Pakistans president Moesharraf verzwakt na aardbeving

Breuklijnen

De aardbevingsramp van 8 oktober heeft in heel Pakistan de politieke breuklijnen verschoven en nieuwe kansen en risico’s

voor de machthebbers en de oppositio nele islamistische bewegingen geschapen. In dat nieuwe krachtenveld staat president Moesharraf zwakker dan ooit tevoren.

«Het zijn merkwaardige hulpverleners, die be baarde jongemannen met ernstige gezichten en automatische geweren die de chaos van het getroffen Kashmir trotseren om voedsel, tenten en geneesmiddelen uit te delen», schreef een verslaggever tien dagen na de aardbeving vanuit Moezaffarabad. «Maar de stoottroepen van de Jamaat-ud-Dawa, een van de prominentste extremistische moslimbewegingen van Pakistan, vormden de voorhoede van de reddingsoperaties na de ramp van 8 oktober.»

Nu de internationale hulpverlening op gang is gekomen, draait het noodhospitaal van de Jamaat-ud-Dawa («Partij van de Prediking») aan de oever van de Neelum-rivier niettemin nog steeds op volle toeren, zo melden verslaggevers van uiteenlopende signatuur die allemaal een rondleiding krijgen van welbespraakte woordvoerders van de beweging. Chirurgen doen er «met Gods hulp» hun werk in een uit blauw plastic opgetrokken mobiele operatiekamer, radiologen kunnen ter plekke botbreuken en luxaties diagnosticeren dankzij de aanwezigheid van noodgeneratoren. Een vloot van veertig ambulances zorgt voor aanvoer van de zwaarst gewonde patiënten.

De Jamaat-ud-Dawa bedrijft noodhulp met dezelfde ijver waarmee zij bewapende «inzamelingsacties» houdt en trainingskampen voor jihad-strijders beheert ten bate van de moederorganisatie Lashkar-e-Taiba («Leger der Rechtvaardigen»), een islamitische afscheidingsbeweging in Kashmir die al jaren op Amerikaanse zwarte lijsten staat. Even verderop langs de rivier van Moezaffarabad, naast het logistieke basiskamp van de Verenigde Naties, ligt de hulppost van nog zo’n organisatie: de Al-Khidmat Stichting, de charitatieve tak van het fundamentalistische Jamiat-i-Islami («Islamitisch Genootschap»). Die wordt op zijn beurt geflankeerd door een bevoorradings centrum van de Al Rasheed-trust, een «cha ri tatieve» stichting uit Karachi die volgens het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken geld heeft doorgesluisd naar al-Qaeda.

Op 23 oktober liet Aiman al-Zawahiri, de ideoloog en tweede man van al-Qaeda, per videobrief op de zender Al-Jazeera weten dat «alle moslims en islamitische liefdadigheids organisaties de slachtoffers de helpende hand moeten bieden». De vele islamistische organisaties die Pakistan rijk is hadden Al-Zawahiri’s aansporing niet nodig om te begrijpen dat de ramp een uitgelezen kans bood om hun macht en populariteit uit te breiden. Niet alleen in de provinciale hoofdstad van Pakistaans Kashmir, in heel Noord-Pakistan vullen zij de leemte in de hulpverlening die ontstond doordat de Pakistaanse overheid en het leger het in de eerste week na de aardbeving lieten afweten. De koepel van radicale islamistische strijdgroepen in Kashmir, de Verenigde Raad voor de Jihad, kondigde zelfs een wapenstilstand af voor de duur van de hulpverleningsoperaties, onder voorwaarde dat Indiase troepen niet zouden deelnemen aan de hulpverlening binnen Pakistaans Kashmir.

Intussen vliegen boven hun hoofden Amerikaanse en Britse helikopters over en weer om hun eigen personeel, noodvoorraden en gewonden te vervoeren naar legerbases, ziekenhuizen en hulpposten van de Verenigde Naties en het Pakistaanse leger. Die helikopters zijn onttrokken aan het Afghaanse strijd toneel, waar ze nog maar enkele weken geleden werden ingezet tegen de wederop gestane Taliban, geloofsgenoten en wapenbroeders van de Pakistaanse islamisten. In wezen doen de helikopters in Noord-Pakistan en Kashmir hetzelfde werk: het westerse militaire en humanitaire prestige hoog houden, het islamitisch fundamentalisme de wind uit de zeilen nemen en zodoende hun bond genoot Pervez Moesharraf, die in 1999 door een militaire coup aan de macht kwam, onder steunen.

De aardbevingsramp van 8 oktober heeft in heel Pakistan de politieke breuklijnen verschoven en nieuwe kansen en risico’s voor de machthebbers en de oppositionele islamistische bewegingen geschapen. In dat nieuwe krachtenveld staat de ex-militair Moesharraf, wiens prestige nauw verweven is met dat van het oppermachtige leger, zwakker dan ooit tevoren. «De regering bestaat tegenwoordig eigenlijk uit Moesharraf en het leger en wanneer je ze allebei ziet klungelen en tekort schieten, is dat een smet op beide», aldus commentator Ayaz Amir van het Pakistaanse dagblad Dawn: «Ze beweren graag dat het leger de enige functionerende instelling van het land is en dat het onder alle omstandig heden de boel bij elkaar houdt. Maar de instelling die het meest heeft gefaald, is het leger.»

Op woensdag 12 oktober, de zesde verjaardag van Moesharrafs coup, leverde de populaire ex-cricketspeler en oppositieleider Imran Khan op de Pakistaanse televisie felle kritiek op de president: «Van een overheids inspanning was geen sprake. Er wordt geen leiding gegeven aan de hulp. Gewone burgers proppen hun auto’s vol en brengen hulp, maar de regering is nergens te bekennen.» Binnen een paar uur diende Moesharraf hem van repliek door eveneens op televisie aan het Pakistaanse volk zijn verontschuldigingen voor de falende hulpverlening aan te bieden. Het was een gedurfde toespraak die aangaf in welk een benarde situatie hij zich bevond. De excuses van de president waren niet alleen een novum in de Pakistaanse politieke top, ze betekenden ook een impliciete veroordeling van het Pakistaanse leger waarop Moesharrafs macht tot nog toe steunde.

Vervolgens zag de president zich gedwongen de voornaamste islamistische bewegingen, die al jaren hardnekkig proberen hem te laten vermoorden, openlijk te prijzen voor hun inzet. Hij zou erop toezien, verklaarde hij ten behoeve van zijn westerse bondgenoten, dat zij de situatie niet zouden misbruiken om nieuwe volgelingen voor de jihad te ronselen. In de praktijk zetten de bewegingen de pre sident voor het blok. In delen van het ramp gebied is de macht in handen van militante groeperingen die verboden zijn, maar on mogelijk kunnen worden aangepakt omdat zij als enige de hulpverlening gaande houden. Ook binnen het leger heerst onvrede over Moesharrafs gebrek aan leiderschap. De verwijzing die hij in zijn tv-toespraak maakte naar de trage reactie van de regering-Bush op orkaan Katrina was dan ook buitengewoon ongelukkig, te meer omdat een deel van de strijdkrachten hem toch al beschouwt als agent van de Verenigde Staten.

Ook Washington begrijpt wat er in Kashmir op het spel staat. Het regime-Moesharraf is de voornaamste pijler van de Amerikaanse stra tegie in Centraal-Azië. Tegelijk is Pakistan het land waar de radicale islam het sterkst aandringt, sterker nog dan in Irak. Nog voordat Al-Zawahiri zijn videobrief uitgaf, stelde president Bush behalve de genoemde helikopters en andere militaire ondersteuning alvast vijftig miljoen dollar noodhulp voor Kashmir beschikbaar. Deze wordt grotendeels besteed door Amerikaanse en internationale hulp verleners die letterlijk zij aan zij werken met de Hizb-ut-Mujahedeen, de grootste beweging van islamitische onafhankelijkheidsstrijders in de provincie. Met de hete adem van de ideologische concurrentie in de nek heeft ook Paul Wolfowitz, de neoconservatieve militair strateeg die op aandringen van Bush werd benoemd tot Wereldbank-president omdat de beurt voor die functie aan een Amerikaan was, Islamabad een wederopbouwpakket van 470 miljoen dollar toegezegd.

Een natuurramp en de daaropvolgende hulpverlening hebben vaak politieke gevolgen in de vorm van de val van regeringen (Sri Lanka na de tsunami), massale migratie (Armenië na de aardschok van 1988) en een opmars van radicale bewegingen. Recente voorbeelden van dat laatste zijn er in de islamitische wereld te over. Toen in 1989 een zware aardbeving de regio Tipasa in Algerije trof, was de hulpverlening door de economisch en ideologisch failliete overheid buitengewoon slecht. Het Islamitisch Heilsfront, dat zich wel op grote schaal om de slachtoffers had bekommerd, won twee jaar later de gemeentelijke verkiezingen. Toen de beweging ook landelijk de meerderheid leek te krijgen, zag de nationalistische regering geen andere mogelijkheid dan het uitroepen van de noodtoestand, die ontaardde in een burger oorlog van meer dan tien jaar.

In 1992 was de beurt aan Cairo, waar de regering-Moebarak het na een verwoestende aardbeving zozeer liet afweten dat de arme delen van de stad gedurende een week geen overheidsfunctionaris te zien kregen. Alle hulp werd verzorgd door vrijwilligers van de Isla mitische Broederschap, die binnen de kortste keren de controle verwierven over grote delen van de Egyptische burgermaatschappij en slechts met behulp van een jarenlange, bloedige politieterreur van de macht af te houden waren. En in Turkije droeg het falen van het leger na de aardbeving van 1999 bij aan de historische overwinning in 2002 van de gematigde islamitische AKP, de opvolger van de verboden Welvaartspartij. In Iran ten slotte heeft het slappe optreden van de hervormingsgezinde regering na de aardbeving van Bam in 2003 bijgedragen aan de recente verkiezing van de conservatief Mahmoed Ah me dinejad tot president.

Maar niet alleen de religieuze oppositie kan de aardbeving aangrijpen om nieuwe machtsposities te veroveren. Ook Moesharraf kan van de gelegenheid gebruik maken om een doorbraak te forceren met het pro-westerse beleid waartoe hij, door George Bush voor het blok gezet, na 11 sep tember 2001 besloot. Na wekenlang onderhandelen kondigde de president afgelopen zondag aan dat de militaire Bestandslijn met India, die dwars door Kashmir loopt, op vijf plaatsen wordt geopend om Indiase en internationale hulp toe te laten. Hij deed die uitspraak in een interview met het Saoedische dagblad Arab News, een niet onbelangrijk detail omdat veel islamistische groeperingen in Pakistan financiële steun uit het Midden-Oosten krijgen.

«Er is een zin die ooit werd gebruikt door de Indiase leiding: ‹Laten we de Bestandslijn irrelevant maken.› Dat doe ik nu», aldus Moesharraf. «Er moet politieke beweging zijn. Er moeten discussies tussen India en Pakistan komen, met deelneming van Kashmiri’s, die resultaat opleveren. Ik wil resultaat zien. Dit is een buitenkans. We besteden veel te veel geld aan bewapening. Ik ben voor demilitarisatie. We staan volkomen open voor het bereiken van een definitieve oplossing. Je kunt niet klappen met één hand; je kunt alleen klappen met twee handen.» Opnieuw gaat hij verder dan ooit tevoren, daarin gesteund door de Amerikanen die achter de schermen veel druk uitoefenen op beide landen. Als Moesharraf erin slaagt de angel uit het Kashmir-conflict te halen, zet hij de militante godsdienstige oppositie alsnog klem.