Brechts losse handen

Dat Bertolt Brecht een dief was, is een onthulling die kan worden vergeleken met de constatering dat de temperaturen ‘s zomers heel wat hoger liggen dan in de winter.

Toen even na de premiere van Im Dickicht der Stadte bleek dat hij zonder bronvermelding een aantal verzen van Rimbaud en Verlaine had geplunderd, wees de kunstenaar op het feit dat hij de gewraakte passages in het manuscript ‘tussen aanhalingstekens’ had gezet. Hoe je die aanhalingstekens voor het voetlicht, ten overstaan van een toneelkijkend publiek, een dramatische gestalte kunt geven, heeft zelfs Brecht niet kunnen uitleggen.
Waarom kon hij het niet nalaten andermans/andervrouws zakken te rollen?
'Dat komt voort uit mijn principiele onverschilligheid in vraagstukken betreffende het geestelijk eigendom’, zei Brecht.
'Dat klinkt hoogst opstandig’, zei zijn vakgenoot Kurt Tucholsky op zijn beurt, 'maar is alleen maar dom. Ik ben geen plagiaatsnuffelaar, ik ken de lokroep van halfverwaaide klanken, ik weet hoe herinneringen een geheel eigen leven kunnen gaan leiden. Maar omdat ik mij dat realiseer, ben ik dubbel waakzaam. Ik heb het grootste respect voor geestelijk eigendom en een navenant grote verachting voor literaire inbrekers.’
Inbrekers als Brecht. Maar de brechtologie is al decennialang geplaveid met voorbeelden van verduisterde bronvermeldingen, gejatte vertalingen en overgeschreven verzen. Dat was niet mooi van de kunstenaar, net zomin het mooi van hem was om met name zijn minnaressen voor zijn karretje te spannen.
Dit is echter een moreel oordeel, geen literair oordeel. In de nieuwste negatieve geluiden over Brecht, die ook anderszins geen erg innemende persoonlijkheid is geweest, zijn wij geneigd te vergeten dat ’s mans oeuvre nog steeds recht overeind staat, de diverse ideologische onaangenaamheden ten spijt.
Zijn wij nu bijvoorbeeld gedwongen de Dreigroschenoper op de mestvaalt van de arbeidersbeweging te werpen? Brecht heeft daaraan slechts zo'n vijf procent bijgedragen, zo blijkt. Dat staat inderdaad in geen verhouding met het percentage van 62,5 procent van de omzet dat hij zich als honorarium liet uitbetalen. Niettemin, het was van begin af aan duidelijk dat het stuk slechts zeer ten dele van Brecht was. Het betrof een vertaling van John Gay’s Beggars Opera, vertaald door Elisabeth Hauptmann en uiteindelijk door Brecht bewerkt. De vijf procent die hij zelf heeft bijgedragen, was in elk geval net voldoende om zowel de musical wereldberoemd te maken als de man die het kunstwerk zo indringend heeft geactualiseerd.
In feite is zijn werkwijze hoogst modern geweest: postmodernisme avant la lettre, in een soort workshop uitgebroed, waarbij alle ruimte werd gelaten voor de vrouwelijke creativiteit. Waarbij ongetwijfeld moet worden geconstateerd dat Brecht wat genereuzer met zijn dankbetuigingen had kunnen omspringen, terwijl het zonder meer merkwaardig is dat al zijn medeschrijvende vriendinnen nooit hun mond hebben opengedaan, toen weer eens bleek dat hun naam op het laatste moment van de affiches was verdwenen.