Brecht afgestoft

De goede mens van Sezuan, tot en met aanstaande zaterdag in Frascati, Amsterdam; daarna te zien door het hele land.
Ken je die mop van de drie goden die naar de aarde kwamen om een goed mens te zoeken? Ze vonden er geen een! Wang, de waterventer uit Sezuan, komt in de voorstelling op als John Cleese die zijn silly walk demonstreert. Hij hupst en waggelt over het toneel, als een volleerde kruising tussen Swiebertje en Kluk-Kluk. Wang moet de drie goden onderbrengen. Maar niemand wil hen. Tot het hoertje Shente opduikt: ‘Die kan nooit nee zeggen.’ Maar Shente heeft net een klant. Morgen moet de huur betaald worden. Wang: ‘Dit is geen moment om te gaan rekenen.’ Een ogenblik later vraagt de eerste god: ‘Hebben de mensen het hier moeilijk?’ Wang: ‘De goede mensen vooral.’ Eerste god: ‘Jij ook?’ Wang: ‘Ik ben niet goed. Maar ik heb het ook niet gemakkelijk.’

Bertolt Brecht zet de verhoudingen in de eerste scene van zijn stuk De goede mens van Sezuan meteen op scherp. Sezuan is een grote mesthoop. Iedereen vecht voor zijn belangen. Shente is een lichtpuntje. Maar de huur moet betaald. En Wang vent water uit in bekers met een dubbele bodem. De goden kijken machteloos toe. Als zij ‘boven’ rapport uitbrengen over een goed mens, is hun missie al geslaagd. De tweede god: 'Maar met economische vraagstukken kunnen wij ons niet inlaten.’ Het hoertje Shente raakt bekneld tussen de consequenties van 'goed doen’ en 'geen nee kunnen zeggen’. Ze creeert daarom zelf haar boosaardige evenknie: de neef Shui Ta. Het simpele feit dat die twee nooit publiekelijk ruzie met elkaar kunnen maken, brengt Shente in grote problemen. Uiteindelijk komt het tot een rechtszaak. Shente onthult haar dubbele identiteit. Ze heeft de dubbelganger minstens een keer per week nodig. Van de goden mag het een keer per maand. De derde god roept haar toe: 'Voor alles, wees goed, Shente.’ Die goden hebben er niets van begrepen.
De goede mens van Sezuan geldt merkwaardig genoeg als een loodzwaar en moralistisch domineesdrama. De opkomst van Wang (Rene Eljon) zet hier meteen de toon van de voorstelling die Koos Terpstra van het stuk wilde maken. Deze moraliteit is variete, het is jongleren met keuzes, koorddansen zonder vangnet. Een onbevangen kermis ook, van schilderachtig uitgedoste karakters. Shente ziet er, met haar vlechtjes en haar korte jurkje, uit als een naieve bakvis uit het begin van de jaren zestig. De goden dragen zwarte pakken met Chinese lettertekens. De wijkagent oogt als een Rode Gardist. Vervreemding, voor Brecht een techniek om personages niet 'gewoon’ maar juist 'bijzonder’ te maken, wordt hier met lichtvoetige middelen bereikt. Aan sommige objecten (met name brillen) hangt een kaartje. Met de prijs erop? Of de naam van wie hem ooit in een andere produktie droeg? In de rechtszaak aan het eind van het stuk wordt de plot bijna weggespeeld via een weergaloze slapstick-act van een bijrol.
Maar hoe hilarisch de middelen van de vaudeville en het melodrama ook worden ingezet, Terpstra’s regie verliest de harde bodem onder dit prachtige stuk geen moment uit het oog. De scenes waarin Shente bikkelhard tegen de dilemma’s van haar goedheid aanloopt zijn in deze enscenering verstilde momenten van rustige bezinning. In de liedjes, waarin Brecht de fabel van commentaar voorziet, wordt Paul Dessau’s moeilijke maar populaire muziek genegeerd. Hier worden de teksten gedeclameerd. Met een overrompelend effect. Wanneer Cees Geel (als de werkloze vlieger die Shente’s liefde wint, maar die ook op haar geld uit is) voorspelt dat de zoon van de armelui op een dag de gouden troon van het geluk zal beklimmen, en die dag heet Sint Juttemis, dan snijdt die tekst door je ziel. En wanneer Joost Prinsen - via het beroemde Lied van de acht olifanten - komt verhalen over de idealist die een meedogenloze meeloper werd, dan mis je die mooie muziek opeens niet meer (zelfs niet als-ie via een schreeuwerig koortje eventjes opduikt). Omdat Joost Prinsen muziek maakt van de tekst.
Wat regielegendes als Heiner Muller en Peter Zadek in het Brecht-mausoleum Berliner Ensemble niet is gelukt, daarin slaagt Koos Terpstra hier wonderwel: Brecht afstoffen. Of liever - ik parafraseer Jac Heijer: Brecht opeten en hem verteren. Een jaar of acht geleden deed Leonard Frank dat bij Baal, in zijn versie van Moeder Courage en haar kinderen. Daarna bleef het lang stil. Nu bewijzen Terpstra en zijn team, met in het centrum van hun produktie de naieve en ontroerende Shente van Veerle van Overloop, dat er een nieuwe generatie theatermakers is opgestaan die met Brecht om kan gaan zonder de massieve ballast van de zware eeuw waaraan zijn schrijverstalent ontsproot.
Ik zeg het een collega-criticus na: Brecht zou niet alleen tevreden zijn geweest met deze voorstelling. Hij zou er verrast om hebben gegrinnikt. Zo kan het dus ook!