschap van Tsjechië valt de Tsjechen niet makkelijk. Dat is niet omdat het kunstwerk dat zij de Brusselse gemeenschap aanboden de lachlust van de Unie en de woede van de Bulgaren wekte, het is vooral omdat de vorige voorzitter, Frankrijk, maar met moeite van de positie afstand heeft kunnen doen.

President Sarkozy maakte al direct een voorbehoud voor het buitenlands beleid, met name in het Midden-Oosten, omdat hij meende dat daar in zes maanden belangrijke vooruitgang was geboekt die geheel aan zijn initiatief (en zijn charisma) was toe te schrijven. Dat kon beter niet door de onervaren bewoners van de Praagse Burcht worden overgenomen.
Vorige week schopte de Franse president de Tsjechen geweldig tegen de schenen bij de bekendmaking van zijn steunprogramma voor de Franse auto-industrie. Als tegenprestatie voor de miljarden zouden de fabrikanten er goed aan doen hun productie in andere landen terug te brengen naar Frankrijk, en daarbij noemde hij specifiek: de banen in Tsjechië.
Daar konden de Tsjechen maar weinig tegen inbrengen. Het bleef bij boos gestotter dat Tsjechië een land is van tien miljoen mensen, met een trotse geschiedenis, en dat de Franse president niet moest denken dat hij daar zomaar overheen kon walsen, enzovoort, maar dat is helaas wel wat de Franse president denkt, en dat is precies hoe hij opereert.
Wie daar nog aan twijfelt, vervoege zich deze week (bij wijze van uitzondering, vooruit) op de societypagina’s. De Franse reclamekoning Jacques Seguéla heeft in een te publiceren autobiografie beschreven hoe hij eind 2007 de kersverse president tijdens een etentje voorstelde aan Carla Bruni, toen nog vooral fotomodel, zangeres en ex-vriendin van Jagger en Clapton.
Sarkozy zat naast Bruni. De ontmoeting was, volgens Seguela, als van twee wilde katten. Het gesprek verliep als volgt:
Sarkozy: ‘Op 1 juni ga je optreden in het Casino theater in Parijs. Zie je? Ik ken je hele programma al. En op die avond zal ik op de eerste rij zitten, en dan zullen we onze verloving bekendmaken. Je zult zien, het zal zijn als Marilyn en Kennedy.’
Bruni: ‘Een verloving? Nooit! Ik ga nooit meer met iemand samenwonen – tenzij hij me een baby geeft.’
Sarkozy: ‘Een baby? Ik heb er al vijf grootgebracht – waarom niet zes? Ik ben er de best toegeruste man in Frankrijk voor. Ik heb een dokter standby, 24 uur per dag.’
Sarkozy bracht Bruni naar huis, in de presidentiële limousine. Nadat ze afscheid hadden genomen belde Bruni met Seguéla: ‘Wat een charmante, intelligente, aandachtige, machtige en verleidelijke vriend heb je! Maar een tikje onbeschoft is hij wel. Ik heb ’m mijn nummer gegeven, en hij heeft nog niet gebeld!’
Dat was precies tien minuten na het afscheid.
Zeven weken later waren Sarkozy en Bruni getrouwd. Ze mocht mee op staatsbezoek naar Elizabeth II.
Op ongeveer dezelfde manier behandelde Sarkozy vorige week de Franse universitaire docenten, op bezoek in het Elysée (‘U komt hier omdat het lekker warm is, en licht, en u te drinken krijgt, maar een kwart van u produceert niks!!’) en een serie ordeproblemen in Guadeloupe, Martinique en Réunion. De Tsjechen kunnen ervan meepraten. De Fransen, ondertussen, kunnen erom lachen, maar echt wennen doet ’t niet.