Ger Groot

Brels apen

Frans heb ik grotendeels geleerd dankzij Jacques Brel. Ergens rond mijn vijftiende moet er een lp in mijn handen zijn gevallen met een liveopname van een concert van hem, opgenomen in l’Olympia. Opvallend is de gedisciplineerde uitzinnigheid van het publiek, dat na ieder lied uitbarst in een extatisch klappen, roepen, schreeuwen en stampen, maar direct weer stil is wanneer het volgende beginakkoord weerklinkt.

Hier stond niet alleen de belichaming van het Franse lied op het toneel, maar ook een performer die tijdens het zingen zijn lied werd. Hij fluisterde, snikte, vloekte en schreeuwde op zijn beurt, want hij had iets op zijn lever.

Wat dat was, bleef me aanvankelijk een raadsel. Slechts langzaam begonnen er in de beurtelings gedreven en bewogen woorden plekjes op te lichten van begrip. Vermoedelijk het eerst in het aangrijpende Ne me quitte pas, dat door Nederlandse cabaretiers nog niet geridiculiseerd was en waarvan ik pas veel later zou begrijpen met welk een snijdende zelfvernedering het de vinger legde op de wonde van de liefde.

En dan was er het brede Quand on n’a que l’amour, met de lokkende belofte van een arm maar groots vie de Bohème dat ik mij misschien toen voor het eerst in Parijs begon voor te stellen. De mooie Madeleine uit het gelijknamige chanson liet avond aan avond de zanger een blauwtje lopen, maar sloeg hem nimmer uit het veld – want er was altijd weer een volgende dag. Te weinig realiseerde ik mij Brels Brusselse afkomst om te begrijpen dat dat (met de belofte van frites chez Eugène en het voorbijrijden van de laatste tram 33) zich nooit in Parijs had kunnen afspelen.

En gaandeweg begonnen ook de moeilijkere, grimmigere teksten door te dringen. Les bourgeois, dat ik Brel pas vele jaren later zou horen zingen in de Nederlandse vertaling van Ernst van Altena, spuugde de haat tegen dit burgerlijke ‘zwijnenspul’ de zaal in. Dat waren in dit lied de archetypische notabelen die hun kaartje kwamen leggen in hotel ‘De goudfazant’: Plus ça devient vieux plus ça devient bête. Het was, in die nadagen van mei ’68, de volmaakte uitdrukking van de nieuwe geest. Er zou een spoedig einde komen aan de benepenheid, gezagsgetrouwheid en welvaartsverslaving die mijn generatie de oudere zo onrechtvaardig verweet.

Maar de grootste verrassing kwam in het moeilijkste lied. Les singes gaat niet over apen maar over de mensen die daaruit geworden zijn. Onbeschaamd rousseauïstisch is dit chanson, dat beschaving kortweg gelijkstelt met wreedheid, onderdrukking, zondebesef en gevangenschap. Ooit, zo begint het alsof het nog maar net gelezen heeft dat ‘de mens vrij wordt geboren, maar overal in ketenen ligt’, waren wij vrij: de bloem, de vogel en wijzelf. Maar zij zijn gekomen, de bloem is gepot, de vogel gekooid en wij van een nummer voorzien.

‘Zij’ zijn de kooplieden, de militairen, de regeringsleiders, de censoren en de prelaten. De liefde werd een zonde en een affaire, ‘anderen’ waren er om jacht op te maken, tongen om te worden afgesneden. De gaskamer verscheen, de elektrische stoel, de atoom- en de napalmbom – lors qu’ils sont civilisés / Les singes de mon quartier.

In l’Olympia is Les singes het lied waarop het publiek het uitzinnigst reageert. Het stampt en brult na ieder refrein, alsof het daar op het toneel zijn eigen haat en ontsteltenis hoort uitgezongen. Wie de opname beluistert, zou het niet hebben verbaasd wanneer het – net als in 1830 bij Aubers La muette de Portici in de Brusselse Munt – de straat op was gestroomd om stante pede een bevrijdingsstrijd te beginnen.

Dat zou in Parijs nog een kleine zeven jaar duren. Want Brels concert vond plaats in oktober 1961. De roemruchte sixties waren nog niet eens werkelijk begonnen – maar die avond murmureerde mei ’68 al hoorbaar rond. De fluwelen revolutie van Nanterre en het Quartier Latin kwam van onverwacht ver – en zou onverwacht ver reiken.

Want Brel blijkt nóg visionairder dan zelfs zijn grootste bewonderaars in die zaal konden vermoeden. Les bourgeois eindigt met een anticlimax. Het jonge vriendengroepje dat de gezeten burgers schimpt en scheldt, strijkt ten slotte – inmiddels zélf notaris of hoogleraar – neer in de chique ‘Goudfazant’.

Het is niet meer ’68 dat hier aangekondigd wordt, maar daaroverheen dezelfde generatie – die inmiddels die van de babyboomers is gaan heten en het op zijn minst niet beter heeft gedaan. Ook voor dat slot applaudisseerde het publiek in l’Olympia nog enthousiast – maar met een onthutsing die ik bijna meen te kunnen horen.