Sylvain Ephimenco

Brief aan Jude Kehla

Met veel belangstelling het interview gelezen dat u aan Het Parool gaf afgelopen weekeinde. Laat ik eerst mijn bewondering uitspreken voor de felheid en directheid waarmee u diverse standpunten ventileert inzake de multiculturele samenleving. U bent in staat degenen die u tot uw tegenstanders rekent te provoceren, stigmatiseren, kleineren en uiteindelijk discrediteren. Afgelopen maand in De Groene beschuldigde u Jaffe Vink van geestverwantschap met de anti-politiek-correcte Gestapo c.q. maffia. In Het Parool werd u iets milder: mensen als H.J. Schoo, Paul Scheffer of Paul Schnabel zijn in uw ogen bange vijftigers die voortdurend «zeiken» of «zeuren» over allochtonen. Als columnist kan ik de ruwheid van uw taal natuurlijk waarderen. Of die past bij een socioloog annex politicus is een andere vraag. Ik ben ook een allochtoon, alleen heb ik in dit land twee keer zo veel tijd als u doorgebracht, en dit gegeven plus de inhoud van uw betoog geven mij te denken dat ik een paar lengtes voorsprong op u heb als het gaat om het analyseren van Nederland en Nederlanders.

Om eerlijk te zijn: de knulligheid waarmee u sommige verschijnselen verklaart, heeft me de slappe lach bezorgd. Volgens u kan kritiek op de multi-etnische samenleving alleen uit een generatieprobleem voortvloeien. Zie boven de oude zeikerige mannen. Beste Jude, kort door de bocht vliegen kan een lekkere roes geven. Maar meer niet.

Vanaf het begin van de jaren tachtig heeft een steeds sterker wordende extreem-rechtse stroming het allochtonendebat be paald. Democratisch gezinde denkers vonden het toen verstandiger hun mond te houden zolang Janmaat en de zijnen hiervan electoraal konden profiteren. Met de desintegratie van de xenofobische factor in de jaren negentig werd ruimte geschapen om vrijuit te kunnen discussiëren. Deze gunstige condities worden in dit land versterkt door het ontbreken van ernstige racistische incidenten. Zie Duitsland, Frankrijk of Oostenrijk. De huidige discussie, die u met een kletterende straal urine vergelijkt, is in mijn ogen broodnodig en wordt tot nu toe op een beschaafde manier gevoerd. Nederland heeft getracht, meer dan elders naar mijn idee, structuren aan te leggen die nieuwkomers hun eigenheid zouden helpen bewaren en de integratie zouden versnellen. Positieve discriminatie, inburgeringscursussen, stemrecht bij lokale verkiezingen, islamitische scholen, les in eigen talen, inspraakorganen, al lochtone zorgconsulenten — te veel om op te noemen. Het lijkt me legitiem om je als autochtoon af te vragen — dit zeg ik als vreemdeling — hoe het komt dat ondanks dit arsenaal de integratie van grote groepen allochtonen op een daverend failliet afkoerst. Ook mag je je afvragen of het wenselijk is dat immigratie een steeds hogere vlucht neemt terwijl de bestaande pijnpunten nog steeds niet zijn weggenomen.

Een debat hierover is noodzakelijk om te voorkomen dat de feitelijke apartheid die deze samenleving kenmerkt, de onverschilligheid van etnische groepen ten opzichte van elkaar, de vijandigheid van religieuze conservatieven binnen die groepen jegens de westerse waarden, over enkele jaren uitmonden in nog ernstiger vervreemding en raciale spanningen of geweld. Als u dat als socioloog niet snapt, dan wil ik u als medeallochtoon graag diskwalificeren door dezelfde taal te gebruiken die u gebruikt. Dan vind ik u zonder meer een exponent van de nieuwe uitheemse Gestapo die een dagtaak heeft aan het oproepen van schuldgevoelens bij die calvinistische Nederlanders. En die het debat op oneigenlijke wijze probeert te doven. Of een maffioso zonder intellectuele integriteit die de moderne, verdraagzame Nederlandse samenleving discrediteert door de slavenhandel van eeuwen geleden in herinnering te roepen. Dat de Nederlanders u niet doorhebben, is jammer. Maar bij mij hoeft u met uw doorzichtige clichés niet aan te kloppen.