MICROTOPINEE

Brief van de week

Soms is de film mooier dan het boek en de recensie spannender dan de tentoonstelling. Na het lezen van de bespreking van Elixir, de expositie van de Zwitserse videokunstenares Pipilotti Rist, had ik direct mijn agenda gepakt. In lyrische bewoordingen beschrijft Jaap Roëll in de Groene Amsterdammer van 20 maart de zintuigelijke totaalervaring die hij in Boijmans Van Beuningen ondergaat, schoenloos en gelegen in een bed en op een stapel tapijten, ‘in het volle besef dat het een kortstondige vrijplaats is voor dromen en hoop’. Fijn. De laatste zin deed het ‘m echter: ‘Zodra je weer buiten staat en het microtopia van Rist achter je hebt gelaten, is de confrontatie met wat we de werkelijkheid noemen des te groter. De roes is er nog wel, maar de teleurstelling ook.’

Aangezien ik dol ben op dit soort teleurstellingen toog ik naar Rotterdam, waar de totaalervaring al begon in de trein; temidden van een geurspektakel van patat en fritessaus steeg een symfonie van ringtones op, gevolgd door ontboezemingen van allerlei aard. Ik ben geen fan van interactieve tentoonstellingen waarbij musea er alles aan doen om het de bezoekers naar de zin te maken. Maar het is natuurlijk anders wanneer de kunstenaar zélf met zo’n idee komt. De uitnodiging om je liggend over te geven aan Rists universum beviel me wel: muziek beluister ik ook altijd het liefst languit liggend op het tapijt. Musea kunnen soms iets krampachtigs hebben; je kunt er zo op jezelf teruggeworpen raken dat je opschrikt van de knerpende zolen van de suppoost. Dat geldt trouwens ook voor concertzalen. Toen ik de negende van Dvorak voor het eerst live hoorde, was ik diep geraakt door de kolkende strijkers onder het balkon. De dirigent leek het orkest maar ternauwernood in bedwang te kunnen houden. Ik huilde van ontzag. Het kwam me te staan op een vermanende blik van het echtpaar naast me. Jarenlang kreeg je mij geen concertzaal meer in. Je begrijpt dat ik er klaar voor was om me daar in het Booijmans te onderwerpen aan een totaalervaring die z'n weerga niet kende. In de westvleugel van het museum betrad ik een stilleven met tientallen schoenen, waarbij opviel dat vrijwel niemand bij het uittrekken z’n veters losmaakte. Verwachtingsvol betrad ik een ruimte waarin volgens de recensie ‘de video-installaties in elkaar over zouden vloeiden, slechts gescheiden door semi-permeabele wanden’. Ik tuurde gespannen de donkere, kale zaal in. Niks membranen waar ik mij zachtjes doorheen moest dringen; er hingen slechts wat lappen boven een linoleumvloer. Erachter lagen her en der mensen op een tapijtheuvel. Bewegingloos staarden ze naar een framboos die gekwetst werd tussen vingers en een vrouwenborst. Ze wilden geen centimeter voor me opschuiven, dus de kans om tezamen de ‘’bloedsomloop van het mensenlijk lichaam te vormen’ leek verkeken; laat staan dat we een choreografie konden vormen; ‘een stille dans in slowmotion door een organische wereld, begeleid door de ijle en rustgevende akkoorden van de muziek van Anders Guggisberg’. Dan maar naar de bedden waarin een schokkerige boswandeling, opgenomen met handcamera, mij de adem benam. Niet vanwege de beelden, maar vanwege de jongen die naast me lag met wel zeer onwelriekende sokken, waardoor ik mij, zijwaarts ademend, vooral bezighield met gedachten over schaamteloosheid in de openbare ruimte. Het microtopia van Pipilotti Rist bestaat uit een bewegende vrouw. Niets meer en niets minder. Ewelina Guzik, de muze van Rist, beweegt zich dromerig voort, zwemmend, over de grond rollend, zich een weg banend door struikgewas. Net toen ik gebiologeerd begon te raken door het rollende meisje, begon de walkie talkie van de suppoost te schetteren. Ik was de boos kijkende brunette al eerder op de gang tegengekomen. Ze had haar misprijzen over de expositie maar nauwelijks kunnen verbergen. Er volgde een uitgebreid gesprek met de garderobejuffrouw over een jasnummer. Ik begon hevig te verlangen naar mijn eigen microkosmos. Microtopia? Wat had Roëll daar gezien? Mogelijk begon de recensent te hallucineren door de tot vervelens toe gebruikte fisheye-lens met extreme close-up. Waren het de slaapverwekkende loops die hem een gevoel van tijdloosheid bezorgden, en werd de ongrijpbaarheid in de hand gewerkt door het nerveuze gebruik van de handcamera. Of was het de totale ondoorgrondelijkheid van Elixir die zijn gedachten op hol deed slaan? Inspireerde het schrijven over zoveel niksigheid hem tot wervelend proza, waarin Rists vaagheid ineens een weerwoord vormde op onze overgestructureerde wereld? Hiermee is in ieder geval bewezen dat Rist kan inspireren. Maar mij bleven vooral die gestrikte veters bij.