Sylvain Ephimenco

Brief aan een dode

Fascinerend om te zien hoe dit Franse stadje al een paar dagen alleen maar over de dood praat. Jouw dood. Gisteren zag ik op de met platanen omzoomde boulevards van Aix-en-Provence een lange, stille stoet. Je dode lichaam was net uit de Madeleine-kerk door vier mannen weggedragen. En terwijl je kist naar het kerkhof werd gebracht, begeleid door je vrienden en je familie, je vrouw en je twee jonge dochters, kwam de protestmars in beweging. Vooraan de wethouders, met hun tricolore sjerp schuin over de borst, en de kersvers gekozen burgemeester. Een hysterische, rechtse tante naar het schijnt.

Anders dan de stille tochten tegen zogenaamd zinloos geweld in Nederland zijn de stille marsen hier in de Provence vrij corporatistisch van aard. Soort bij soort is het parool. De zeshonderd deelnemers waren overwegend middenstanders met een sterke vertegenwoordiging van je eigen beroepsgroep, de café tabac.

Het was vijf uur in de middag. Het meizonnetje besprenkelde de ernstige gezichten, maar omdat het eerst door de zeef van de platanenbladeren heen moest, was het alsof al die gezichten door schaduwmotiefjes waren bevlekt. Alsof alle deelnemers een vreemde ziekte hadden opgelopen. Die van de angst dat hun geliefde Aix door het nabij gelegen gewelddadige Marseille zou worden aangetast en besmet. Die vrees is eeuwenoud. Mar seille, de broeierige havenstad waar de immigratiegolven van Italianen, Armeniërs, Corsicanen en Algerijnen elk hun specifieke vorm van criminaliteit met zich meebrachten. Marseille, het Chicago van de Provence dat steeds dichter bij Aix kruipt.

Maar wie zegt nou dat jouw moordenaar uit Marseille kwam? Ik vrees dat dit raadsel nooit zal worden opgelost. Blijft alleen nog het algemeen verspreide geloof dat je als een held bent gestorven. Een Robert De Niro of Al Pacino die niet doorhad dat het echte leven ophoudt waar de film begint. Persoonlijk ben ik door je dood gefascineerd. Door de gratuïteit en zinloosheid ervan. Iets wat ik herken bij de mensen hier. Zinloos gesticuleren totdat je je evenwicht verliest. Hier in het zuiden stikt het van de heethoofden die van alles een erezaak maken, die hun grootspraak in onbegrijpelijke daden vertalen.

Enkele uren voor je dood reed ik nog langs je café tabac aan de Cours des Minimes. Een rustige plek net buiten het centrum, waar ik vroeger als ado lescent mijn pakjes Gauloises kocht. Het was kwart voor elf ’s avonds toen iemand tegen het rolluik dat je had neergehaald begon te bonken. Je motor stond in de weg, zei een stem. Of je die wilde weghalen. Je had geen motor, en toch deed je het rolluik omhoog. Daarachter stond je dood op je te wachten. Met bivakmuts en een revolver in de hand. Was je maar een Nederlander geweest. Een koele kikker die naar de kassa loopt en de dagopbrengst aan zijn overvaller geeft. Maar je was een zuiderling pur sang. Een De Niro uit de lavendelvelden. De levensgevaarlijke worsteling werd in je voordeel beslecht. De boef sloeg op de vlucht. En jij ging achter hem aan. Je ging niet je dood tegemoet, nee, je liep als een bezetene achter hem aan. Schreeuwend en uitdagend. Het geduld van de dood is beperkt. Honderddertig meter om precies te zijn. Toen je overvaller merkte dat je hem bijna had ingehaald, draaide hij zich om en leegde van zeer nabij, zo snel liep je, het magazijn van zijn wapen in je lijf. Je stierf ter plekke.

De stad was gisteren in rep en roer, de toeristen keken verbaasd naar de stille tocht. Wie zal zich, na een paar zomers, die honderddertig meters nog herinneren?