De slag om de teleburger

Brekend en ontbrekend nieuws

Nooit eerder hadden journalisten zo’n uitgelezen positie om gevechten te registreren als nu in Irak, benadrukt het Pentagon. Een ode aan de persvrijheid, zo lijkt het. Maar de delicate mix van militaire en zelfcensuur heeft de televisieoorlog teruggebracht tot een verzameling bloedeloze salvo’s.

Westerse televisiekijkers worden schokkende beelden onthouden. Ook de taal is verhullend. Het massaal bombarderen van Iraakse troepen heet «het zacht maken van de verdediging», het kapotschieten van gebouwen waarin snipers worden vermoed, heet «veiligstellen». Tv-verslaggevers van CNN en BBC, de toonaangevende zenders met de meeste frontlijnverslaggevers, nemen zonder blikken of blozen dit militaire taalgebruik over.

De zogenaamde «embedded journalists», voornamelijk Britten en Amerikanen die meereizen met fronteenheden, richten hun camera’s van heel dichtbij op vuurgevechten, maar wat die aanrichten wordt niet getoond. Beelden van gesneuvelden worden niet uitgezonden, en op gewonden wordt niet ingezoomd. Burgerslachtoffers die vallen bij de bombardementen op Bagdad, Basra, Mosoel en Kirkoek zijn op BBC en CNN nagenoeg onzichtbaar. Veel kijkers willen dat deze volgens volkenrechtdeskundigen illegale oorlog «zo snel en bloedeloos mogelijk» voorbijgaat. Ze worden door het Pentagon, de BBC en CNN op hun wenken bediend.

Wie de website van al-Jazira bezoekt, krijgt de gevolgen van het geweld wél voor de kiezen. De Arabische zender toont beelden van bruut gedode Irakezen in uniform, met bebloede gezichten. Bij één van hen is de neus weggeslagen. Ook burgerslachtoffers worden in beeld gebracht: verminkte lijken gewikkeld in dekens; beelden van een jongetje, van dichtbij genomen, wiens schedeldak is verdwenen. Wat op de site te zien is, vormt slechts een klein deel van wat de zender in het Midden-Oosten en via de satelliet uitzendt, daaronder opnamen van Amerikaanse krijgsgevangenen, die in de VS werden geboycot. Ook al-Jazira bedient zijn publiek. Uit straatinterviews in Cairo bleek hoezeer de kijkers ervan smulden om eindelijk eens machteloze Amerikanen te zien.

CNN doet weinig om onwelgevallig nieuws aan de Amerikaanse kijkers te melden. Vooral de successen van de oorlog worden in beeld gebracht, en de menslievendheid van de troepen: Amerikaanse artsen behandelen Irakese gewonden. Toen de «Coalitietroepen» (die door al-Jazira en andere Arabische media «invasie-eenheden» worden genoemd) op zware tegenstand stuitten in Basra, Umm Qasr en Nasiriyah, berichtte de zender daar pas over toen men er niet meer omheen kon. De front linieverslaggevers hielden zich opvallend stil. De enthousiaste CNN-verslaggever die aanvankelijk vol geestdrift berichtte over de «onstuitbare opmars» van de Amerikaanse Zevende Cavaleriedivisie, en «zijn» eenheid portretteerde als gepantserde cowboys bewapend met 122-millimeterkanonnen, deed de gevechten af als onbetekenend. Pas op de vijfde oorlogsdag meldde CNN dat in Nasiriyah zeker tien mariniers waren gesneuveld en zestien werden vermist. Een dag later meldde de zender haast beschroomd dat het Amerikaanse dodental was verdubbeld.

De BBC meldde tot tweemaal toe via zijn door het leger ingekapselde journalisten dat Basra was heroverd. De eerste keer zou zelfs sprake zijn van juichende mensenmassa’s. Het was al-Jazira dat toonde dat de Britse troepen vanuit het centrum met artillerie werden bestookt. Pas toen ging de BBC op onderzoek uit, en meldde een verontwaardigde embedded verslaggeefster dat ze «zojuist had ontdekt dat er al dagenlang zware gevechten in de stad aan de gang waren». Het achterhouden van dergelijke berichten door de legerleiding was volgens haar «een deel van de psychologische oorlogvoering», waar ze duidelijk meer dan genoeg van had.

Zowel CNN als de BBC knipte op een cruciaal punt in de footage van een nachtelijk vuurgevecht. De groenige beelden tonen paniek bij de Amerikanen. Met een zwaar machinegeweer schieten ze onophoudelijk op een dichtbijgelegen huis dat in brand staat. Mariniers drukken zich tegen de muur van het gebouw. Daar stopten CNN en BBC de band. De gillende, brandende man die van het huis weg rent (niet duidelijk is of het een Amerikaan of een Irakees betreft), werd door beide zenders niet uitgezonden. Wel door RTL5. Wie het ruwe materiaal bekijkt dat Reuters de zenders aanlevert, en dat vooralsnog gratis op zijn website staat, ziet meer opvallende hiaten in de berichtgeving. Op een discrete manier zijn wel degelijk gedode Iraakse soldaten gefilmd, maar CNN deed daar niets mee, en de BBC zond de beelden pas midden in de nacht uit. Zo blijft de oorlog een hoog A Team-gehalte houden.

Inmiddels heeft de BBC de term «guerrilla-oorlogvoering» geïntroduceerd, maar nog op de zesde oorlogsdag repte CNN slechts van «verzetshaarden». Verwijzen naar een guerrillaoorlog zou te veel doen denken aan het debacle in Vietnam. Maandagnacht meldden verschillende bronnen een tegenaanval van Iraakse troepen op het vliegveld van Basra. CNN en BBC, met hun verslaggevers ter plaatse, zwegen.

De laatste dagen zijn verscheidene journalisten gedood. Bij het ter perse gaan van deze krant waren dat er drie, en werden twee anderen vermist. Het betrof journalisten die onafhankelijk opereerden. Het Pentagon waarschuwde dat ze dat deden op eigen risico. Dat bleek: de zeer ervaren verslaggever Terry Loyd van het Britse ITN (en zeer waarschijnlijk twee anderen van zijn team) werd gedood door Brits vuur. In een zeldzaam vertoon van solidariteit met onafhankelijke collega’s interviewde CNN-anchor Jim Clansy ITN-cameraman Daniel Demoustier, die aan de dood was ontsnapt. Clansy vroeg hem wat onafhankelijke journalisten dreef. «Het echte verhaal móet gebracht worden», antwoordde Demoustier, «militaire informatie is niet te vertrouwen, die strookt vaak niet met de waarheid.» «Het is het verhaal waarvan ze graag zouden willen dat het de waarheid was», voegde Clansy daar begripvol aan toe. Veel CNN-items worden eindeloos herhaald, het korte interview met Demoustier werd slechts één keer uitgezonden.

Vanaf de vierde oorlogsdag berichtten BBC en CNN steeds vaker over Iraakse menselijke schilden. De CNN-correspondent bij de Amerikaanse tankeenheden claimde zonder beeldmateriaal dat zij werden aangevallen, terwijl ze vriendelijk werden toegezwaaid door Iraakse burgers. Een dag later verkondigde de BBC dat Britse troepen in Basra werden bestookt door strijders in burger. Opnieuw geen beeld. Later die dag interviewde CNN een vermoeide mariniersofficier in Umm Qasr die in de veronderstelling verkeerde dat de Irakezen die zijn eenheid zojuist hadden beschoten zich wilden overgeven. Hij zag toch duidelijk een witte vlag. Ver weg in beeld verschenen figuurtjes waarvan er één inderdaad iets wits meevoerde. Ze renden weg. «Zo gaat het nou de hele tijd», vertelde de officier, «eerst beschieten ze ons, dan komen ze naar buiten met een witte vlag en rennen ze weg, zodat ze ons straks weer kunnen bestoken vanuit een andere positie. Het begint knap frustrerend te worden.» Recht in de camera voegde de CNN-correspondent te velde daaraan toe: «Er zijn hier mensen die zeggen: ‹We moeten onszelf beschermen en de vuurkracht gebruiken die we hebben. Laten we dan maar accepteren dat er burgerslachtoffers vallen.›» Later die nacht meldde de BBC dat de troepen «hun strategie zullen wijzigen». Middels senior White House correspondent John King liet CNN weten dat in Washington «een debat» gaande was «over de vraag of de Amerikaanse tactiek niet zózeer is gericht op het voorkomen van burgerslachtoffers dat het US servicemen in gevaar brengt». De volgende ochtend werd Basra tot een «legitiem militair doel verklaard», ondanks de waarschuwingen van de Verenigde Naties dat in de stad met anderhalf miljoen inwoners een humanitaire ramp dreigde.

Het lijkt erop dat de kijkers van beide zenders worden voorbereid op de ongewisse gevolgen van een asymmetrische, guerilla-achtige strijd. Het zijn doorgaans burgers die daar het meest onder lijden. De eerste vijf oorlogsdagen doen vermoeden dat het voor CNN en de BBC moeilijk zal worden om dat accuraat in beeld te brengen.