Brian Sewell, 15 juli 1931 – 19 september 2015

Brian Sewell werd bekend door zijn vriendschap met de spion Anthony Blunt, maar verwierf faam als uitgesproken, tegendraadse en ouderwetse kunstcriticus. Hij leek een Engelse kruising tussen Gerard Reve en Willem Oltmans.

De geuren van de bloemen die bij Kensington Palace waren neergelegd drongen binnen door de openstaande ramen van de redactieburelen. Daar waren journalisten van The Evening Standard een speciale editie over de net overleden Diana aan het maken. Kunstcriticus Brian Sewell had ook een stuk geschreven over de volksprinses, wier gezicht hij al eens had vergeleken met een notenkraker. Hij beschimpte, zo herinnerde collega Zoe Williams zich, de ‘domme berusting’ in haar lot en ‘wrede hebzucht’, concluderend dat haar constitutionele betekenis beperkt is gebleven tot fokmerrie.

Het stuk haalde natuurlijk nooit de krant, maar het was Sewell ten voeten uit. De afgelopen weekend overleden kunstcriticus, dandy en provocateur zat nooit verlegen om een polemiek: op papier met een barokke schrijfstijl en vocaal met een stem die, met een wenk naar de deftige dame uit The Importance of Being Earnest, is omschreven als ‘Lady Bracknell on acid’, al vergeleek hij hem zelf liever met die van een ‘Edwardiaanse lesbienne’. Met deze bekakte stem verwoordde hij jarenlang de vox populi waar het gaat om de merites van de hedendaagse kunst.

Het werk van de Chapman Brothers kwalificeerde hij als ‘warhoofdige trivia’, Damien Hirst was een ‘dorpsgek op een kermis’ en de werken van David Hockney achtte hij vooral geschikt voor de hekwerken in Green Park. Zijn aartsvijand was Nicholas Serota. Sewell beschuldigde de baas van Tate Modern van een ‘hokus-pokus, mumbo-jumbo-benadering van kunst’. Dat zei hij ook in Serota’s gezicht. ‘Daarom ben ik museumdirecteur en jij een kunstcriticus’, luidde het antwoord.

In 1994 schreven enkele kunstenaars, onder wie de surrealist George Melly, een protestbrief over Sewells reactionaire visie. Feministen klaagden bovendien over zijn opmerking dat er nooit een eersterangs vrouwelijke kunstenaar is geweest. ‘Alleen mannen zijn in staat tot esthetische grootheid’, had hij geoordeeld. De j’accuse bleek een zegen te zijn voor Sewell, die korte tijd later werd uitgeroepen tot kunstcriticus van het jaar. Van zijn gewraakte stukken bracht hij een bloemlezing uit, The Reviews that Caused the Rumpus. Met op het omslag een naaktfoto van hemzelf.

Brian Sewell werd op 15 juli 1931 geboren in Market Bosworth, Leicestershire, maar groeide met zijn moeder en stiefvader op in het Londense Kensington. Pas op haar sterfbed vertelde zijn moeder dat de componist Peter Warlock zijn echte vader was, maar deze had voor Brians geboorte zelfmoord gepleegd. Zijn moeder had hem liefde voor kunst geschonken door hem mee te nemen naar de National Gallery. Het bijwonen van katholieke missen zou zorgen voor een gedegen kennis van de christelijke kunst. Hij twijfelde over zijn toekomst. Wat wilde hij worden? Schilder? Aartsbisschop?

Sewell twijfelde. Wat wilde hij worden? Schilder? Aartsbisschop?

Na het vervullen van de dienstplicht, waar hij meer oog had voor de lichamen van zijn wapenbroeders dan voor de wapens waarmee moest worden gevochten, ging hij studeren aan het Courtauld Institute of Art, waar hij kunst leerde begrijpen, en werken bij Christie’s, waar hij kunst op waarde wist te schatten. Tot zijn vriendenkring behoorden Salvador Dalí, Lucian Freud en Francis Bacon. Met laatstgenoemde dronk hij regelmatig sap bij Harrods. Op een dag bracht de schilder een koolraap mee, met de volgende opdracht: ‘Maak hier maar eens een lekker sapje van, eendje.’

Veel had Sewell te danken aan een bijzondere vriendschap. Op Courtauld was hij bevriend geraakt met Anthony Blunt, de taxateur van de koninklijke kunstcollectie die eind jaren zeventig zou worden ontmaskerd als de vierde Cambridge-spion. Ten tijde van die openbaring fungeerde Sewell als ‘woordvoerder’ van zijn ondergedoken vriend en beschermheer. Het leverde hem landelijke bekendheid op. Via The Tatler kwam Sewell terecht bij The Evening Standard, waar hij een reputatie opbouwde als een behoudende recensent, een groot liefhebber van de zeventiende-eeuwse meesters.

Zijn afkeer van moderne kunst beperkte zich niet tot Britart. Ook Picasso (‘grofgeschilderde banaliteiten’) en Warhol (‘weinig mensen hebben zo’n destructieve invloed gehad’) deden hem hoegenaamd niets. Gaandeweg werd hij ook een televisiepersoonlijkheid, mede door zijn serie The Naked Pilgrim: The Road to Santiago, over zijn bedevaart, en Brian Sewell’s Grand Tour of Italy. In 2009 zorgde hij voor opschudding met zijn suggestie om de pest, of de pokken, naar het noorden te sturen, om zodoende een einde te maken aan het welvaartsverschil tussen Noord- en Zuid-Engeland.

Sewell was dol op rugby, oldtimers en honden. Toen hij, zo meldde The Guardian, zijn excentrieke huis in Kensington verruilde voor een ‘Edwardiaanse monstruositeit’ in Wimbledon groef hij de beenderen van zijn overleden honden op om deze te herbegraven in zijn nieuwe tuin. ‘Als het botten van mensen zouden zijn geweest, had het me koud gelaten’, verklaarde hij. In 2003 publiceerde Sewell met Sleeping with Dogs een ode aan de viervoeters. Zijn lievelingshond was een Jack Russell met de naam Lady Macbeth. Zijn laatste boek was een kinderboek, The White Umbrella.

Sewell hield van het langzame leven, zoals het maken van wandelingen en treinreizen door het continent. Een computer had hij niet. Tot zijn dood schreef hij zijn bijdragen op een typmachine, waarna hij ze persoonlijk afleverde bij de redactie. Hij noemde zijn leven een mislukte missie omdat hij niet was toegekomen aan het schrijven van een biografie van Michelangelo. Ondanks zijn ziekte werkte Sewell zo lang mogelijk door. Hij was bang om te sterven, maar niet voor de dood zelf.


Beeld: Brian Sewell in zijn woning in Londen. Foto Rebecca Reid / Eyevine / HH.