woensdag 19-04-2006

Brief uit

Groot-Brittannië en de Verenigde Staten zijn gezamenlijk bezig de wereld te verbeteren. Hoe kijken onze correspondenten Patrick van IJzendoorn in Londen en Pieter van Os in Washington naar elkaar. Een briefwisseling.

Beste Patrick,

Terwijl we alletwee eigenlijk onze neuzen in de plaatselijke economie hoorden te steken voor onze artikelen van volgende week, ben ik er even tussenuit gevlogen, naar Puerto Rico, een Caribische eiland ter grootte van Drenthe, Friesland en Groningen tezamen.
Daar heb ik in vergroting de zegeningen en vernietigende werking van de vrije markt mogen aanschouwen. Vernietigend vooral in esthetische zin. Mijn God, als buitenlander mag je er natuurlijk niet teveel van zeggen, maar wat gruwelijk lelijk zijn die Amerikaanse stripmalls en shoppingmalls toch. Vooral als je er zoveel van neerzet, wat in Puerto Rico is gebeurd, wat met 424 inwoners per vierkante kilometer dichters is bevolkt dan Nederland, met 395 inwoners per vierkante kilometer.
Tijdens het eten in een ‘eco-lodge’ aan het einde van een geasfalteerde weg, vertelde een Puerto-Ricaanse dertiger dat ze Cuba een bijzonder eiland vond omdat het er daar, zo vermoedde ze, uitzag ‘zoals hier in de jaren vijftig’. Ze kreeg er een idee hoe het leven van haar grootouders eruit had gezien. Zelf heeft ze enige tijd in Amerika gestudeerd, en reist ze nu voor haar plezier door haar vaderland, dat als sinds de Amerikaans-Spaanse oorlog van 1898 een kolonie, of protectoraat, van Amerika is.
Puerto Rico is inderdaad een andere weg gegaan dan Cuba. Behalve fijne stranden en een klein, maar prachtig regenwoud, staat het eiland, zoals gezegd, vol met Amerikaanse ketens, samengebracht in typische Amerikaanse, lage en uitgestrekte shopping-malls. Van Kentucky Fried Chicken, Wendy’s en Burger King, tot Starbucks, Exxon Mobil en The Banana Republic. Geen Barnes & Nobles overigens, want slechts de helft van de bevolking kan lezen. Op Cuba staat er natuurlijk ook geen filiaal van de superboekhandel, maar daar kan wel nagenoeg iedereen lezen en schrijven. Rottig als er dan zo weinig goeds is te lezen. En bovendien, hongerig is het lastig lezen. Want in Cuba heb je natuurlijk geen stuiver om van te genieten. Een rondreizende Cubaan heb ik ook nog nooit gezien. Want het moet gezegd: Puerto Ricanen genieten een relatief hoge levensstandaard. Het inkomen per hoofd van de bevolking is 11000 dollar, wat een derde is van dat in Nederland, maar wat erg hoog is voor de Cariben. Inwoners van de Dominicaanse republiek, een buureiland, verdienen gemiddeld 2000 dollar per jaar. En in straatarm Haïti, ook in de buurt, is dat 390 dollar per jaar. (In Suriname trouwens 2000. Alle cijfers komen van de wereldbank, die een vrij keurige manier van tellen hebben -uitkomsten zijn aangepast aan de levenskosten ter plaatse.)
De zegeningen lieten zich snel zien, in jachthavens en langs het strand in San Juan, de hoofdstad waar nog enkele gigantische forten van de Spanjaarden staan, waar Nederlandse legers zich ooit op stuk liepen. Opvallend is ook dat iedereen op het eiland inderdaad Spaans spreekt en slechts een minderheid daarnaast ook Engels, terwijl het eiland al zo lang bij Amerika hoort. En ja, Puerto Ricanen zien er bijna allemaal zo uit als in matige Amerikaanse B-films: Baseballpetje achterstevoren op het hoofd, broeken die op de knieën hangen, en heel veel goud om de nek en de vingers. Als een Puertoricaan praat, zo lijkt de gewoonte, dat gebruikt hij zijn handen, ter hoogte van zijn hoofd, maar met de vingers naar beneden, alsof hij permanent aandacht vraagt voor de aarde waarop hij staat.
De verwoestingen zijn dus vooral esthetisch. Ik weet: het is eindeloos elitair om als buitenlander de inwoners van een land te vertellen waarom het lelijk is overal gigantische gele M’s van MacDonalds neer te zetten, zeker als inwoners daar geld mee verdienen. Ik ga ze toch ook niet vertellen dat hun baseballpet verkeerd om zit?
Bovendien, Puertoricanen kun je waarschijnlijk vrij snel krenken in hun trots. Hoewel, trots… dat ligt moeilijk. Het patriottisme is groot. En belangrijk. Een Puerticaanse die net als miljoenen landgenoten naar Amerika is geëmigreerd en zichzelf daarom ‘Philarican’ noemt -ze woont immers in Philadelphia- klaagde tegen mij dat ‘veel vrouwen hier minder Puertoricaans zijn dan zijzelf’… Onderdeel van Amerika zijn is kennelijk geen krenking meer van de nationale trots. Sterker, Amerika heeft al drie keer de bevolking van Puerto Rico gevraagd de 51e staat van Amerika te worden, met twee senatoren en veel congresleden in het huis van afgevaardigden (omdat Puerto Rico aanzien meer inwoners heeft dan menige staat in Amerika). Maar in drie referenda kozen de Puertoricanen telkens weer voor de status quo. Ze kregen drie mogelijkheden voorgelegd. Onafhankelijkheid, een volwaardige staat worden binnen Amerika, of in afhankelijkheid voortleven.

In slavernij, om het even dramatisch uit te drukken.
Helaas, in deze postkoloniale tijden komt het moederland niet zo makkelijk meer van haar dochters af. Zie de Antillen. De bevolking van Puerto Rico koos vol overtuiging voor de slavernij, of althans afhankelijkheid. Ik weet het: Mensen vinden het altijd al moeilijk om in referenda voor veranderingen, of zelfs vooruitgang te stemmen. Maar in dit geval speelde er nog iets extra tragisch mee, dat juist weer veel zegt voor de nationale trots van het eiland: Als Puerto Rico een volwaardige staat van de VS was geworden, hadden ze geen eigen team meer mogen sturen naar de Olympische Spelen. Het schijnt dat dit een belangrijk argument was voor het kamp dat streed tegen de campagne die het Amerikaanse Witte Huis steunde.
En daar raken ze gewend aan de nederlagen.

Veel groeten, Pieter