Sylvain Ephimenco

Brief aan mijn gsm

Zoals je nu ligt, leeg, stil en nutteloos in de bovenste la van mijn bureau, kun je zelfs mijn medelijden niet meer opwekken. Het groene van je venstertje is van een droeve dofheid waarin mijn ogen zich niet meer willen weerspiegelen. Het lijkt een beetje op de kleur van het dode water van een minuscuul meertje dat door een algenplaag wordt opgevreten. Omdat ik je zelden nog wat voedsel gun, je bijna niet meer aan je elektrische navelstreng koppel, zijn cijfers en letters uit je blik weggevloeid. Als het bloed uit een wond. Zit er nog iets achter jouw blindheid? Kun je me nog voelen of horen? Uit je kruin steekt een brede antenne van niet meer dan een paar centimeters lengte. Onelegant en plomp. Stel je je een mens voor die plots door acute kaalheid zou worden getroffen. Op één dikke vette haar na. Geen gezicht.

Ik druk op de witte knop ernaast en aan je achterkant gaapt een deksel open. Als een schedel die door een patholoog wordt opengezaagd. Maar bij een mens zijn de hersenen consistent. Een kilo of twee. Minstens vier procent van het lichaamsgewicht. In jouw ruime schedel zit alleen maar een belachelijk stukje wit plastic met een nog kleinere gouden cirkel erop geplakt. Sim is anders dan slim.

Als ik vandaag de maandelijkse rekening van de telefoonmaatschappij niet had gekregen, had ik geen moment aan jou gedacht. En de la was dicht gebleven. Op die rekening stond dat ik jou afgelopen maand maar drie keer heb gebruikt. Drie keer per maand! Daar kan geen enkele relatie op blijven tieren. Totale duur: 6 minuten en 45 seconden. Vluggertjes die ik me niet meer voor de geest kan halen. Waar gebeurde het? In een lift? De auto? De keuken? Geen idee. Het lijkt erop dat we beter uit elkaar kunnen gaan. Je verhuizing van de bovenste naar de onderste la is al gepland.

Maar hoe heeft het zo ver kunnen komen? Toen ik je vijf jaar geleden uit je doos haalde, was ik onmiddellijk verkocht. Jij was me natuurlijk vóór geweest. Liefde op het eerste gezicht. Ik drukte je tegen mijn hart, in mijn binnenzak, en nam je overal mee naar toe. Soms, als je niet genoeg aandacht kreeg, begon je tegen mijn borst te trillen. Twee keer altijd. Deze lichte bibbering van verlangen ging vervolgens over in je melodieuze timbre. Ik was gecharmeerd. Drukte je tegen mijn wang en praatte zachtjes. Passanten keken jaloers naar ons. Deze ontvlamming was van korte duur.

Snel merkte ik dat ik niet de enige was. Iedereen op straat liep opeens met de hand aan het oor. Het bijzondere, het exclusieve was vervlogen. Vanaf die tijd begon je steeds meer aandacht te vragen. Je werd veeleisend. Ik kon niet meer afrekenen bij de kassa van de supermarkt of een gesprek met iemand aanknopen zonder dat je ertussen probeerde te komen. Wat ik in het begin als elegant ervoer, werd vulgair en banaal. Door de gewenning werd het vroegere gefluister een litanie van schreeuwen. Ik merkte dat ik me steeds meer ging generen wanneer ik je te voorschijn moest halen. Om wat privé was in het openbaar te etaleren. Jouw exhibitionisme stond me ineens tegen. Vanaf dat moment besloot ik steeds vaker alleen uit te gaan. Maar soms werd ik door schuldgevoelens geplaagd. Zoals die ene keer dat ik door de Franse heuvels ging fietsen. Jij smeekte, jankte: stel je voor dat je iets overkomt in een afdaling. Je nestelde je tegen mijn nieren, in de achterzak van mijn wielershirtje. Het werd bijna mijn dood. Omdat ik zwetend en puffend je aanwezigheid was vergeten. Toen je begon te trillen dacht ik dat een enorm insect onder mijn shirt was gekropen. Ik liet het stuur los van schrik, viel hard op het asfalt en werd bijna aangereden. Wat heb ik jou en mezelf gehaat. Maar zelfs deze emotie heb ik nu niet meer. Ik voel niets meer. Je laat me koud. Het is uit.