Naomi Klein

Breng Najaf naar New York

Ik ben nu een week in New York en zie hoe de stad zich voorbereidt op de Republikeinse Nationale Conventie en de protesten die daarmee gepaard gaan. Veel is voorspelbaar: hysterie in de tabloids over een belegering door anarchisten; politieagenten die patsen met hun nieuwe crowd control-speeltjes; heftige discussies over de vraag of de demonstraties de Republikeinen zullen schaden of onbedoeld juist helpen.

Wat me verbaast is wat hier niet is: Najaf. Nergens te vinden. Elke dag naderen Amerikaanse bommen en tanks verder de heilige Imam Ali-moskee, naar verluidt muren beschadigend en granaten schietend; elke dag worden kinderen in hun huizen gedood omdat Amerikaanse soldaten collectieve straf toebrengen aan de heilige stad; elke dag worden er meer lichamen verstoord omdat Amerikaanse mariniers over het kerkhof van de Vredes vallei stampen, waarbij hun laarzen in graven glijden omdat ze achter grafstenen dekking zoeken.

De gevechten in Najaf bepalen het nieuws, maar op geen enkele manier in verband met de verkiezingen. In plaats daarvan worden ze gebagatelliseerd tot de status van een slepend etnisch conflict ver weg, zoals Afghanistan, Soedan of Palestina. Zelfs binnen de anti-oorlogsbeweging zijn de gebeurtenissen in Najaf nauwelijks zichtbaar. De «overdracht» heeft gewerkt: Irak is het probleem van iemand anders aan het worden. Het klopt dat oorlog in het centrum van de verkiezingscampagne staat – alleen niet die in Irak. Alle gesprekken gaan over wat er gebeurde op Swift-boten 35 jaar geleden, niet over wat er deze week wordt afgeschoten vanaf Amerikaanse AC-130 oorlogsschepen.

Maar terwijl Vietnam al veel te veel ruimte heeft ingenomen in deze campagne denk ik aan de woorden van Vietnamveteraan en romancier Tim O’Brien. In een interview voor de documentaire Vietnam: The 10.000 Day War uit 1980 zei O’Brien: «Mijn tijd in Vietnam is een herinnering aan onwetendheid, en dan bedoel ik ultieme onwetendheid. Ik kende de taal niet. Ik kon alleen in steenkolenengels communiceren met de Vietnamezen. Ik wist niets over de cultuur van Vietnam. Ik wist niets over de godsdienst, godsdiensten. Ik wist niets over de dorpsgemeenschap. Ik wist niets over de doelen van de mensen, of ze voor de oorlog of tegen de oorlog waren (…) Geen weet van wat de vijand wilde (…) En ik compenseerde die onwetendheid op heel veel manieren, ook slechte. Dingen opblazen, hutten in brand steken uit frustratie over onwetend-zijn en niet weten waar de vijand was.»

Hij had het Irak van vandaag kunnen beschrijven. Als een buitenlands leger een land binnenvalt waar het vrijwel niets over weet, vindt er veel opzettelijke wreedheid plaats, maar ook is er de onbedoelde barbarij van blinde onwetendheid. Het begint met culturele en religieuze beledigingen: soldaten die een huis binnenstormen zonder vrouwen een kans te geven hun hoofd te bedekken; legerlaarzen die door moskeeën banjeren die nooit door schoenzolen zijn aangeraakt; een verkeerd begrepen handsignaal op een checkpoint met dodelijke gevolgen.

En nu Najaf. Het is niet alleen dat heilige begraafplaatsen worden ontheiligd met vers bloed; het is ook dat Amerikanen zich niet bewust schijnen te zijn van de reikwijdte van deze belediging, en de repercussies die ze zal hebben in de komende decennia. De Imam Ali-moskee is niet een doorsnee heilige plek, het is het sjiïtische equivalent van de Sixtijnse kapel. Najaf is niet zomaar een Iraakse stad, het is de stad van de doden, waar de kerkhoven voor eeuwig blijven bestaan, een plek zo heilig dat elke vrome sjiïet ervan droomt daar te worden begraven. En Moqtada al-Sadr en zijn volgelingen zijn niet zomaar een groep gewone terroristen die Amerikanen willen vermoorden; hun weerstand tegen de bezetting vertegenwoordigt het algemene sentiment in Irak. Ja, als hij zou worden gekozen, zou Al-Sadr proberen van Irak een theocratie te maken als Iran, maar op dit moment betreffen zijn eisen directe verkiezingen en een einde aan de buitenlandse bezetting.

Vergelijk O’Briens bescheidenheid eens met het hanige gedrag van Glen Butler, een majoor van de mariniers wiens opiniestuk in de New York Times van 23 augustus leest alsof Karl Rove zijn ghostwriter is geweest. Butler snoeft dat hij, ook al is hij net een maand in Irak, «het een en ander weet over de kalief, over de vijf pilaren en over Allah». Hij vervolgt met uitleggen dat hij door laag over de kerkhoven van Najaf te vliegen niet anti-Amerikaanse haat zaait in de Arabische wereld maar «de bron van de dreiging aanvalt». De helikopterpiloot doet opgewekt zijn vijanden af als buitenlandse strijders en ex-baathisten en «een paar gefrustreerde Irakezen die zich druk maken over Wal-Mart-cultuur die hun buurt binnendringt».

Het is moeilijk om te bepalen waar te beginnen. Het Mahdi-leger dat Butler aanvalt bestaat uit Iraakse burgers, geen buitenlanders. Het zijn baathisten, zij werden het zwaarst onderdrukt onder Saddams regime en juichten zijn afzetting toe. En zij maken zich geen zorgen dat Wal-Mart hun buurt overneemt, ze zijn woedend dat ze nog steeds geen elektriciteit en rioolonderhoud hebben ondanks de miljarden die zijn beloofd voor de wederopbouw.

Voordat Al-Sadrs aanhangers hun opstand begonnen, stelden zij hun eisen van verkiezingen en een einde aan de bezetting door middel van preken, vreedzame protesten en krantenartikelen. Amerikaanse troepen antwoordden door hun kranten te sluiten, te schieten op hun demonstraties en hun woonwijken te bombarderen. Pas toen trok Al-Sadr ten strijde tegen de bezetting. En elke kogel die wordt afgevuurd vanuit Butlers helikopter maakt Des Moines en Santa Monica niet veiliger, zoals hij beweert. Het maakt het Mahdi-leger sterker.

Terwijl ik dit schrijf, dagen voor de Republikeinse conventie, lijkt de bedoeling van de demonstratie de algemene woede te uiten over Irak, om «nee tegen oorlog» te zeggen en «nee tegen de Bush-agenda». Dat is een belangrijke boodschap, maar het is niet genoeg. We moeten ook specifieke eisen horen: de rampzalige belegering van Najaf beëindigen, en ondubbelzinnige steun geven aan Irakezen die wanhopig verlangen naar democratie en een einde aan de bezetting.

United for Peace and Justice stelt dat «er dit jaar twee sleutelmomenten zijn dat mensen in heel Amerika de kans zullen hebben een duidelijke boodschap af te geven van verzet tegen de Bush-agenda: 2 november, verkiezingsdag, en 29 augustus, in New York City». Helaas is dat niet het geval: er is geen kans dat de oorlogsagenda van Bush duidelijk zal worden verworpen op de dag van de verkiezingen, omdat John Kerry belooft de militaire bezetting van Irak voort te zetten, en zelfs te intensiveren. Dat betekent dat er slechts één kans is voor Amerikanen om hun hartgrondige afwijzing van de voortgaande oorlog in Irak te uiten: in de straten buiten de Republikeinse Nationale Conventie. Het wordt tijd om Najaf naar New York te brengen.

© The Nation