Sylvain Ephimenco

Brief aan mijn oude slaapkamer

Meer dan 24 jaar geleden, het moet rond 2 of 3 april 1977 zijn geweest, verliet ik jou voor een lange reis om, dacht ik toen, niet meer terug te komen. Ik was net ontslagen uit militaire dienst, snakte naar verse lucht en avontuur. Binnen 24 uur had ik mijn definitieve vertrek uit Aix-en-Provence en Frankrijk geregeld. In Nederland zat een vakantieliefde geduldig op mij te wachten. Terwijl ik jou ontdeed van mijn meest dierbare bezittingen, dreunde in mijn hoofd een zinnetje na in een taal waarop ik drie jaar eerder verliefd was geworden: «En ik vergeet, ik vergeet wat is geweest… want wat geweest is, is geweest.» Zou ik, eenzame fietser, kromgebogen over het stuur, deze wedstrijd wel winnen? Onder het afkeurende oog van mijn moeder die dit verraad aan familie en vaderland nooit heeft begrepen, haalde ik al mijn boeken van de planken en propte ze in twee valiezen. Tegen Rousseau, Diderot, Sade, Camus en Sartre zei ik in een zucht: «Tabé Parijs, Berlijn, Madrid, jullie gaan mee naar Rotterdam.»

De nachttrein vertrok rond tien uur uit Marseille. Ik stond nog midden in je met mijn twee niet te tillen koffers, als een vrucht die zich opmaakt om uit zijn baarmoeder te worden gespuugd. Ik keek een laatste keer naar jou, onachtzaam en zonder haast, terwijl in de kamer ernaast de televisie zijn onbenulligheden heel hard debiteerde. Het bureautje van mahoniehout met lege laden, een Michelin-kaart van Europa nog aan de muur, evenals een vissersnet uit Spanje en een sinds de vorige ochtend niet opgemaakt bed. Op de deur stond nog geschreven het gedicht dat ik twee jaar eerder met zwarte stift van Aragon, (of was het Eluard?) had overgenomen. Een poëem dat ongeveer zo begon: «Laisse la, Lancelot, laisse la table ronde/ Yseult, Viviane, Escarmonde/ qui pour miroir avaient des rêves déformants.» Helemaal onderaan stond in het nerveuze handschrift van mijn moeder met blauwe koeienletters geschreven: «Wat stelt dit voor, om toch maar in een fabriek te eindigen!!!» Vlak voor mijn militaire dienst was ik, toen nog net achttien, zes maanden in Nederland geweest en via het uitzendbureau Stuwa had ik in talrijke fabrieken en in de Rotterdamse haven gewerkt.

Ik hoorde wat sleutelgeritsel en de zachte stem van mijn vader: «Kom nou, je mist nog je trein.» Terwijl ik nog een laatste blik op jou wierp, dankte ik je voor je geduld en je begrip. Jarenlang had je mij beschermd tegen de wereld om ons heen die ik als een permanente agressie ervoer. De lawaaierige beneden- en bovenburen met hun oorverdovende Franse variétémuziek, de eeuwige vraag vanuit de woonkamer («Waarom kom je niet naar de film op tv kijken?») en de middelmatigheid en mediocriteit van aspiraties die niet verder reikten dan een goede maaltijd en de jaarlijkse vakantie aan de Costa del Sol, het geschreeuw aan tafel wanneer discussies alweer over Algerije gingen, over die «vuile Arabieren», «die wilden die alleen van strotten afsnijden weten». Hier, in jouw weefsel vol van de verlangens die ik erin had gelegd, kon ik me terugtrekken, lezen, schrijven en, kijkend door het raam naar de snelweg naar Nice, dromen van het volmaakte geluk.

Al een week verblijf ik weer in jou. Een bewuste keus. Ik schrijf weer op hetzelfde mahoniebureau maar nu in het Nederlands. Je muren van stenen en je vloertegels zijn dezelfde, maar alles is bedekt. Zelfs de deur. Met grijs behang omdat zwarte stift en poëzie niet zijn weg te krijgen. Je bent, denk ik, vervlogen, dood door verdriet, niets meer dan een herinnering. Hier hangt tegenwoordig ook een spiegel. Maar de adolescent in de weerspiegeling heeft grijs haar gekregen. Hij kijkt nog steeds dromerig en er is nu tevredenheid in zijn blik. Maar, vergis je niet, geen nostalgie.