Brief aan een gelukzoeker

Brief aan een filosofe

Désanne van Brederode
Brief aan een gelukzoeker
Lemniscaat, 95 blz., € 4,95

Beste mevrouw Van B.,

Namens mezelf wil ik graag reageren op uw essay Brief aan een gelukzoeker dat u hebt geschreven omdat het de Maand van de Filosofie is. Ik schrijf nadrukkelijk ‘namens mezelf’, omdat ik absoluut niet weet of anderen mijn mening over uw schrijven delen, of dat nou ‘het gedeelte’ van de landgenoten is namens wie u in uw eerste zin buitenlanders welkom heet, de andere landgenoten waarvan u denkt dat ze de buitenlanders niet van harte welkom heten, of die buitenlanders zelf.

U, mevrouw Van Brederode, hebt natuurlijk meteen door dat ik u na-aap. De titel, de aanhef, de eerste zinnen, ik heb ze van u afgekeken, een beetje aangepast en voilà. Daarmee heb ik mezelf blootgegeven: ik ben geen voor-aper. Ik begrijp dat u de Nederlanders wel zo ziet: als een kudde voor-apers, die allemaal als eerste de nieuwste mobiele telefoon, magnetron, televisie, auto of wat dan ook willen hebben om zich toch maar te kunnen onderscheiden.

De verbinding die u legt tussen dit overaanbod aan voor-apers, het daardoor dreigende gebrek aan na-apers die voor het bestaan van voor-apers onontbeerlijk zijn, én de gelukkige aanwezigheid van buitenlanders die de rol van na-aper kunnen vervullen, is een interessante. Ik heb altijd in de veronderstelling verkeerd dat buitenlanders hier komen omdat ze hier werk konden vinden, veiligheid, familie, hun grote liefde of ander geluk. Maar van u begrijp ik dat ze ons als toeschouwer dienen. U geeft daar trouwens met deze brief zelf een prachtig voorbeeld van. U gebruikt de gelukzoekende buitenlander om uw eigen gedachtespinsels over ons, Nederlanders, te kunnen ventileren.

Ik merk aan uw schrijven dat u wel wat heeft met Frans de Waal en zijn boek De aap in ons, ook al noemt u beide niet bij naam. U gebruikt de aap in ons om te vertellen dat Nederlandse mannen dat tegenwoordig als excuus gebruiken om hun apendriften te botvieren op hoeren of tweede vrouwen, terwijl vrouwen die hetzelfde natuurgedrag vertonen net als vroeger nog steeds een slet zijn of rijp voor een inrichting. Nu snap ik niet alleen waarom er sinds de jaren zestig weinig is veranderd, maar ook waarom Nederlandse mannen zich niet verzetten tegen bepaalde opvattingen in de islam over mannen en vrouwen. Maar die parallel trekt u jammer genoeg niet.

Ik begrijp van u dat ik het niet zo moet zien dat mijn man mij vrij laat, maar dat hij gewoon niet geïnteresseerd is in mijn doen en laten. Zelf praat ik overigens niet graag in termen als vrij laten, want daarvoor moet altijd eerst iemand gevangen zijn genomen, waardoor alleen al het gebruik van die woorden een machtsverschil veronderstelt. U als filosofe moet toch weten hoe woorden een werkelijkheid kunnen scheppen.

Maar om op die mannelijke desinteresse en de apendriften terug te komen, u concludeert uit die twee zaken dat wij, Nederlandse vrouwen, lijden onder een vorm van verlichte onderdrukking. Ik zal daar zeker over nadenken om toch vooral niet het risico te lopen dat ik me door ‘de lofzang op mijn vrouwelijke kwaliteiten’ onbewust in de traditionele vrouwenrol laat drukken.

Maar kunt u mij dan uitleggen waarom ik van u het dragen van een burka moet zien als de persoonlijke beleving van een moslima, terwijl ik net van u had begrepen dat een Nederlandse vrouw die graag twee dagen per week thuis haar kinderen opvoedt dat doet omdat haar man haar daar op verlichte wijze toe dwingt?

Ik heb even geaarzeld om een jijbak te plaatsen, omdat wij Nederlanders volgens u heel wat jijbakken. Maar hier vind ik het gepast. U verwijt alle Nederlanders te generaliseren en buitenlanders te reduceren tot hun religiositeit. Maar u bent degene die reduceert; u maakt van alle niet-buitenlanders in dit land hufterige, kortzichtige, consumerende Nederlanders. ‘Fijn voor al die miljoenen Nederlanders die een gelukkig leven leiden, hard werken, hun kinderen het allerbeste gunnen, hun bejaarden liefdevol verzorgen en hun inkomsten optimaal investeren, met het oog op verbetering van de toekomst: in uw beeld bestaan ze niet.’ Ja, ook deze lange zin is na-aperij. Ik heb alleen van de mensen in Afrika waar u het over heeft Nederlanders gemaakt en deze vervolgens alleen in uw ogen niet laten bestaan.

U eindigt uw essay met een postscriptum waarin de mededeling dat mensen die uw mening niet delen Nederland maar moeten verlaten. Maar u rakelt zo veel op dat ik zo vrij ben gewoon te blijven.

Ook als het u alleen om uw mening over buitenlanders te doen is, denk ik er niet over te emigreren. Ik vind mijn stadsgenoten van buitenlandse origine soms mijn ‘verlichting’, maar niet altijd zoals u, zoals ik ook mijn andere stadsgenoten dat soms wel en soms niet vind. Ik stel het namelijk zelf ook op prijs om niet te worden gereduceerd tot mijn religie, mijn zachte g of mijn sekse. Aan het uitdiepen van het vraagstuk ‘nog meer buitenlanders of niet’ komt u niet toe, dus daarover kan ik niet met u in discussie.

Met vriendelijke groet,

Aukje van Roessel

P.S. Mocht u de mening niet delen dat in een geschreven stuk generaliseren en overdrijven contraproductief kunnen werken, dan lijkt mij maar één antwoord gepast: lees deze brief niet. Een filosofe die haar heil zoekt in de overdrijving heeft bovendien niks te duchten van een journaliste. Zo’n filosofe is overal elders welkom.