Hoe ver reikt de macht van de bezetter?

Breng Halliburton terug

Zeg de contracten op. Verbreek de verdragen. Verscheur de reglementen — dat zijn suggesties voor slogans die de groeiende beweging tegen de bezetting van Irak kunnen helpen verenigen. Tot nu toe gingen de debatten van activisten over de vraag of de volledige terugtrekking van troepen geëist moet worden, of de machtsoverdracht door de Verenigde Staten aan de Verenigde Naties.

Maar het «troepen weg»-debat ziet iets belangrijks over het hoofd. Als alle soldaten morgen uit de Golf vertrokken en er een soevereine regering aan de macht kwam, zou Irak nog steeds bezet zijn: door wetten die zijn opgesteld in het belang van een ander land, door buitenlandse bedrijven die de essentiële voorzieningen van het land controleren, door zeventig procent werkloosheid.

Elke beweging die ernst maakt met zelfbeschikking van Irak moet niet alleen oproepen tot een einde van de militaire bezetting van Irak, maar ook tot de economische kolonisatie van het land. Dat betekent het omdraaien van de shocktherapie-hervormingen die de baas van de Amerikaanse bezetting Paul Bremer valselijk laat doorgaan voor «wederopbouw», en het afzeggen van alle privatiseringscontracten die voortvloeien uit deze hervormingen.

Hoe kan zo’n ambitieus doel worden bereikt? Simpel: door te tonen dat Bremers hervormingen sowieso al onwettig waren. Ze schenden het internationale verdrag over het gedrag van bezettingsmachten, het Verdrag van Den Haag uit 1907 (de metgezel van de Geneefse Conventies uit 1949, beide geratificeerd door de VS), en de eigen oorlogscode van het Amerikaanse leger.

Het Haagse protocol stelt dat een bezettingsmacht «tenzij absoluut verhinderd, de wetten die van kracht zijn in het land» moet respecteren. De Coalition Provisional Authority heeft dat simpele voorschrift met opgewekte recalcitrantie aan zijn laars gelapt. De grondwet van Irak verbiedt de privatisering van essentiële staats eigendommen, en maakt het buitenlanders onmogelijk Iraakse bedrijven te bezitten. Er kan niet in redelijkheid worden beweerd dat de CPA «absoluut verhinderd» was die wetten te respecteren, maar toch negeerde de CPA ze twee maanden terug unilateraal.

Op 19 september vaardigde Bremer de nu zo beruchte Order 39 uit. Die kondigde aan dat tweehonderd Iraakse staats bedrijven zouden worden geprivatiseerd; verordonneerde dat buitenlandse firma’s honderd procent eigenaar van Iraakse banken, mijnen en fabrieken kunnen worden, en maakte het die bedrijven mogelijk honderd procent van hun winst uit Irak weg te sluizen. The Economist noemde de nieuwe regels een «kapitalistische droom».

Order 39 schond de Haagse conventie ook op andere manieren. Het verdrag stelt dat bezettingsmachten «slechts zullen worden beschouwd als beheerders en vruchtgebruikers van openbare gebouwen, onroerend goed, bossen en landgoederen die toebehoren aan de vijandige Staat, en zijn gesitueerd in het bezette land. Ze moeten het kapitaal van deze eigendommen beschermen, en beheren in overeenstemming met de regels van vruchtgebruik.»

Bouvier’s Law Dictionary definieert «vruchtgebruik» als een afspraak die een partij het recht geeft gebruik te maken van en voordeel te behalen uit het eigendom van een ander «zonder de essentie ervan te wijzigen». Eenvoudiger gezegd: als je op een huis past, dan mag je het eten in de ijskast opeten, maar niet het huis verkopen en er appartementen van maken. Toch is dat precies wat Bremer doet: hoe kun je ingrijpender «de essentie» van een publiek bezit wijzigen dan door het te veranderen in privé-bezit?

Mocht de CPA nog onduidelijk zijn over dit detail, dan stelt de Landoorlog-wet van het Amerikaanse leger dat «de bezetter niet het recht van verkoop of onbevoegd gebruik van [niet-militair] bezit» heeft. Dat is duidelijk: als je iets bombardeert, geeft dat je niet het recht het te verkopen. Er zijn genoeg aanwijzingen dat de CPA zich goed bewust is van de onwettigheid van zijn privatiseringsplannen. In een uitgelekt memo van 26 maart waarschuwde de Engelse minister van Justitie Lord Goldsmith premier Blair dat «het opleggen van ingrijpende structurele economische hervormingen niet zou worden goedgekeurd door het internationaal recht».

Tot nu toe was de controverse rond de wederopbouw van Irak grotendeels gericht op de verspilling en corruptie bij het toekennen van contracten. Dat ziet niet de reikwijdte van de schending: zelfs als het uitverkopen van Irak werd uitgevoerd met volledige transparantie en open biedingen was het nog steeds illegaal, om de simpele reden dat Amerika niet het recht heeft Irak te verkopen.

De erkenning van de Veiligheidsraad van de Amerikaans/ Britse bezettingsmacht biedt geen wettelijke bescherming. De VN-resolutie die in mei werd aangenomen vereiste dat de bezettende machten «geheel voldeden aan hun verplichtingen onder het internationaal recht inclusief de Geneefse Conventies van 1949 en het Haagse Verdrag van 1907».

Volgens een groeiend aantal internationale rechtsdeskundigen houdt dat in dat als de volgende Iraakse regering besluit dat ze geen honderd-procent-dochtermaatschappij van Bechtel en Halliburton wil zijn, ze sterke wettelijke gronden zal hebben om bezittingen te renationaliseren die werden geprivatiseerd onder CPA-edicten. Juliet Blanch, hoofd energie en internationale arbitrage van het internationale advocatenkantoor Norton Rose, zegt dat omdat Bremers hervormingen in directe tegenspraak zijn met de Iraakse grondwet ze «in strijd met het internationaal recht zijn en waarschijnlijk niet uitvoerbaar». Blanch stelt dat de CPA «geen bevoegdheid heeft of in staat is die [privatiserings]contracten te tekenen» en dat een soevereine Iraakse regering «een sterk argument zou hebben voor renationalisatie zonder compensatie te betalen». Bedrijven die worden geconfronteerd met dit soort onteigening zouden, volgens Blanch, «geen wettelijke remedie» hebben.

De enige uitweg voor de Regering is ervoor te zorgen dat de volgende regering van Irak alles behalve soeverein is. Ze moet dociel genoeg zijn om de illegale wetten van de CPA te ratificeren, wat dan zal worden gevierd als het gelukkige huwelijk van vrije markten en vrije mensen. Als dat gebeurt, is het te laat: de contracten worden gesloten, en de bezetting van Irak zal permanent zijn.

Daarom moeten anti-oorlogskrachten deze kansen grijpen om te eisen dat de volgende Iraakse regering vrij zal zijn van de ketenen van deze hervormingen. Het is te laat om de oorlog te stoppen, maar het is niet te laat om de binnendringers van Irak de ontelbare economische prijzen te onthouden waarvoor ze in eerste instantie ten oorlog trokken.

Het is niet te laat om de contracten op te zeggen, en de verdragen te verbreken.

© The Nation

Vertaling: Rob van Erkelens