Breekijzer

De hoerengeschiedenis Josefine Mutzenbacher wordt ons niet alleen aanbevolen als een indringende milieuschets van het eind-van-de-eeuwse Wenen - wat ze niet is - en als een proeve van literaire pornografie - wat ze niet is - maar ook als een erotische roman ‘die behalve de zinnen ook de lachspieren prikkelt’.

Heb ik om Mutzenbacher moeten lachen?
Er komt welgeteld één scène in voor die geestig bedoeld lijkt. De hulppastoor laat het hoofdpersoontje aan hemzelve demonstreren welke zonden ze allemaal heeft begaan. Een cabaretesk tafereel, met allerlei olijke benamingen voor het lid van de heiligman: ‘gewijde kaars’, 'genadeknots’, 'wijwaterkwast’.
Maar geestig?
Het hele boek is op welgemutste toon geschreven. Die toon past bij de olala-sfeer die dit soort nette-herenporno kenmerkt. Niet in het verhaal maar in de toon zit het tijdsbeeld. Bij dit boek stel je je lezers voor met een hoge zijden, een wandelstok en een sigaar. En ze lachen van 'huhuhu’.
Een minder besmuikte, meer joyeuze lach past de lezer van Fanny Hill, die andere klassieker die onlangs in de Bibliotheca erotica van uitgeverij Aspekt verscheen. Net als in Mutzenbacher vertelt in Hill een meisje hoe ze hoer werd. Het boek stamt evenwel uit een heel andere tijd: het achttiende-eeuwse Londen. De toon is navenant: niet hups en spits maar weids en barok, niet grof en plat maar verfijnd en verheven, met andere woorden: niet Johann Strauss maar Georg Friedrich Händel.
Persoonlijk moet ik daar veel meer om lachen.
De lezer oordele zelf:
Mutzenbacher: 'Ik richtte mij op om zijn breekijzer te taxeren. God sta me bij, zoiets had ik werkelijk nog nooit gezien. Tot aan zijn navel en hoger reikte deze balk. De kop alleen al was groter dan bij anderen de hele stut…’
Hill: 'Ik voelde wat ik met mijn kleine, zwakke vingers niet kon omspannen, een kolom van het blankste ivoor, sierlijk doorkruist met blauwe aderen en bekroond met een nu ontblote kop van het levendigste vermiljoen; geen hoorn kon harder of stijver zijn, geen fluweel zachter of heerlijker om over te strelen…’
Waarom moet ik om Hill lachen en om Mutzenbacher niet?
Lachen doe je, weet ik van Freud, wanneer een verboden gedachte uit de kluisters van het onbewuste breekt.
Mutzenbacher geeft lucht aan de verboden, verdrongen en verwrongen gedachte dat kleine meisjes eigenlijk heel verdorven wezentjes zijn. Dat was in die tijd een heel onbetamelijke fantasie, waarvan men, om redenen die Freud omstandig heeft uitgelegd, maar wat graag hoopte dat ze waar was. Dan krijg je zo'n raar, afgeknepen lachje.
Hill geeft lucht aan de niet zozeer verboden alswel verstopte gedachte dat erotisch verkeer net zozeer aan de regels van de wellevendheid, het fatsoen en de goede smaak onderworpen kan zijn als elke andere omgang tussen mensen. Fanny Hill leest als een geestrijke etiquette voor de minnestrijd. Dan krijg je een welgevormde, welluidende en welgemanierde lach.
Maar over de rol van de lach in de pornografie valt nog veel meer te vertellen.