Breek me de bek niet open

Waar ook al ernstig de mot in zit, als ik de kranten mag geloven, is het vaderlandse hoerendom. De moederlijke, veelal uit Brabant geimporteerde temeiers zijn inmiddels allemaal met pensioen. Zij zijn vervangen door hologige drugsverslaafden en/of Latijnsamerikaanse travestieten, waaraan weinig plezier te beleven lijkt. Terwijl in de dagen van hun collega Blonde Greet…

Wie was dat ook alweer? Blonde Greet was de ontdekking van Albert Mol (danser, cabaretier, choreograaf). Hij kende haar van de Wallen, niet als klant, want zijn erotische voorkeuren lagen elders, maar als goedgebekte Amsterdamse volksfiguur die in de loop der jaren heel wat had meegemaakt. Mol besloot het op te schrijven. In 1965, toen standje 69 nog als het toppunt van exotisch-erotisch divertissement gold.
Blonde Greet kon je nog meer vertellen. De ene klant vroeg haar in een sneeuwwit gewaad en met aronskelken in heur haar op het zogeheten doodbed te gaan liggen, en stak vervolgens monologen af in de geest van: ‘Mien, ik heb het niet willen doen. Mien! Mien! Kun je me vergeven?’ De andere klant geraakte aan zijn gerief door een monoloog harerzijds: 'O, o Jojo, wat zit jij vol met haar! Gos, wat een bende haar! Ik heb nog nooit iemand met zoveel haar gezien. Je borst lijkt het Amsterdamse Bos wel!’
Albert Mol kreeg heel schrijvend Nederland, mijzelf incluis, over de vloer van zijn Amsterdamse grachtenwoning. Genietend vertelde hij hoe druk na druk na druk na druk van de persen rolde. 'Het is ongelofelijk, ongelofelijk!’
Nee, wie Blonde Greet in werkelijkheid was, hield hij geheim. Op haar eigen verzoek. Een mens heeft tenslotte recht op privacy. Verder oefende zij een beroep uit waarbij immer een zekere terughoudendheid was geboden. Mol had geen moraliserend oordeel over haar handel en wandel. 'Onze Lieve Heer heeft gezegd: Laat de kinderkens tot mij komen. Daar zaten ook de hoeren en de mensen met seksuele afwijkingen bij.’
Hij verwierf via zijn protegee nationale faam, een beroemdheid wiens ster nog steeg toen hij een vast onderdeel werd van het tv-spelletje Wie van de drie. In deze hoedanigheid introduceerde hij de nichtenhumor in de Nederlandse huiskamers, wat van hem nog net te verdragen viel, want hij is een lieve man. En niet ongeestig, zoals andermaal bleek uit zijn verleden jaar gepubliceerde memoires (Breek me de bek niet open). Over Blonde Greet is hij hierin merkwaardig terughoudend, laat staan dat hij eindelijk haar identiteit onthult.
Mol werd uitgenodigd voor de talk show waarin ikzelf het voorprogramma vormde. Voor de schmink dronken wij een kop koffie. 'Albert’, zei ik, 'als je wilt dat je nieuwe boek morgen in alle kranten wordt genoemd, moet je straks onthullen dat je die Blonde Greet van toendertijd geheel uit je duim heb gezogen.’ Peinzend keek hij langs me heen, om even later ('camera loopt!’) al rellebellend mijn advies in de wind te slaan. Een paar maanden later werden zijn memoires in het massagraf van de firma De Slegte bijgezet.