Sylvain Ephimenco

Brief aan een vlieg

Onbewust heb ik naar die dag verlangd. En tegelijkertijd heb ik hem gevreesd. Waarschijnlijk omdat ik er te vaak met anderen over heb gespsroken. Mensen met bezorgde gezichten en een blik vol met medelij. Soms ging hun uiting van compassie met een vriendelijk gebaar gepaard. Een arm over mijn schouders, een klap op de rug. Ondraaglijk. Dan volgde de onvermijdelijke opmerking: «Je bent niet goed snik, man. Vijf, zes columns per week, 280 onderwerpen per jaar. Hoe kom je aan je stof, gek?» Deze schijnbewondering, verpakt in afkeuring en walging voor de droeve arbeider van het woord die ik in de ogen van velen moet zijn, heeft me altijd geprikkeld. Alsof schrijven slechts een kwestie zou zijn van zoeken naar verrijkte grondstof die je tikkend en fluitend alleen nog maar in een afgewerkt product hoeft om te zetten. Alvorens een antwoord te geven probeerde ik meestal mijn ergernis vakkundig te verbergen. Een glimlach, een blik door het raam werpen, de telefoon grijpen. Ik had me al lang geleden voorgenomen om niet meer de Amerikaanse columnist te citeren die dit soort profane onzin met een vaste metafoor pareerde: «Ach, niet moeilijk, je snijdt je polsen door en laat de boel vloeien.» Te koket en een tikkeltje pedant. Getergd door de superioriteit die men aan het onderwerp toekent in plaats van aan de schrijver, heb ik mijn heil in provocatieve nonchalance gezocht. Mijn standaardantwoord werd: «Wat is nou een onderwerp? Niet meer dan een drol die je in goud moet veranderen. Weet je wat het ideale onderwerp is? De vlieg die plotseling je werkkamer binnenvliegt. Als het moet, dan ben ik in staat een stukje over dat onbeduidende insect uit mijn mouw te schudden.» Hoe arrogantie toch elegant kan zijn.

Nu sta je me aan te staren. Krengetje. Spaarzaam dribbelend over het plafond, soms zoemend vol razernij tegen een muur van glas en lood. En zojuist fier en eerzuchtig, je pootjes klevend tegen het scherm van mijn computer. Als het model dat voor even zijn pose verlaat en achter de schilder schuift om zijn portret in wording te bewonderen. Ik had je overigens met een eenvoudig tikje kunnen verpletteren. Dááág onderwerpje. Kon je mijn gedachten soms lezen? Je vertrok linea recta, wat voor een vlieg een hele prestatie is, en nestelde je je in de armen van het marmeren boeddhabeeldje op de boekenplank. Nu je van de schrik zit bij te komen, heb ik de gelegenheid je op te nemen. Geen kleintje pils. Maar goddank ook geen strontvlieg. Van die groene volgevreten exemplaren die met een krakerig geluidje onder je schoenzool sterven. Je bent gewoon vet en zwart. Als je vliegt, brom je traag door de lucht als een uitgeputte Dakota. Je bent van het soort dat mij bijna altijd rillingen bezorgt. Dat onaangekondigd het vreedzame samenzijn verstoort. Dat een duistere kamer binnenvliegt waar een dodenwake wordt gehouden, rondcirkelt boven de waxinelichtjes en precies op het linker ooglid van de overlevende belandt, zoekend naar vocht en slijm. Totdat een in het zwart geklede vrouw met haar wapperende hand je van dat strakke gezicht verjaagt. Wat is het nut van je bestaan? Geen. In de warme landen waar ik heb gewoond en waar je veelvuldig voorkomt, associeert men je verschijning met verloedering en viezigheid. Misschien heb ik daarom altijd een irrationele aversie tegen vliegen gekoesterd. Zeker tegen zwarte, vette vliegen die brommend en zoemend de rust verstoren. Ik kan tijdens het schrijven niet tegen het geringste geluid. En als de zomer aanbreekt, vormt naast muis en diskette een spuitbus tegen insecten een van mijn onontbeerlijke werkaccessoires. Ik kon het je niet eerder verklappen. Niet voor het zeshonderdste woord van dit stukje. Ja, de rode spuitbus, links van de zilveren asbak.