Over psychose, seksualiteit en religie is in de eerste plaats een ideeëngeschiedenis. Het is met name, stelt Vandermeersch, de ideeënproblematiek omtrent schizofrenie die hen bij elkaar brengt en weer uit elkaar zal drijven. De nog steeds niet uitgevochten stammenstrijd tussen het psychologische en het psychiatrische kennisveld woedt daaronder. De klassieke vraag over schizofrenie was: Neurotisch of psychotisch? Jung tracht daarbij, vooral door onscherp te denken, een holistische visie poneren. Freud zag daar wel degelijk een conflict liggen, en een probleem voor hem. Hij ging de strijd aan die hij zou verliezen. Terwijl hij anderzijds verschillende fenomenen nog als één zag, zoals een nu als lachwekkend gezien verband tussen paranoia en homoseksualiteit. Vandermeersch: ‘Wat de schizofrenie betreft, valt op dat Freud dementia praecox en paranoia nog steeds niet van elkaar onderscheidt. Hij combineert observaties uit de twee ziektebeelden tot één theorie.’
Het verbazingwekkende is dat het sluimerende conflict tussen de twee pas echt tot een breuk komt bij de interpretatie van het autobiografische boek van een schizofreen, Denkwürdigkeiten eines Nervenkranken, van D.P. Schreber. Zowel Jung als Freud begonnen dus te interpreteren bij een niet meer te controleren interpretatie (Schreber was al dood) en baseerden daarop hun meningsverschil!
Vandermeersch merkt dit wel op, maar gek genoeg lijkt het hem niet echt te verbijsteren. Van de twee lijkt hij Freud in grote lijnen toch het meest trouw te willen blijven.