Sylvain Ephimenco

Brief aan imam el-Moumni

Allereerst en voor alle duidelijkheid: hoewel ook ik bijna alles wat u zegt verafschuw, zou ik in geen geval mijn leven ervoor willen geven dat u het kunt blijven zeggen. Ik weet dat dit citaat van Voltaire zeer in zwang is geraakt de laatste dagen, maar ik wil hierbij opmerken dat het uit een eeuw dateert waarin pathos en gezwollen taal dagelijkse kost waren. Ik geef dus niet mijn leven om u in de gelegenheid te stellen uw bizarre denkbeelden over flikkers en potten vanuit uw minaret rond te bazuinen. U zoekt het maar zelf uit. De islam kent een levendige handel in martelaars die om de lulligst denkbare fatwa ten uitvoering te brengen bereid zijn een korset van springstoffen onder hun djellaba te dragen. Vervolgens kunnen ze een enkeltje paradijs nemen waar, zoals door de koran beloofd, een bataljon maagden op hen staat te wachten.

Wel zal ik mijn columns in dienst van mijn verdraagzaamheids ideaal stellen en dus elke poging u het land uit te bonjouren of voor het gerecht te slepen vurig bestrijden. Maar zo ver zal het niet komen. Het zal u niet zijn ontgaan dat de vijandige stemming die in de eerste dagen na uw uitspraak heerste totaal is omgeslagen. Zo zijn Nederlanders: eerst rennen ze als kippen zonder kop, daarna schrikken ze zich een zoeavenmuts en vervolgens zoeken ze zich suf naar die kop om hem met veel nuances weer op te zetten. Eerst schelden dus en dan onder de schuld gevoelens bezwijken. U mag kontneuken vies en voos vinden en een ziekte noemen. Dat vindt ook mijn moeder, en niemand die haar uit haar etagewoning wil gooien. U kunt dus vrijuit in uw stamppot van intieme overtuigingen, achterhaalde concepten, verboden en taboes blijven roeren. We zullen ervoor zorgen dat niemand u een haar krenkt, zolang u niet tot geweld of discriminatie oproept.

Dit gezegd hebbende, geachte geestelijke, moet ik u verklappen dat ik niet tot het soort behoor dat het kind met het badwater door de plee trekt. Met of zonder anti-homo-filippica van uw kant vind ik de islam een ziekte. Voordat u mij nu voor het gerecht sleept, let goed op: ik heb het over de islam die zich in onze tijd van zijn meest treurige kant manifesteert. Deze restrictie is alleen formeel, want van Algerije tot Egypte, van Afghanistan tot Tsjetsjenië of Iran overheersen dezelfde kromme denkbeelden. Een ziekte dus die de geest aantast en de werkelijkheid vervormt. Dit vind ik overigens ook van het christendom dat door de imams van de ChristenUnie en de SGP wordt gepropageerd. Dat een flink deel van de wereld bevolking anno 2001 nog steeds gebukt gaat onder de lasten van zogenaamde heilige schriften die eeuwen geleden zijn verzonnen door wrede primitievelingen, barbaren zonder idee hoe de toekomst eruit ging zien en zonder visie, is te gek voor woorden.

Maar om toch explicieter te zijn, wil ik u een citaat voorleggen van een van uw collega’s dat ik, met handschoenen aan, uit het proefschrift Imams d'Amsterdam (Oussama Cherribi, 1999, p. 145) heb gevist. Volgens die imam is het streng verboden om bevriend te raken met een niet-moslimse Nederlander. Op hem te willen lijken, van hem te houden, met hem kinderen te maken (takthir sawadihim), enz.: «U die gelooft, neem geen joden of christenen als vriend; wie onder u ze als vriend neemt, is een van hen.» En: «Er zijn verschillende argumenten in de koran om integratie te verbieden, want noch de joden noch de christenen zullen je accepteren. Ze verachten je.»

Beste imam, als dit werkelijk een algemeen aanvaard denk beeld is onder u en uw collega’s, dan is mijn opinie juist: de islam is een ziekte die met de tijd te genezen moet zijn.