Brasillach, een romantische fascist de vrienden van het derde rijk

Tot vlak voor de bevrijding van Parijs in augustus 1944 zit hij nog dagelijks in de Bibliotheque Nationale te werken aan zijn bloemlezing uit de klassieke Griekse poezie. Hij wandelt urenlang door de stad die hij als in een romantische elegie tot in details verheerlijkte in zijn autobiografie Notre avant-guerre. De nazomer van 1944 is heet en droog. De mensen zoeken rust, stilte, verkoeling, terwijl de oorlog dagelijks naderbij komt. Misschien als bevrijding, misschien ook als vernietigende slag om en in Parijs.

De 35-jarige Brasillach - bleek, gedrongen, weinig imposant van gestalte, achter zijn zwarte bril ogend als een uil - heeft zich teruggetrokken op een kamertje driehoog achter. Zijn veel oudere vriendin, van wie men nooit meer te weten is gekomen dan dat ze Simone heette, heeft hem zoveel foerage bezorgd dat hij het na de bevrijding zeker een half jaar op het kamertje kan uithouden.
Tot vlak voor de winter van ‘43-'44 was Robert Brasillach hoofdredacteur van het weekblad Je Suis Partout, dat ondanks of misschien juist dank zij de vehemente fascistische, pro-Duitse en antisemitische inslag en inzet naar een oplage reikte van drienhonderdduizend exemplaren. In augustus was de hele redactie met tal van andere collabo’s naar Duitsland gevlucht. Daar vormden ze opnieuw met de Vichy-collaborateurs Petain en Laval - dan volstrekte ledepoppen van de Duitsers geworden - het Franse bewind in Sigmaringen, waarover Celine later zijn rabelaisiaanse gal uit zou storten. Je Suis Partout kreeg in Parijs de bijnaam Je Suis Parti - Ik ben er vandoor.
Brasillach, al lang gebrouilleerd met het atroce equipe van Je Suis Partout, blijft in Parijs en viert zelfs incognito de bevrijding mee. Hij hangt de bevrijdingsvlag uit en zingt de Marseillaise mee. Dan bereikt hem het gerucht dat het verzet, behalve zijn zwager, de fascist Maurice Bardeche, ook zijn moeder heeft gearresteerd. Brasillach meldt zich onmiddellijk bij een post van de Franse binnenlandse strijdkrachten, die er pas na veel moeite achter komen wie hij is en wat hij betekent. Brasillach wordt opgesloten bij de duizenden andere collabo’s in Fresnes. Een van hen, Georges Suarez, hoofdredacteur van het collabo-dagblad Aujourd'hui, wordt binnen enkele weken ter dood veroordeeld en geexecuteerd.
Brasillachs advocaat Jacques Isorni, die ook Petain zal verdedigen en na Petains dood diens propagandist zal blijven, ziet het somber in. Alle tekenen wijzen erop dat men Brasillach als een voorbeeld van het grote verraad der klerken terecht wil stellen. Brasillach was immers een topliterator, auteur van een groots, romantisch-lyrisch oeuvre die tevens de meest ongehoorde fascistische en antisemitische woorden op zijn naam heeft staan. Bovendien woedt nog altijd de oorlog. Brasillachs dood moet de andere intellectuele collabo’s ervan weerhouden hun diensten nog verder aan de Duitsers aan te bieden.
Brasillach reageert zoals hij alleen maar kon: hij schrijft een vervolg op zijn herinneringen, Journal d'un homme occupe, hij schrijft Villon-achtige gedichten, hij schrijft uit zijn hoofd een biografie van de tijdens de revolutie geguillotineerde dichter Chenier. Hij verzamelt aantekeningen van zijn proces, dat wordt bepaald op 19 januari.
Enige theorie over de politieke, sociale en economische kanten van het fascisme heeft hij niet te verkondigen, hij heeft zich daar nimmer in verdiept. Voor hem was het fascisme slechts een nieuwe romantiek, de revolutie van de jeugd en de poezie tegen de tandeloze, vermolmde democratie. Na de val van Mussolini en de geallieerde invasie op Sicilie voorzag hij de nederlaag van de As en de ondergang van het fascisme. Hij brak met Je Suis Partout maar bleef in andere collabo-bladen zijn Nibelungentrouw aan de Duitsers bewijzen. In zijn liefdesverklaringen aan het Feldgrau, dat in het zicht van de nederlaag heroisch blijft doorstrijden, legde Brasillach ook zijn vertwijfelde homoseksuele liefde neer voor majoor Bremer, die uit Parijs zou vertrekken om aan het oostfront te sneuvelen.
Over het op 19 januari in enkele uren afgeraffelde proces hing de slagschaduw van een nieuw Duits offensief na het mislukken van het Ardennenoffensief, de Operatie Nordwind in de Elzas. De Luftwaffe was ook nog eenmaal actief met bombardementen op Parijs.
De rechters hadden nota bene enkele maanden tevoren nog verzetsmensen, onderduikers en joden veroordeeld; een van hen had zich in 1942 zelfs laten interviewen in Je Suis Partout.
Brasillach had geen werk op zijn naam staan dat te vergelijken was met Les decombres van Lucien Rebatet, dat zo naast Mein Kampf gezet kan worden. Rebatet kwam er met zes jaar gevangenisstraf vanaf.
Tijdens het verhoor, dat nog altijd leest als een tafereel uit een Griekse tragedie, probeert Brasillach niets te vergoelijken of goed te praten. Hij blijft zelfs zijn geloof in het fascisme immense et rouge belijden. Aan beide zijden van het front vechten volgens hem van hetzelfde ideaal bezeten nieuwe, jonge Europeanen. Onder zijn meesterlijke verweer blijft van de feitelijke beschuldigingen weinig overeind. Dat wil zeggen: zijn literaire oeuvre is inderdaad nagenoeg vrij van fascisme of antisemitisme. Maar zijn hoofdartikelen in Je Suis Partout, zij het soms niet ondertekend, zijn soms van een verschrikkelijk barbarisme geweest. De rechtbank citeert ze: zijn oproepen om verzetsmensen op te sporen en aan te geven, zijn instemming met pogroms, zijn advies de joodse kinderen niet te sparen. Brasillach, een spookgestalte welhaast in zijn geleende zwarte winterjas, buigt diep het hoofd. Hij kan er geen verklaring voor geven dat zulks aan zijn overigens zo vredelievende, de liefde verheerlijkende hart ontsproot.
Brasillach wordt ter dood veroordeeld, ondanks een urenlang formidabel pleidooi van Isorni; zelfs de rechters raken duidelijk ontroerd. 'Gij moogt deze geest niet doven, uw handen moeten zich juist ineenvouwen ter verzoening. Straf hem, straf hem zwaar, maar spaar zijn leven, opdat het nieuwe Frankrijk zal leven!’
Brasillach wordt ter dood veroordeeld. In de zaal wordt geroepen: 'Het is een schande!’ Brasillach antwoordt: 'Het is een eer.’
De laatste dagen voor zijn dood, die is vastgesteld op 6 februari 1945, blijft Brasillach, geketend in een onverwarmde dodencel, doorschrijven. Intellectuelen en schrijvers hebben een handtekeningenactie op touw gezet bij een genadeverzoek aan De Gaulle. Vooral Mauriac, eens fel bestreden door Brasillach, put zich uit voor de ter dood veroordeelde, die vervolgens een indrukwekkend Remerciement aux intellectuels de France schrijft. Het genadeverzoek wordt afgewezen, misschien ook omdat De Gaulle een foto van Brasillach verwart met een foto van de Franse PPF-leider Doriot, die in SS-uniform sprekend op Brasillach leek.
Slechts een moment wankelt Brasillach: als Isorni hem op de ochtend van zijn executie wakker maakt en hem een brief van zijn moeder reikt. Brasillach herstelt zich onmiddellijk: 'Vrees niet, vriend, ik zal sterk zijn.’ Hij wordt op de waterkoude februariochtend overgebracht naar het fort Montrouge. Hij overhandigt Isorni zijn laatste, lange gedicht, 'Testament d'un condamne’, waarvan de laatste strofe luidt:
'Que ce qu'on ne peut m'enlever L'amour et le gout de la terre Le nom de ceux dont je revais Au coeur de mes nuits de misere Les annees de tous mes bonheurs, La confiance de mes freres, Et la pensee de mon honneur Et le visage de ma mere.’
Op 6 februari 1945 om acht uur ’s ochtends kwam voor Robert Brasillach de dood, een harde dood.