Nannie van Wehl, pseudoniem van Susanna Jacoba Adriana Lugten-Reys (1880-1944) © Wikipedia Creative Commons

Wat zegt het over kinderboekenschrijfster Mien Labberton (1883-1966) dat ze een aantal jaren fulltime voor haar nichtje, het kind van haar broer, zorgde? In haar boeken was het in ieder geval een terugkerend thema; mensen die een kind van een ander in huis nemen, dat strookte met de ‘algemene menselijke waarden’ waar ze haar lezers zo graag bewust van wilde maken: eerlijkheid, zelfinzicht en zorgen voor anderen. Om die waarden werd ze destijds gelezen. Maar om die waarden werd ze tegelijkertijd vergeten, vrees ik.

Labberton voelde zich – net als Van Hichtum, Van Kol en Pétillon, en in mindere mate Van Marxveldt – sterk geneigd om kinderen in haar boeken op te voeden. Dat paste in die tijd: met de leerplicht in 1901 ontstond meer zorg en aandacht voor kinderen, en de algemene overtuiging was dat kinderen (in boeken) beschermd moesten worden vanwege hun kwetsbaarheid. Labberton – die na de onderwijsopleiding kinderpsychologie studeerde – gaf ook regelmatig lezingen over het belang van literatuur voor kinderen, over de slechte invloed van ‘prikkellectuur’, over ‘de schade voor het innerlijke leven door het tekort aan waardering voor poëzie’.

Misschien zijn haar eigen boeken en gedichtjes daarom onschuldig van toon, eenvoudig, direct, ze gaan veel over de natuur – ze ontvangt zelfs een eremedaille van de Vereniging tot Bescherming van Dieren – en haar doel is om kinderen dichter bij God te brengen.

Bij haar psychologische romans voor volwassenen wordt dit religieuze aspect trouwens niet altijd gewaardeerd: ‘Als Mien Labberton haar geloof wil propageren’, schrijft een recensent, ‘best. Maar laat ze het dan niet doen in de vorm van een halve of hele roman.’ Een andere recensent waardeert haar zuivere verbeelding, haar ‘eenvoudige, oprechte en waarlijk vrome natuur’, maar stoort zich aan een ‘zekere overgevoeligheid’. Ergens anders lees ik dat haar boeken braaf en moralistisch van toon waren, daarom werden ze alleen gebruikt voor de zondagsschool en vervolgens niet meer herinnerd.

Pas in de jaren zeventig kwam er meer respect voor de kinderliteratuur; het hoefde allemaal niet meer zo betuttelend. Haar ‘braafheid’ was, denk ik, ook gevolg van de tijd waarin ze leefde.

Wat dan wel weer opvallend is: jongensboeken uit diezelfde tijd – Dik Trom, Pietje Bell, Kruimeltje, Kees de jongen – zijn wel allemaal avonturenboeken. Met niet-brave personages. De meeste zijn later nog verfilmd, op het theater gezet, daarom herken ik alle titels ook, ik kan me niet herinneren dat ‘natuur’ in die boeken een groot thema was. Of zorg voor anderen.

Van haar arts moet ze haar functie als hoofdredacteur neerleggen ‘wegens ongesteldheid'

Trouwens. Zó braaf was Labberton ook weer niet: ze vertaalde bijvoorbeeld een boek met verhalen over de eerste seksuele ervaring van jongeren. Ontwierp na de oorlog – ze woonde in de buurt van Arnhem – haar eigen huis, omdat het oude vernietigd was. Woonde, na de dood van haar ouders, samen met Evelyn Sypkens, een vriendin die ook de muziek verzorgde voor een aantal van haar boeken. Best rebels.

Bij Nannie van Wehl (1880-1944) – een andere kinderboekenschrijfster naar wie ook een straat in mijn buurt is vernoemd – is ‘genieten van de natuur’ ook een thema. Naast schrijver en publicist was Van Wehl lerares – totdat ze trouwde. Een voordeel van haar gedwongen ontslag was dat ze extra productief kon zijn als schrijver; in totaal schreef ze 22 boeken (volgens Van Hichtum schreef ze ‘té vluchtig’) en vele stukken voor 56 tijdschriften en kranten. Daarin sprak ze zich bijvoorbeeld in 1902 uit voor betere seksuele voorlichting en in 1908 voor homoseksualiteit.

Ze was ‘geen uitgesproken feministe’, zo schrijft haar kleindochter Suus Boef-Van der Meulen, die onderzoek naar haar deed, maar ‘een zelfbewuste vrouw die vond dat andere vrouwen nog te weinig actief in de wereld stonden en dat zij hen kon helpen om daar iets aan te doen’. Dat bereikte een hoogtepunt toen ze in 1913 zelf De Haagsche Vrouwenkroniek: Weekblad voor de Ontwikkelde Vrouw oprichtte. Een blad met veel kunst en literatuur, toneel en muziek, sport (!), met huishoudelijke, opvoedkundige en hygiënische vraagstukken en maatschappelijke kwesties (zo schreef ze een reeks artikelen over de Frans-Duitse oorlog in 1870). De toon was zelfbewust, idealistisch en humoristisch en had als motto: ‘Opdat zij niet inslape aan haar spinnewiel’ (Multatuli). Veel schreef ze zelf, onder haar echte naam Susanna Lugten-Reys, haar schrijfstersnaam Nannie van Wehl, als ‘Mater Conata’ (ervaren moeder) en soms als ‘Huisvrouw’. Daarnaast vroeg ze ook bekende vrouwen als Clara Wichmann voor het blad te schrijven.

De toon van haar kinderboeken is gematigder. De vriendschap van Bertha en Beate gaat bijvoorbeeld over twee meisjes – de degelijke Bertha, te slim voor de rest, die zich stierlijk verveelt op school, altijd met haar gedachten ergens anders, en de spannende Beate, slank, blond, knap en populair. Ze worden vriendinnen op school, maken vervolgens samen allerlei narigheden mee (een vervelende oma, een doodzieke vader) en bereiden zich uiteindelijk samen voor op het huwelijk en het gezinsleven.

Het begin van het boek sprankelt nog wel, de ‘vriendinnenverliefdheid’ spreekt tot de verbeelding, maar het einde vormt slechts een droge opsomming van de laatste weken tot hun huwelijk. De vrouwelijke personages doen nog snel een cursusje huishoudelijke taken, maar blijven ook hard studeren, ‘hoor’. Haar vrouwelijke personages ‘leken wel op Susanna zelf’, schrijft kleindochter Boef-Van der Meulen, ‘hoewel deze haar leven lang bleef worstelen met de problemen die het opleverde om tegelijkertijd een professioneel schrijfster te willen zijn en een toegewijde vrouw en moeder.’

Zo moet ze in september 1914 van haar arts haar functie als hoofdredacteur bij De Haagsche Vrouwenkroniek neerleggen ‘wegens ongesteldheid’. Van Wehl is verzwakt door de zwangerschap van haar tweede kind en haar gezondheid was voor die zwangerschap al niet goed. Waar ze precies aan lijdt, wordt nergens duidelijk. Na een jaar rust schrijft Van Wehl af en toe weer voor het door haar opgerichte blad. Maar haar toon krijgt het blad nooit meer terug.

Ook veel van de andere schrijfsters die ik de laatste weken opzocht hadden last van kwalen zonder oorzaak: ik las veel over extreme vermoeidheid, depressiviteit, zere lijven, kuuroorden, bedlegerigheid, ‘hysterie’, vaak stak dit alles in hevigere mate de kop op na hun zwangerschappen, en werden ze daarna tot psychisch patiënt verklaard. In het geval van Van Hichtum levenslang. Is het toeval dat veel van deze zeven vrouwen hier last van hadden? Bijkomstigheid van het schrijven? Ziekte van hun tijd?

Het doet me denken aan de recent uitgebrachte podcast Geen kleine man, waarin de makers onderzoek doen naar patiënten met onverklaarbare klachten die geen (juiste) diagnose krijgen. Zeventig tot negentig procent daarvan is vrouw. En maar braaf een uitslag afwachten.