Toneelstuk

Breivik ontmoet Wilders

Vorig jaar zomer bracht Anders Breivik in Noorwegen 77 mensen, voornamelijk pubers, om het leven. De moordenaar liet zich onder meer inspireren door het gedachtegoed van Geert Wilders. In het toneelstuk Breivik ontmoet Wilders confronteert Theodor Holman de twee met elkaar. De oorspronkelijke tekst van het nu al omstreden stuk.

OP SCHERM: Beelden van Wilders in Londen. Persconferenties. Demonstraties. Misschien het nieuwsitem van het NOS Journaal.

TONEEL: Een afgesloten ruimte op Heathrow. Een niet gebruikte, misschien wel geheime vip-room.

Het is avond. De Nederlandse politicus heeft net een ontmoeting gehad met Britse politici. Veel pers. Demonstraties op straat. Wilders is moe. Op Heathrow blijkt dat het vliegtuig naar Nederland vertraging heeft. De beveiligers moeten Wilders dus even wegstoppen. Daarvoor gebruiken ze de vip-room.

OMROEPSTER HEATHROW: Your attention, please. Flight KL405 to Amsterdam has a delay of fifty minutes. Flight KL405 has a delay of fifty minutes.

VIP-ROOM: Een tv, die aan kan, veel kranten en tijdschriften.

De beveiligers zijn Jacob en Ezau. Jacob komt als eerste de vip-ruimte binnen.

JACOB: Alles veilig. All clear. Vos kan binnenkomen.

Wilders en Ezau komen binnen.

WILDERS: Jullie noemen me altijd vos, leeuw, tijger, panter. Altijd roofdieren. Nooit eens duif of puppy of poedel.

EZAU: Dat bepalen wij niet, mijnheer.

WILDERS: Leer mij de geheime dienst kennen. Waarom vliegt dat vliegtuig niet?

JACOB: Ik weet het niet, mijnheer.

De mobiele telefoon van Wilders gaat. Het is Martin Bosma, maar die zien en horen we niet. We zien alleen de reactie van Wilders.

WILDERS: Hallo Martin. (…) Heb je het gezien? (…) Staat het al op YouTube? Nee, ik ben moe. (…) Nee. (geruime tijd pauze) Is het niet weer zo’n gek die met me op de foto wil? (…) Waarom? (…) Noorwegen? (…) Spreekt hij goed Engels? (…) Weet je zeker dat het geen journalist is? (…) Vijf minuten dan, niet meer. Ik geef je even aan Ezau.

Wilders geeft zijn mobiele telefoon aan Ezau. Die bespreekt (ad lib) met Bosma de details, terwijl Wilders alles uitlegt aan Jacob.

WILDERS: Er komt straks een Noor. Wil op de foto met mij, geloof ik, en iets vragen. Martin leek het wel een intelligente knul… Niet meer dan vijf minuten…

JACOB: Is goed, mijnheer.

Hij verwittigt meteen beveiligers die blijkbaar buiten de ruimte staan. We horen hem zeggen (hij spreekt in zijn mouw):

JACOB: Vos ontvangt bezoek. Honderd procent check! Let op: honderd procent check!

Ezau heeft alles opgeschreven wat hij van Martin Bosma heeft gehoord. En leest voor uit zijn bloknootje.

EZAU: Hij heet Anders Breivik. Is inderdaad afkomstig uit Noor­wegen. Hij is eco-boer van beroep.

WILDERS: Eco-boer? O God. Een linkse hobbyist of een bloed-en-bodem-fetisjist. Hoe oud is-ie?

EZAU: Hij staat voor de deur.

WILDERS: Een boer. Oké, laat maar binnen.

EZAU (in mouw): Hij kan naar binnen.

De deur gaat open en Breivik komt binnen. Gekleed in een rood Lacoste-T-shirt waar overheen een half lange, zeer modieuze jas. Zijn correcte gedrag en zijn beleefdheid typeren hem. Jacob en Ezau fouilleren hem. Wilders kijkt hem aan.

BREIVIK (terwijl hij wordt gefouilleerd): Mijnheer Wilders… Ik bewonder u.

WILDERS: Dank u.

Als men klaar is met fouilleren, knielt Breivik op een paar meter afstand als een ridder voor Wilders. Wilders kijkt hem verbaasd aan.

WILDERS: U hoeft voor mij niet te knielen. Ik ben niet van het koninklijk huis, en als ik dat was, had ik het knielen afgeschaft.

BREIVIK: Ik vind u ook een ridder. Ik wil u mijn respect tonen.

WILDERS: Dat doet u door snel een foto te nemen en ons weer alleen te laten. Hoewel ons vliegtuig wat vertraging heeft, heb ik toch veel werk te doen. Een van mijn veiligheidsmensen kan wel een foto van ons nemen, en…

Breivik staat op.

BREIVIK: Ik wil geen foto van u met mij.

WILDERS: Alleen een handtekening dan?

BREIVIK: Ook niet.

Wilders is verbaasd.

WILDERS: Wat wilt u dan?

BREIVIK: Ik wil u iets vragen.

WILDERS: U wilt mij iets vragen… en wilt u dan van mij een antwoord?

BREIVIK: Uiteraard. Als het kan.

WILDERS (achterdochtig, nieuwsgierig): Vraag…

BREIVIK: Mijnheer Wilders, ik wil weten… Hoe ver bent u bereid te gaan?

WILDERS (enigszins geïrriteerd): Hoe bedoelt u?

BREIVIK: Zoals ik het zeg: hoe ver bent u bereid te gaan?

WILDERS: Waarin?

BREIVIK: In alles…

WILDERS: Hoe bedoelt u precies?

BREIVIK: Zoals ik het zeg. Uw denkbeelden zijn de mijne, ik denk als u.

WILDERS: Ach zo…

BREIVIK: Hoe ver bent u bereid te gaan om uw denkbeelden waar te maken?

WILDERS (achterdochtig): Bent u van de pers?

BREIVIK: Nee.

WILDERS: Hoe weet ik dat zeker?

BREIVIK: Ik zweer het u.

WILDERS: Dat zegt me niks. Hoe weet ik zeker dat ik, wat ik u vertel, straks niet ergens gepubliceerd zie?

BREIVIK (zich excuserend): Ik bewonder zelfs uw paranoia, mijnheer Wilders. Maar ik heb net zo’n hekel aan de pers als u.

WILDERS: Ik heb helemaal geen hekel aan de pers, mijnheer… wat was u naam ook weer?

BREIVIK: Breivik. Anders Breivik.

WILDERS: Ik heb geen hekel aan de pers, mijnheer Breivik. Zonder de pers was mijn partij al ter ziele. Zonder media-aandacht had ik helemaal mijn boodschap niet kunnen vertellen. De televisie is mijn grootste vriend. Vermoedelijk ook mijn enige.

BREIVIK: De camera liegt niet, zeggen ze wel eens.

WILDERS: Dat is soms voor een politicus een houvast. Maar voor de meeste collega’s gelukkig niet.

BREIVIK: U suggereert dat u in Nederland een goede pers krijgt. (lacht ‘cynisch’) Ik lees geen Nederlands, mijnheer Wilders, maar ik weet zeker dat bijna elke Nederlandse krant uw denkbeelden neersabelt. Men is meer tegen u dan voor. Waar of niet?

WILDERS: Zou kunnen.

BREIVIK: Vertelt u mij dan eens eerlijk: krijgt u steun van de grote Nederlandse opinieleiders? Staan de commentatoren van de grote kranten aan uw zijde? Staan de televisieprogramma’s die er over u worden gemaakt achter u of meer achter uw tegenstanders? Worden uw denkbeelden niet gekraakt als fascistisch, racistisch, populistisch? Ik weet het antwoord al.

WILDERS: Hoe weet u dat dan?

BREIVIK: De meeste pers is vergeven van de kanker van de politieke correctheid. Zelfs als ze beweren niet links te zijn. Zelfs zonder het te weten. Dat is overal zo. Ook in mijn land. Het woord rechts in de journalistiek staat voor slecht. Een rechtse journalist is dus een slechte journalist, en wie wil er nu slecht zijn? In het hele Westen is dat het geval. Zelfs in Amerika.

WILDERS (verveeld): Dan begrijpt u hoe ik mijn uitspraken moet wegen.

BREIVIK: U doet ook alleen maar evenwichtige uitspraken.

WILDERS: Ik ben bereid ver te gaan, als u dat wil weten. Maar ik weet niet wat uw vraag ertoe doet? Hoe ver ik wil gaan? Onzin… (beat) Als u me niet kwalijk neemt, zou ik graag nog iets werken… Ik moet de journalisten nog wat politiek incorrect voedsel geven om de tumor te voeden.

BREIVIK: Ik snap het. Ik vind het jammer. Ik ben geen journalist en ik…

Breivik staat op om weg te gaan.

BREIVIK: Ik wil u ook zeker niet storen in uw werk… Ik… bewonder u… ik sta achter uw strijd en… Ik hoopte alleen…

WILDERS: Het spijt me.

BREIVIK: Het spijt mij ook. Ik groet u met het grootste respect… Een woord dat ik nooit gebruik, maar u verdient het. Ik heb mijn respect al een keer uitgesproken.

Breivik maakt aanstalten om weg te gaan. Op de achtergrond zijn al geluiden van ver protest te horen.

Jacob zegt in zijn mouw dat de bezoeker (ad lib) de vip-ruimte verlaat, maar dan…

JACOB: Ja… Ja… Oké. (tegen Wilders:) Het spijt me, de bezoeker mag nog niet weg. Geen all clear.

WILDERS (tegen Breivik): U kunt helaas nog niet weg. We… zitten nog even met elkaar opgescheept…

BREIVIK: Ik meen het goed met u, mijnheer Wilders.

WILDERS: Dank u. Wat betekent dat?

BREIVIK: Ik vind u moedig. U bent een moedig mens.

WILDERS: Dank u…

Er valt even een stilte.

WILDERS: Mijn moed… Mijn moed komt meer voort uit noodzaak.

BREIVIK: Noodzaak?

WILDERS: Zoals u ziet, word ik beveiligd. Dat komt door eens betoonde moed… zelfs als ik zou willen kan ik niet terug. Ik moet vooruit. De strijd aangaan. Moedig zijn. Ik wil niet zielig doen, mijnheer Breivik, maar als ik niet moedig ben, schieten ze me neer. Tegenstrijdig genoeg kun je mijn moed een vorm van lafheid noemen, van levensbehoud.

BREIVIK: Daarom mijn vraag: hoe ver bent u bereid te gaan?

WILDERS: Ik begrijp uw vraag nog steeds niet goed! Ik ben niet bereid te sterven, als u dat bedoelt. Natuurlijk niet.

BREIVIK: Hoezo natuurlijk niet?

WILDERS (docerend): Niet alleen heb ik dan niets meer aan mijn eigen strijd gehad, zo die tot een goede oplossing zou komen, wat ik niet denk. De strijd – en ik strijd voor een beter Nederland – zou misschien tot staan komen wanneer ik er niet meer ben. Dat is dan alles. En ik wil ook nog wat andere dingen doen dan politiek bedrijven, als u het niet erg vindt. Ik ben geen al-Qaeda-zelfmoordterrorist. Ik geloof niet dat er boven 71 maagden op me liggen te wachten. Als ik dat dacht, waren die meiden al geen maagd meer. Al-Qaeda, die bestrijd ik!

BREIVIK: Ik ook, mijnheer Wilders. Want ze winnen met hun zelfmoordstrategie. Maar hoe ver bent u dan bereid te gaan?

WILDERS: Ik vind u eng, weet u dat? Zonder bang voor u te zijn. Het is meer een intellectuele vrees. Bent u soms fascist? Of nazi?

BREIVIK: Ik heb u al verschillende keren gezegd: ik ben net als u. Bent u een nazi of een fascist?

WILDERS (boos): Nee!

BREIVIK: Ik dus ook niet!

WILDERS (nog steeds boos): Bent u extreem-rechts?

BREIVIK: Bent u extreem-rechts?

WILDERS (boos): Ik vraag het aan u!

BREIVIK: Dat hoeft u niet te doen, u weet het antwoord.

WILDERS: Ik ben niet extreem-rechts.

BREIVIK: Dan bent u vermoedelijk de enige die dat denkt. (beat) Zien ze u in uw eigen land ook als… niet extreem? Dan ben ik ook niet extreem. (korte denkpauze) Wat is extreem inderdaad?

WILDERS: Dat je een totalitair regime wilt, een fascistisch regime wilt, een islamitisch regime dus. Dat je wil bereiken door met een bomgordel onschuldigen te vermoorden. Dan ben je extreem.

BREIVIK: U bent zeker niet extreem, mijnheer Wilders. Mijn excuses. Mocht ik dat hebben gesuggereerd.

WILDERS: U hoeft zich niet te excuseren.

Het contact verloopt stroef. Wilders kijkt in zijn telefoon. Breivik bladert wat in een blad dat hij ziet liggen. Soms kijken ze elkaar aan, en knikken ze. Ongemakkelijke sfeer.

BREIVIK: Weet u, ik heb wel eens documentaires gezien over die zelfmoordenaars. Ik vond het domme jongens.

WILDERS: Dat heeft u goed gezien.

BREIVIK: Ik bedoel daarmee: ze waren te dom om extreem te zijn. Ze handelden uit naam van de koran of Allah, maar volgens mij konden ze niet eens lezen, laat staan de koran begrijpen! Ik dacht de hele tijd: jullie zijn niet extreem, het zijn jullie leiders. Mag je ze eigenlijk doden, die domme jongens? Wat vindt u?

WILDERS: U denkt als ik: natuurlijk. Dat doen we al. We zitten achter Bin Laden aan, achter de grote kopstukken. En ook hun soldaten.

BREIVIK: Mag ik die domme jongens doden, met hun bomgordel?

WILDERS: Graag!

BREIVIK: Waarom?

WILDERS: Ik vind de vraag te stom om te beantwoorden, mijnheer Breivik. Ik heb toch het vermoeden dat u van de pers bent. (weer over­dreven kwaad) Ik ontken dat ik u gesproken heb!

BREIVIK: Maar goed dat ik dan geen foto van u met mij wilde… Als u wilt dat ik ga, vertrek ik.

EZAU: Hij mag nog niet weg, mijnheer.

BREIVIK: En waarom niet?

EZAU: Als u vertrekt kunt u de veiligheid van mijnheer Wilders in gevaar brengen.

BREIVIK: Hoe dan?

EZAU: Daar doen we geen mededelingen over. Veiligheidsoverwegingen.

Wilders en Breivik lopen elkaar weer wat aan te kijken. Op een zekere afstand. Als twee wolven die beide de enige alfa willen zijn. Breivik en Wilders voelen zich ongemakkelijk. Breivik het meest.

BREIVIK: In die documentaire die ik zag was het een Palestijn die gewoon joden om wilde brengen. Waarom? Omdat het joden waren – dat zei hij. De joden hadden zijn land afgepakt, de joden hadden hem, zijn ouders en zijn grootouders ongelukkig gemaakt. De joden waren van alles de schuld, zei hij, en dat stond ook in de koran – en dat zeiden vooral zijn leiders.

WILDERS: U en ik weten dat de waarheid een geheel andere is.

BREIVIK: Dat wist die jongen niet. Net zoals de pers in Noorwegen dat niet weet, en vermoedelijk ook de pers in Holland dat niet wil weten. Hoe kon die jongen ook weten hoe het precies in het Midden-Oosten zit. Hij was nog een kind.

WILDERS: Een kind zonder opleiding.

BREIVIK: Een kind dat zich opblaast.

WILDERS: Waar wilt u naartoe?

BREIVIK: Ik denk wel eens: wie spreekt nu de doodstraf uit over wie? Spreken zijn Palestijnse vrienden die van hem een martelaar maken wanneer hij joden doodt de doodstraf over hem uit, of is het zelfmoord die de Palestijnen goed uitkomt, want dan hebben ze weer een domoor minder? Ze maken je een held door je te laten sterven… Ik vind dat altijd intrigerend. Alsof je gratis bij een restaurant vergiftigde soep krijgt en je de eigenaar van het restaurant dankt voor zijn gulheid.

WILDERS: Je moet altijd voorzichtig zijn met soep. Zeker de soep van Hamas. Die is niet kosjer.

BREIVIK: De man die dood in het restaurant ligt omdat hij van de soep heeft gegeten is een held, en degene die hem bij volle bewustzijn de soep heeft gegeven is ook een held. Is dat slim van de islamieten of dom?

WILDERS: Wat denkt u zelf? Iemand een held noemen kost niets. Iemand een martelaar noemen ook niet. Ze doen er de moeder van de terrorist een plezier mee.

BREIVIK: Al die Palestijnen sterven happy, gelukkig… Al die Palestijnse kinderen die ze als schild tegen de Israëliërs neerzetten, die sterven gelukkig. Al die kinderen, meisjes ook, die ze met bomgordels laten lopen, sterven gelukkig…

WILDERS: Het is simpel: die man, die Palestijn, is een soldaat. Voor hem is het oorlog. Een oorlog tegen Israël. Tegen de joden! Hij doet wat de generaals hem opdragen. En omdat Allah het wil! Hij sterft in de strijd, maar niet dan nadat hij onschuldige slachtoffers heeft gemaakt.

BREIVIK: Heeft u ook niet gezegd dat we in oorlog zijn met de islam? Ik weet niet precies of u het heeft gezegd, maar als u het gezegd zou hebben, ben ik het met u eens.

WILDERS: Ik begrijp niet goed waarheen u mij wilt drijven, mijnheer Breivik. Maar ik vrees iets, en daar wil ik niet heen. Ik ben een democraat, mijnheer Breivik.

BREIVIK: Een democraat? Wat is dat tegenwoordig?

WILDERS: Ik geloof in de democratie. En als democraat geloof ik in het argument. Ik geloof dat ik de beste argumenten heb. En ik geloof dat de beste argumenten winnen.

BREIVIK: De geschiedenis leert ons anders. Die heeft lak aan goede argumenten.

WILDERS: Wanneer politici niet meer in de kracht van het argument geloven, zijn ze meestal roverhoofdman. Of lid van een militie.

BREIVIK: Als ze wel in de kracht van het argument geloven eindigen ze vaak als burgemeester van een kleine provincieplaats.

WILDERS: Ik begrijp dat u niet in de democratie gelooft?

BREIVIK: Ik merk dat mijnheer Wilders, de zogenaamde populist, een echte democraat is.

WILDERS: Inderdaad! U begrijpt dat ik al duizenden keren heb gehoord dat ik een populist ben. Een democraat, zeg ik dan, is iemand die gelooft in een beslissing die een meerderheid neemt. Een populist is iemand die gelooft in een meerderheid die een beslissing neemt. Kortom: populisme is democratie. De meerderheid wint. U gelooft daar niet in?

BREIVIK: Ik geloof in de absolute gerechtigheid…

WILDERS (onderbreekt, honend): Wie bepaalt dat, wat de absolute gerechtigheid is?

BREIVIK: Ik was nog niet uitgesproken. Ik geloof in de absolute gerechtigheid, maar ik weet ook dat de menselijkheid daarbij verbleekt.

WILDERS (herhaalt neerbuigend): De menselijkheid verbleekt bij de absolute gerechtigheid… poëtisch. Maar die poëzie wordt weggevaagd door de kruitdampen die ik begin te ruiken. U praat als een existentialistisch pamflet.

BREIVIK: De kruitdampen die u ruikt zijn van de Amerikaanse legers in Irak en Afghanistan. En ook van uw Nederlandse legers.

WILDERS: En ook van de Palestijnen en de moedjahedien en de Taliban en al-Qaeda.

BREIVIK: Precies! Allemaal soldaten.

WILDERS: Geloven allemaal in de absolute gerechtigheid.

BREIVIK: Waarbij de menselijkheid verbleekt. Zoals ik zei.

WILDERS: Wat wilt u nu zeggen? Dat het juist is dat de menselijkheid verbleekt?

BREIVIK: Ik wil alleen maar zeggen dat wij misschien ook soldaten zijn. Op onze manier.

WILDERS: Ik ben geen soldaat. Ik ben politicus.

BREIVIK: Oké, u heeft gelijk – ik ben geen politicus.

WILDERS: Bent u dan een soldaat?

BREIVIK: Ik gebruik andere middelen dan een politicus. (korte pauze) Er is iets wat ik niet aan u snap, mijnheer Wilders. U bent het toch met mij eens dat een maatschappij die geregeerd wordt volgens een foute analyse een foute maatschappij oplevert?

WILDERS: Ik weet niet of ik zin heb in deze discussie.

BREIVIK: Waarom wilt u de bewondering die ik voor u voel afbreken? Ik stel u een eenvoudige vraag en die wilt u niet beantwoorden, of u kunt hem niet beantwoorden. Ik zeg dat ik u bewonder om uw moed, en u zegt dat uw moed lafheid is, ik vertel u over een Palestijnse zelfmoordenaar en u roept meteen dat u kruitdampen ruikt als ik in de buurt ben. Ik vraag alleen maar dingen. Ik vraag: vind u niet dat een maatschappij die geregeerd wordt volgens een foute analyse een foute maatschappij oplevert?

WILDERS: Ik vind uw vraag te simpel. Hij klinkt als de eerste lus in een ingewikkelde strik. Natuurlijk levert een foute analyse foute beslissingen op!

BREIVIK: Zoals het multiculturalisme.

WILDERS: Hoe bedoelt u?

BREIVIK: Een foute analyse… Dat alle culturen gelijk zijn.

WILDERS: Klopt. Een foute analyse, met desastreuze gevolgen.

BREIVIK: Precies. Desastreuze gevolgen. Sinds het multiculturalisme een religie werd – en dat is het – is de vrijheid minder geworden, is het niet? Je bent tegenwoordig een fascist als je twijfelt aan de zegeningen van het multiculturalisme.

WILDERS: Dat is wat ik zeg. En wat ik hoor.

BREIVIK: We moeten ongekend antisemitisme tolereren, we moeten vrouwenmishandeling tolereren, we moeten tolereren dat homo’s worden bedreigd. En ondertussen wordt er ook aan onze rechtsstaat geknaagd, want de sharia moet worden ingevoerd. Eerst stapvoets, en dan meer. Er zijn, meen ik, Nederlandse ministers geweest die dat geen bezwaar vinden.

WILDERS: U denkt zoals ik, maar waar wilt u heen?

BREIVIK: En mijn vraag is waarheen u wilt.

Wilders zwijgt (alsof alles even moet indalen).

WILDERS: U knielde voor mij. Waarom precies?

BREIVIK: Zoals ik zei: ik vind u ook een ridder. Het was niet alleen een teken van eerbied of respect. Het was ook bedoeld als groet. (met nadruk) Ik vind u ook een ridder.

WILDERS: Een ridder?

BREIVIK: Ook een ridder, zei ik.

WILDERS: U bedoelt te zeggen dat u ook een ridder bent?

Breivik haalt uit zijn binnenzak een foto van hemzelf als ridder. En laat die aan Wilders zien. De foto is achter het toneel te zien.

WILDERS (bekijkt foto): Bent u dat?

BREIVIK: Zeker.

Wilders kijkt Breivik lang aan.

WILDERS: Mijnheer Breivik… U zegt de hele tijd dat u bent als ik, maar ik speel geen riddertje. Dat deed ik vermoedelijk veertig jaar geleden, maar het heeft niet zo’n indruk op me gemaakt dat ik het me nog kan herinneren. Ik ben geboren in een redelijk kleine Nederlandse gemeente waar ze carnaval vierden, waar dit pak niet zou misstaan – in de kinderoptocht.

BREIVIK: Ik weet het, mijnheer Wilders, dat u dit kinderachtig vindt. Dat wist ik al lang voordat ik dit pak liet maken.

WILDERS: Bent u hier ook te paard gekomen?

WILDERS (tegen de beveiliging, lollig): Staat er een paard op de gang, jongens?

BREIVIK: Een jaar geleden ben ik tot ridder geslagen in de Orde der Tempeliers.

WILDERS: Ik begrijp dat u weer een kruistocht wilt organiseren.

BREIVIK: Het is geen grap, mijnheer Wilders.

WILDERS: Als het geen grap is, en u gaat in dit pak, vrees ik dat u niet verder komt dan het eerste het beste gekkenhuis. En dat lijkt me terecht.

BREIVIK: Ridders hebben moed, mijnheer Wilders. Ze organiseren een leger en trekken naar het Heilige Land. U vindt dit pak vreemd, en ik kan u zeggen dat het zeer ongemakkelijk zit. Maar daar gaat het niet om. Ik wil een ridder zijn. Ik wil het niet spelen.

WILDERS: Daar leek u me al te oud voor.

BREIVIK: Ik ben een ridder. Kinderachtig of niet, ik wil dat tonen. Aan iedereen. Ik heb zelf het Riddergenootschap der Tempeliers heropgericht. Is dat kinderachtig?

WILDERS: Nogal. Het is trouwens met Don Quichot slecht afgelopen, kan ik u vertellen. Was dat familie van u?

BREIVIK: Er worden dagelijks genootschappen opgericht. Er worden dagelijks verenigingen gesticht. Er is vrijheid van vereniging. Waarom mag er dan niet een vereniging van ridders zijn? Met normen en waarden die precies aansluiten bij die van u? Is dat kinderachtiger dan mensen die postzegels verzamelen? Of een voetbalclub beginnen, met shirtjes met emblemen? Of mensen die een kerkgenootschap beginnen? Was u geen lid van een carnavalsvereniging?

WILDERS: Wij drinken daar bier.

BREIVIK: In een boerenkiel, begrijp ik. Trouwens, bier drinken doen wij ook. En wij praten dan over politiek.

WILDERS: In uw ridderpak?

BREIVIK: Soldaten hebben een uniform. Is dat kinderachtig? Politieagenten hebben een uniform, is dat kinderachtig? En zelfs u draagt een net pak met das. Het uniform van de politicus. Is dat kinderachtig? Ik zie er op deze foto uit als ridder, omdat ik een ridder ben. U heeft uw haar geblondeerd. Is dat kinderachtig?

WILDERS: Het lijkt wel of alles wat u zegt tussen aanhalingstekens staat. Alsof iemand anders het zegt, alsof u een tweede ik citeert die u zaken influistert die u zelf niet gelooft. Maar het kan ook zijn dat die aanhalingstekens aantonen dat u een hogere vorm van ironie bedrijft, waarbij dan het ironische van de ironie is dat u verstrikt bent geraakt in een net van paradoxen.

Breivik haalt weer een foto van zichzelf uit zijn binnenzak. Hij toont die aan Wilders. Ook deze foto wordt aan het publiek getoond.

BREIVIK: Kijk, dit ben ik als militair. Ik ben destijds afgekeurd voor militaire dienst, maar ik train hard om een goed figuur te krijgen.

WILDERS: U moet een enorme verkleedkist hebben.

BREIVIK: Ik weet dat u zo denkt. Sommige vrienden van me denken ook dat ik homo ben, omdat ik op mijn 21ste mijn kin en voorhoofd met plastische chirurgie heb gecorrigeerd…

WILDERS: Allemaal onderscheidingen, zie ik.

BREIVIK: Gekocht via internet. En laten maken. In India.

WILDERS (schrikt): U bent een nazi! Ik zie een hakenkruis.

BREIVIK: Ik ben als u, weet u wel. Ik ben geen nazi. U ziet hier inderdaad een schedel die doorkliefd wordt door een zwaard – het symbool der tempeliers, en op die schedel ziet u de symbolen van de islam, het communisme en het nazisme. Ik bestrijd dus het nazisme, het communisme en de islam. Kost negentig dollar om te laten maken.

WILDERS: Nee, dank u. Ik hoef er geen.

Wilders geeft de foto’s terug.

WILDERS: Een ridder, een militair. Heeft u een leger, mijnheer Breivik?

BREIVIK: Nee, mijnheer Wilders.

WILDERS: U bent alleen?

BREIVIK: Ja.

WILDERS: Vrouw?

BREIVIK: Nee.

WILDERS: Vriend?

BREIVIK: Nee, ik ben geen homo.

WILDERS: Ouders?

BREIVIK: Hoezo, denkt u dat ik van een andere planeet kom?

WILDERS: Nee… Maar misschien denkt u dat.

BREIVIK: Mijn vader was een diplomaat, mijn moeder een verpleegster.

WILDERS: Bent u dan gewoon eenzaam?

BREIVIK: Gewoon eenzaam ben ik niet. Ik ben gewoon alleen.

WILDERS: Hoe ver bent u bereid te gaan, mijnheer Breivik?

BREIVIK: Als burger, als Noor en als Europeaan hoop ik mijn bijdrage aan deze samenleving te kunnen geven. Naar beste vermogen.

WILDERS: Als dat het achterste van uw tong is, heeft u een klein tongetje. Wat betekent: naar beste vermogen? Wilt u alle moslims ombrengen? Als u alleen bent en geen leger heeft, is dat een dagtaak, kan ik u zeggen, want er zijn er nogal veel. En als u ja zegt, moet ik helaas de politie bellen. En dan is het van: ga niet langs af, maar meteen naar het gekkenhuis.

BREIVIK: Zo dom ben ik niet, mijnheer Wilders. En als ik dat zou doen, zou ik dat aan niemand zeggen. Zelfs niet aan u, zelfs niet aan mijn beste vrienden.

WILDERS: Maar u heeft zo’n verkleedkist niet voor niets.

BREIVIK: U bent politicus, ik ridder en militair.

WILDERS: En ik sla u tot prins carnaval. Nogmaals: hoe ver bent u bereid te gaan?

BREIVIK: Ik ben alleen.

WILDERS: Wat bedoelt u daarmee?

BREIVIK: U kunt wat doen, ik niet… ik ben alleen.

WILDERS: Laat ik de vraag dan anders stellen. Wat zou u doen als u mij was?

BREIVIK: Wat deed Nederland met de verraders uit de Tweede Wereldoorlog, ik geloof dat u ze nsb’ers noemt, de fascisten, de nazi’s?

WILDERS: Enkelen hebben we terechtgesteld. Na een eerlijk proces!

BREIVIK: Precies. Maar ze waren nazi. Fascisten. Dat hebben wij in Noorwegen ook gedaan. Wij hebben de fascisten na de Tweede Oorlog na een eerlijk proces terechtgesteld.

WILDERS: Wat wilt u zeggen?

BREIVIK: U vindt de islam een fascistische ideologie. U hebt gelijk. Het zijn fascisten. U kunt dat hard maken. Ik zou zeggen: we mogen ze oppakken, een eerlijk proces geven en ze terechtstellen.

WILDERS: U bent gek!

BREIVIK: Gekte, krankzinnigheid, psychoses, dat zijn luxeartikelen, mijnheer Wilders.

WILDERS: Luxeartikelen?

BREIVIK: Ja! Gekte, krankzinnigheid, psychoses… Als je ze hebt, wordt veel je vergeven. Een stoornis is de duivel aan wie je je verantwoordelijkheid hebt verkocht.

WILDERS: Je blijft verantwoordelijk voor je daden.

BREIVIK: Maar niet als je een stoornis hebt. Toch? Niet volgens de rechter. Voor schuld, zware schuld, moet je tegenwoordig bij je volle verstand zijn, mijnheer Wilders.

WILDERS: Bent u dat, mijnheer Breivik?

BREIVIK: Alleen als ik gek zou zijn, zou ik zeggen dat ik bij mijn volle verstand ben… denk ik wel eens.

WILDERS: U beantwoordt mijn vraag niet!

BREIVIK: Kan een mens schuldig zijn als hij de vrede helpt te bevorderen, mijnheer Wilders?

WILDERS: Weer zo’n uitspraak… U bedoelt, we maken één dode om er tien te redden?

BREIVIK: Zoiets. Ik vraag u hoe erg het is om echte fascisten op te pakken. Fascisten die moorden! Fascisten die ons willen vermoorden!

WILDERS: U denkt tamelijk lichtvoetig over geweld. Dat zint me niet.

BREIVIK: Denk ik lichtvoetig over geweld? Theo van Gogh is toch geliquideerd? Waren er geen brieven op zijn borst geprikt die pleitten voor de vlag van de Tawheed op uw parlementsgebouw? En waren de messen in de borst van Van Gogh niet bedoeld voor Ayaan Hirsi Ali? Die moest ook vermoord worden.

WILDERS: Het werk van een godsdienstwaanzinnige. U wilt de rechtsstaat omverwerpen.

BREIVIK: De moord op Theo van Gogh het werk van een godsdienstwaanzinnige? Het was het werk, hebben we samen geconstateerd, van een soldaat. Een godsdienstwaanzinnige soldaat misschien, maar van een soldaat. En integendeel, ik wil de rechtsstaat redden. (met nadruk) Redden! Wie wil nu precies de rechtsstaat omverwerpen, mijnheer Wilders? Wie wordt er elke dag met de dood bedreigd? U toch? U wordt bedreigd door mensen die de rechtsstaat omver willen werpen. Islamieten. Door mensen die een fascistische ideologie aanhangen. De islam. Er zijn in uw land een miljoen mensen die die fascistische ideologie aanhangen. Dus een miljoen mensen willen de rechtsstaat omverwerpen. En een deel daarvan wil u ombrengen, zonder proces, kan ik u vertellen. Ze willen u neerschieten, kelen, uw strot doorsnijden. Herinnert u zich Theo van Gogh? Als u vraagt hoe ver ik wil gaan, dan wil ik net zo ver gaan als de rechters in een rechtsstaat als Nederland na de Tweede Wereldoorlog die uw fascisten hebben berecht.

WILDERS: U redeneert als de Nederlandse sociaal-democraat Marcel van Dam. Hij zei: ik pas in mijn jas, mijn jas past in de prullenbak. Ik pas in de prullenbak.

BREIVIK: Ik ben geen sociaal-democraat zoals u donders goed weet, en die Marcel van Dam moet een heel domme man zijn.

WILDERS: Dat is juist. Maar zomaar islamieten oppakken gaat zelfs mij te ver, mijnheer Breivik. Al zijn het allemaal soldaten. (beat) U moet weg. Ik wil niet verder met u praten. (tegen Jacob:) Jacob, ik wil dat mijnheer Breivik vertrekt.

BREIVIK: Ik begrijp dat ik in een prullenbak zit, maar zegt u dan, voordat ik vertrek, waarin ik ongelijk heb.

Wilders denkt na. Jacob staat tussen Breivik en Wilders in.

WILDERS: Moslims zomaar oppakken die niets gedaan hebben, hoort niet in een rechtsstaat.

BREIVIK: Het zijn fascisten. Natuurlijk. Er zijn heel aardige fascisten geweest. Heel aardige nazi’s. Heel lieve aardige nazi’s, sommigen gaven pepermuntjes aan joodse kindertjes, maar toch wilden die de joden aan het gas hebben, mijnheer Wilders.

WILDERS: Men mag denken wat men wil, vinden wat men wil. Dat heet vrijheid. Men mag niet doen wat men wil. Er zijn wetten. En vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog gaan mank.

BREIVIK: Ik moet nu weer denken aan uw minister… zijn naam schiet me opeens te binnen, hij heet Donner… die het mogelijk achtte dat wanneer een meerderheid het zou willen de sharia ingevoerd zou kunnen worden. Het is weer bijna 1933, mijnheer Wilders. Eurabië komt eraan. Op democratische wijze zal de democratie omvergeworpen worden, omdat wij beschaafd zijn, en zij niet. (zucht) We hebben al verloren…

WILDERS: Verloren?

Breivik maakt aanstalten om weg te gaan.

BREIVIK: Jazeker, maar ik ben een optimist. (tegen Jacob:) Bent u een gelovig mens?

WILDERS (tegen Jacob): Je hoeft niet te antwoorden, Jacob. Het mag wel.

JACOB: Ik ben een gelovig mens.

BREIVIK (tegen Ezau): En u?

EZAU: Ik ook.

BREIVIK: En u, mijnheer Wilders?

WILDERS: Ik ben geen gelovig mens, mijnheer Breivik. En u?

BREIVIK: Ik ben christen. Ik geloof in het christendom, ik geloof in de christelijke cultuur. Ik geloof dat die tot het uiterste verdedigd moet worden, maar ik geloof, denk ik, niet in God.

WILDERS: U bent christen en u gelooft, denkt u, niet in God?

BREIVIK: Ik ben voor een volstrekt seculiere staat, maar ik weet niet of God bestaat of niet. Ik kan en wil alleen maar logisch denken, en dan bestaat HIJ niet.

WILDERS: De logica staat elk geloof in de weg. (tegen zichzelf:) En volgens mij staat de logica ook elk geloof in een ideologie in de weg.

BREIVIK: En de logica staat ook de moraal in de weg… Die bestaat dan ook niet… Maar weet u dat ik vaak droom van een Armageddon? Of van Ragnarok, zoals wij Noren daarnaar verwijzen? Waar het lot van de heersende machten werd beslist, de eindstrijd van reuzen en goden.

WILDERS: Dat komt misschien door die verkleedkleren. U komt in uw dromen als ridder misschien een vuurspuwende draak tegen. Of zo’n reus.

BREIVIK: Ik droom vaak over de totale vernietiging. Armageddon was een plek waar de bokken van de schapen werden gescheiden, waar het goede het slechte versloeg. Een verzoening van de dood en met de dood.

WILDERS: Ik kan u niet volgen.

BREIVIK: Denkt u nooit aan de dood, mijnheer Wilders?

WILDERS: Ik heb altijd zes beveiligers, mijnheer Breivik, omdat de dood altijd in de buurt is.

BREIVIK: Het Armageddon zuivert. Het scheidt een goede moraal van een slechte.

WILDERS: Ik wil graag dat u weggaat, mijnheer Breivik. Ik wil nog wat werken. Aan een goede moraal. En om een Armageddon te voorkomen.

BREIVIK: Aan wat voor leven bent u eigenlijk gehecht, mijnheer Wilders?

WILDERS: Niet aan dit, hoewel mijn beveiligers vrienden zijn geworden. Ik had liever dat mijn vrienden geen beveiligers waren, maar misschien wel mensen zoals u.

Ezau hoort iets in zijn oortje.

EZAU: Het spijt me, mijnheer Wilders, er is iemand gesignaleerd die mogelijk kwade bedoelingen heeft. Deze deur moet gesloten blijven.

WILDERS: Geen Armageddon, maar wel een hel.

BREIVIK: De hel, dat zijn de moslims, de cultureel marxisten, de fascisten; de politiek correcten, de linksen, of zij die afzien van hun martelaarschap. De hel, dat zijn wij voor hen, mijnheer Wilders. Wij worden de anderen. We zijn het al. We hebben al verloren.

WILDERS: En waarom dan wel?

BREIVIK: Hoe hoger de beschaving van de mens, hoe zwakker hij wordt. Na de beschaafde Grieken kwamen de onbeschaafde Romeinen. Toen die na een paar honderd jaar beschaafd waren, kwamen de duistere Middeleeuwen. Dat duurde duizend jaar. Toen kwam pas de Verlichting. Het spijt me, de nieuwe Middeleeuwen staan daar – achter de deur – en zullen weer een paar honderd jaar duren!

WILDERS: U droomde van een Armageddon. Begreep ik dat?

BREIVIK: Dat klopt…In mijn droom zei ik: als andere mensen konden doen wat ik ga doen, zou ik ervan afzien… Ik zat op dat moment gevangen in een brandend ruimteschip dat losgeslagen is. En als je ziet dat het schip brandt, dan ga je geen spaghetti koken. Je vindt het niet prettig om het vuur te blussen, maar het is je plicht. De bemanning blust het vuur niet. Ze zijn aangetast door een zeldzaam virus dat hun rationele denken heeft geïnfecteerd. Je zult alles doen om het vuur te doven, zelfs al wil men je ervan weerhouden. Al het andere zou niet logisch zijn.

WILDERS: Was dit een nachtmerrie, mijnheer Breivik?

BREIVIK (lange pauze): Nee, mijnheer Wilders.

WILDERS: Hoe werd u dan wakker?

BREIVIK: Zwetend… Badend in het zweet. Ik had, zo leek het, het kwaad ontmoet.

WILDERS: Wat is het kwaad, of wie was het kwaad? Of was het weer een draak of een reus in Ragnarok?

BREIVIK: Het was de volstrekte willekeur van het kwaad, waarvan ik droomde. Volstrekte willekeur. Vliegtuigen die zomaar op een onbekend moment in de Twin Towers vliegen, een gordelbom die een Palestijns meisje op een joodse bruiloft in Tel Aviv laat afgaan. De moord op een filmregisseur die op zijn fiets zit en zijn zoontje van school moet halen. De moordaanslag op een cartoonist. Willekeur. Dat is het kwaad.

WILDERS: Hoe ver bent u bereid te gaan, mijnheer Breivik?

BREIVIK: Ik zal ook geen moslims doden, mijnheer Wilders.

WILDERS: Ik zou u verraden als u dat zou doen.

BREIVIK: Ik u niet, als u het mij zou zeggen. (geërgerd) Maar ik weet niet wat u nu wilt. U bent zo bang voor de dood, dat vind ik minder aan u.

WILDERS: Ik vind mezelf dan ook intelligenter dan die Palestijnse soldaten en de al-Qaeda-strijders die zelfmoord een gezellig gezelschapsspel vinden.

BREIVIK: Maar vindt u dan niet dat sterven voor een goed idee recht doet aan het leven? Dat het een zinvol offer is?

WILDERS: Ik ben geen filosoof, geen soldaat, en ik weet weer niet wat u nu beoogt. Als u dat denkt, leidt dat alleen maar tot zinloze moorden, zinloze suïcide.

BREIVIK: Zoals ik zei: dat zullen de soldaten en de verzetsstrijders die uw land in de Tweede Wereldoorlog hebben geholpen u niet in dank afnemen.

WILDERS: Hoe komt u daarbij?

BREIVIK: Ze hebben hun leven gegeven voor een idee. Het vrije ­Westen. In ieder geval hebben hun nabestaanden daardoor iets van ­innerlijke vrede kunnen krijgen. Ze hebben een zinvol offer gebracht. Dat herdenken we toch op dodenherdenking en bij onze monumenten?

WILDERS: Ik wil het ideaal van de islam ombrengen, niet de mensen. Dat is iets anders.

BREIVIK: Semantiek… Maar goed. Ik dacht dat we hetzelfde waren, mijnheer Wilders. We verschillen van elkaar.

WILDERS: Ik bedrijf politiek. U speelt riddertje en soldaatje.

BREIVIK: Ik ben een ridder en een soldaat.

WILDERS: En u vreest de dood niet. Maar doodt geen moslims. Zei u toch?

BREIVIK: Juist… Maar u maakt met uw woorden nu een moordenaar van mij.

WILDERS: Waarom zou u eigenlijk geen moslims doden, mijnheer Breivik? Ze zijn toch schuldig aan het verval van onze beschaving? Dat beweert u zelf.

BREIVIK: Moslims zijn misschien onbenullig, mijnheer Wilders. Misschien zelfs wel gevaarlijk. Hun ideologie is een virus. Maar je kunt het een virus niet verwijten dat het een patiënt zoekt.

WILDERS: Een vreemde metafoor, mijnheer Breivik. Als u een ridder en een soldaat bent, zoals u zelf zegt, waarom zou u dan geen moslims willen vermoorden?

BREIVIK: Als ik geen moslims vermoord, doet u voorkomen dat ik onschuldigen zou willen ombrengen.

WILDERS: U zult waarschijnlijk zeggen dat niemand onschuldig is. De Bush-doctrine: wie niet voor mij is, is tegen mij. U heeft, vind ik, ook iets van een dominee die zegt dat schuld in het dna van de mens zit.

BREIVIK: Ik zie die kinderen voor mij die Hamas als schild gebruikte tegen het Israëlische leger. Hun eigen kinderen.

WILDERS: Iets walgelijkers kon ik mij inderdaad niet voorstellen.

BREIVIK: Die Hamas-strijders zijn geen mensen, maar monsters.

WILDERS: Daar ben ik het mee eens. Die kinderen zijn onschuldig.

BREIVIK: Precies, maar hun ouders niet!

WILDERS: Zeker niet. Ik heb er moreel geen bezwaren tegen wanneer de ouders die toestaan dat hun kinderen als schild worden gebruikt, omgebracht zouden worden.

BREIVIK: Inderdaad… Walgelijk… Die ouders maakten die kinderen schuldig!

WILDERS: Kinderen zijn altijd onschuldig.

BREIVIK: Zeker, maar, nogmaals, hun ouders niet. Die ouders zouden gestraft moeten worden.

WILDERS: Wat heeft dat voor zin?

BREIVIK: Geen.

WILDERS: Maar u zou die ouders wel willen straffen?

BREIVIK: Natuurlijk. Alles begint in het huisgezin, bij de ouders.

WILDERS: Je kunt kinderen hun ouders niet afpakken.

BREIVIK: Kon dat maar. Maar het zijn die ouders die de kinderen angst aanjagen, angst voor Israël, angst voor het kapitalisme, voor Amerika, angst voor het Westen. De kinderen wordt een groot Stockholmsyndroom aangepraat. En die kinderen worden journalist, links, sociaal-democraat en staan achter de Palestijnen en Hamas en zijn tegen Israël.

WILDERS: U bedoelt dat de kinderen zich identificeren met hun onderdrukkers?

BREIVIK: Het zal niet lang meer duren of men zal applaudisseren voor een moslim die trots vertelt dat hij moslim is, maar geen geweld gebruikt. Zo erg is het al.

WILDERS (berustend): In mijn land zouden ze nu zeggen: de toon van het debat staat mij niet aan.

Ezau hoort iets in zijn oortje.

EZAU: Ze hebben iemand gearresteerd…

WILDERS: Wie?

EZAU: Een jongen die tegen Israël tekeerging. Hij verbrandde de Israëlische vlag.

BREIVIK: De pers zal begrip voor hem hebben.

WILDERS: Ik vrees dat ons gesprek helaas afgelopen moet zijn, mijnheer Breivik.

BREIVIK: Met de trieste constatering dat we gelijk denken, gelijk ­oordelen, gelijk analyseren, gelijk voelen maar verschillend handelen.

WILDERS: Ieder zijn eigen verantwoordelijkheden. U bent een ­ridder, een militair, ik een politicus. En nogmaals, voor het geval u wel een journalist blijkt te zijn: ik geloof in de democratie. De democratie die u beschermt en mij beschermt. De democratie die althans een poging doet om het beste argument te laten prevaleren, al geef ik toe dat, vooral in Nederland, naar goede argumenten nauwelijks wordt geluisterd. Maar de meerderheid maakt dat uit, en ik wil me daarin schikken.

BREIVIK: Ik ga in vrede, mijnheer Wilders. De argumenten van de meerderheid… (maakt zijn zin niet af, maar herhaalt) De argumenten van de meerderheid… die… De meerderheid… (nerveus) De argumenten van de meerderheid… de meerderheid, niet alleen de moslims, maar ook… (maakt wegwerpgebaar) de meerderheid… die zullen u straks….

Breivik geeft Wilders een hand. En knielt weer. Hij gaat vertrekken.

Jacob hoort ook iets in zijn oor.

JACOB: We kunnen het vliegtuig in.

BREIVIK: Vindt u mij een gek, mijnheer Wilders?

WILDERS: Ik weet het niet, misschien bent u wel een amateurtoneelspeler. Gekte is een luxe, zei u zelf. Ik weet niet of u zich die luxe kunt permitteren.

BREIVIK: Ik heb in mijn verkleedkist, zoals u dat noemt, misschien nog wel een paar pakken.

WILDERS: Zoals?

BREIVIK: Het pak van een politicus, een politieagent, een marinier, een Viking, een boer, een schrijver…

WILDERS: En waarom heeft u al die mooie kostuums?

BREIVIK: Om me in te verbergen, mijnheer Wilders. Omdat ik die rollen ben. Inderdaad, ik ben een amateurtoneelspeler, maar ik wil niet in de schouwburg staan maar de schouwburg veranderen.

WILDERS: Ik snap u niet, ondanks het feit dat we gelijk zijn… Het spijt me…

JACOB: We moeten vertrekken.

Breivik maakt een buiging en gaat weg. Wilders, Ezau en Jacob zijn alleen. Wilders loopt even geïrriteerd heen en weer. Nadenkend. Dan opeens:

WILDERS: Was hij nou gek of niet?

BEELDEN van de MOORDPARTIJ van Breivik. Liefst vertraagd en met muziek van Ane Brun – The Puzzle.

Het licht blijft aan en enkel gericht op Wilders. Tot de beelden zijn afgelopen. Muziek stopt eveneens.

Dan nog even het licht op Wilders – zo lang mogelijk.

DOEK

EINDE


Theodor Holman schreef Breivik ontmoet Wilders in opdracht van de Balie.

De staged reading van het stuk vindt plaats in de Balie, Kleine Gartmanplantsoen 10 in Amsterdam.

Donderdag 22 maart première, 20.00 uur

Zondag 25 maart, 15.00 uur en 20.00 uur

Thijs Römer leest Anders Breivik en Hugo Koolschijn leest Geert Wilders.

Regieaanwijzingen: Titus Muizelaar.

Zie verder: www.debalie.nl