We zijn agressiever en lichtgeraakter

Briefwisseling: Een land vol hufters

De Nederlandse samenleving verruwt, blijkt steeds weer uit onderzoek. Maar is dat wel zo, en hoe is het te verklaren? Een briefwisseling over de opkomst van hufterigheid.

Beste Meindert,

Onlangs heb ik in de trein het boek Wat een hufter! van socioloog Bas van Stokkom gelezen. De locatie leek mij uitstekend gekozen aangezien hufterig gedrag zich bijna nergens zo mooi laat aanschouwen als in de trein. En inderdaad, ook deze reis was het weer raak. De jongen naast mij had een koptelefoon op die feitelijk dienstdeed als luidspreker en meerdere passagiers waren al dan niet onafgebroken schaamteloos luid aan het bellen. De oudere dame die besloot hier iets van te zeggen, moest dat bekopen met een snauw. Kaartjescontrole bleef uit, maar afgaande op eerdere uitlatingen van wat jongens achter mij was dat voor de conducteur maar beter ook. Daarnaast rook de wagon minstens tot aan Amersfoort naar gefrituurde bami, behalve dan op de wc, want daar hing een wietlucht. Tien minuten voor bestemming had ik het boek uit.

De samenvatting ervan stemt niet vrolijk: volgens Van Stokkom is Nederland in rap tempo aan het verhufteren. Waar het in de jaren negentig van de vorige eeuw nog de goede kant op leek te gaan, laat onze samenleving zich momenteel in toenemende mate karakteriseren door het gebruik van fysieke en verbale agressie. De maatschappelijke omgang verruwt en verhardt. Mensen raken sneller geïrriteerd, houden minder rekening met elkaar en uiten hun ongenoegens steeds barbaarser.

Van Stokkom is de enige noch de eerste die dergelijke ontwikkelingen heeft opgemerkt. Zes jaar geleden sloeg ook de overheid alarm nadat een onderzoek van TNS Nipo had uitgewezen dat mensen steeds vaker, zowel bij zichzelf als bij anderen, onbehoorlijk gedrag opmerken. Daaropvolgend werd de landelijke Sire-campagne Kort lontje gelanceerd met het doel de omgangsvormen weer te normaliseren. Of het spervuur aan spotjes uiteindelijk geholpen heeft, valt sterk te betwijfelen; afgelopen jaar riep Sire nog op tot het herkennen van aardige mensen.

Hoewel Van Stokkom in algemene zin spreekt van een verhuftering van de samenleving, lijken de klachten van uiteenlopende aard. Rondvraag leert dat de beschrijvingen van hufterigheid dikwijls uiteenlopen, afhankelijk van wie je voor je hebt. De een beschouwt ongegeneerd bellen in winkel en trein als hufterig gedrag, terwijl de ander hufterigheid associeert met agressie in het verkeer. Weer anderen refereren aan de schaamteloosheid waarmee bankiers hun bonussen opstrijken. Hufterigheid ligt dus deels besloten in the eye of the beholder.

In die zin is het lastig om vast te stellen in hoeverre hufterigheid daadwerkelijk in opkomst is. Valt dit veelkoppige monster wel goed te meten? Een collega attendeerde mij op een artikel van filosoof Paul Dekker en politicoloog Tom van der Meer, waarin zij stelling nemen tegen de mediagenieke aanname dat het vertrouwen van de bevolking in de politiek de laatste jaren dieptepunt na dieptepunt heeft bereikt. Volgens hen heeft de bevolking namelijk nog wel degelijk vertrouwen in de politiek. Andersoortige beweringen komen volgens de auteurs vaak voort uit onderzoek waarbij het concept vertrouwen niet adequaat geoperationaliseerd is. Zo stellen zij dat de vele betekenissen van vertrouwen niet zomaar naar voren komen in simpele enquêtevragen. Gedegen onderzoek naar vertrouwen als een diepgewortelde stabiele houding vereist een andere aanpak met oog voor de meervoudigheid van het concept. Ontbreekt zulk onderzoek dan dreigt men elkaar ‘nodeloos in de put te praten’. Er bestaat natuurlijk een goede kans dat dit ook opgaat voor hufterigheid.

Opvallend is wel dat de betekenis van hufterigheid a priori ook een aantal begrenzingen kent. Zo wordt de term hufter door de bank genomen vrijwel exclusief aangewend om mannen te typeren. Het zinnetje ‘zij is een ongelooflijke hufter’ klinkt bijna grammaticaal onjuist. Dit is opmerkelijk omdat de term zelf niet verwijst naar iets typisch mannelijks zoals dat wel het geval is bij klootzak. Een verklaring hiervoor kan zijn dat weliswaar de term zelf geen mannelijk element bevat, maar dat het gedrag dat eraan ten grondslag ligt wel vaak wordt geassocieerd met zogenoemd typisch mannelijke trekjes. In overstemming hiermee koppelt Van Stokkom de verhuftering van de samenleving onder meer aan de toenemende populariteit van machogedrag. Daarmee blijft het natuurlijk de vraag of vrouwen geen echte hufters kunnen zijn.

Naast de ingebakken associatie met typisch mannelijk gedrag bestaat ook het idee dat het concept doorgaans uitsluitend aan bepaalde sociale klassen kleeft. Zo determineert Van Stokkom de hufterpopulatie goeddeels aan de hand hiervan. Hij stelt, in tegenstelling tot wat Dick Pels eerder in De Groene Amsterdammer (november 2009) concludeerde, dat de verruwing van de huidige samenleving niet primair moet worden toegeschreven aan de lagere klassen, maar juist ook aan de ‘gemakzuchtige middenklassers’. Volgens Van Stokkom gaat het wat betreft de hufterigheid van de lagere klassen om een zekere historische constante, verklaard door structurele uitzichtloosheid en gebrek aan sociale controle. Die hufterigheid is niet zo opzienbarend, interessanter is de observatie dat deze attitudes inmiddels ook zijn doorgedrongen tot de middenklasse.

Meindert, ik vind het nogal wat om bepaalde sociale klassen exclusief aan hufterigheid te verbinden. Wat zijn jouw ideeën hierover? Is hufterigheid inderdaad een bottom up-verschijnsel en worden hogere klassen terecht buiten beschouwing gelaten? Of betreft het hier een definitieprobleem waarbij de term hufterigheid boven een bepaalde inkomensgrens of bij het bereiken van een zekere sociale status vervangen wordt door de aanduiding ‘niet zo chic’? Of moet de oprukkende hufterigheid überhaupt met een korreltje zout worden genomen, en hebben we slechts te maken met de zoveelste verpakking van de platitude ‘vroeger was alles beter’?

Sjoerdje


Beste Sjoerdje,

‘Wij leven in een land vol met hufters’, schrijft Marcel Peereboom Voller op 8 december 2010 in De Telegraaf. En die hufters zouden aan de schandpaal genageld gaan worden op de Apeldoornse site Hufter Hunt, waarop iedereen een filmpje of foto kon plaatsen van iemand die zich hufterig gedragen had. Dat zou ze leren!

De volgende dag werd de site door het Apeldoornse gemeentebestuur alweer uit de lucht gehaald omdat er beelden werden aangeboden door jongeren die zichzelf hufterig gedroegen. Sommige mensen zijn trots op hufterig gedrag dat door anderen wordt gezien als een gebrek aan fatsoen, schrijft Peereboom Voller. Volgens mij is dat een misverstand. Een hufter is iemand die zich niet schaamt voor zijn gebrek aan goede manieren en daarom werkte die site van Hufter Hunt sowieso niet. Dat men filmpjes maakt van eigen hufterig gedrag is een vorm van stoerdoenerij die eigenlijk al het begin is van schaamte: juist door zo uitdrukkelijk schaamteloos te zijn laat men ongewild zien dat de boodschap van Hufter Hunt toch aangekomen is.

Maar om op je vraag terug te komen: ik denk dat Dick Pels gelijk heeft als hij de term hufterigheid koppelt aan de lagere sociale klassen. Dat voel je meteen als je op zoek gaat naar de antinomie van het begrip. Wat is het tegengestelde van hufterigheid? Hoffelijkheid. En waar vinden we die hoffelijkheid? Juist, aan het hof. De term hufter past in de beschavingstheorie van Norbert Elias die het beschavingsproces vooral ziet als een verbetering van omgangsvormen die zich vanuit het hof verspreidden onder de hogere en middenklassen, die het op hun beurt weer verspreidden onder de lagere klassen.

Maar dat klassengebonden karakter van het begrip maakt ook dat het analyseren van omgangsvormen in die termen zelf klassengebonden is. Jouw beschrijving van je treinreis is daar een sprekend voorbeeld van. Mensen spraken in jouw coupé op luide toon, het rook er naar bamiballen en wiet, kortom je had de grootste moeite je te concentreren op het werk van een belangwekkende politieke filosoof. Vroeger zou een meisje van jouw stand überhaupt niet met de trein reizen en waarschijnlijk om precies dezelfde redenen, met dien verstande dat de treincoupés vroeger naar paardenworst en zware shag roken en dat de passagiers nog niet over draagbare telefoons beschikten.

Vijftig jaar geleden vertelde een klasgenoot van het lyceum in Zeist mij enigszins gegeneerd dat zijn grootvader soms last had van de wijze waarop het volk de openbare ruimte opeiste. Als op zaterdagmiddag de Zeister Slotlaan volstroomde met winkelend publiek kreeg de oude baas het te kwaad. Hij stak zijn wandelstok dan recht vooruit en terwijl hij die stok vervaarlijk heen en weer zwaaide schreeuwde hij: ‘Weg met het gewone volk! Weg met het gewone volk!’

Dat gewone volk heeft die stok nooit afgepakt of geroepen: ‘Zeg ouwe lul, zal ik die stok eens in je reet steken?’ Had iemand dat wél gedaan dan was hij vast en zeker voor hufter uitgemaakt. Maar ik heb niemand bij het verhaal van de deftige opa ooit horen zeggen: ‘Wat een hufter!’ De familie schaamde zich wel een beetje, maar stiekem vond men hem toch ook quite a character.

Ook Van Stokkom heeft gelijk. Dat ‘hufterige gedrag’ is een probleem van de middenklasse geworden. Maar ik zou het anders formuleren: de sociale democratisering heeft zich de afgelopen jaren in zo’n sneltreinvaart ontwikkeld dat de omgangsvormen daarmee geen gelijke tred hebben kunnen houden. En daar komt nog bij dat de wijze waarop die middenklasse gevormd is langs lijnen loopt van een groeiende sociale concurrentie. Vroeger werd je gevraagd voor een baan, tegenwoordig moet je solliciteren, vaak zelfs in de vorm van een open sollicitatie die de vorm heeft van de nadrukkelijke vraag: ‘Who wants this (wo)man?’ Onder die moordende concurrentie valt het niet mee om de omgangsvormen te handhaven die bij een standenmaatschappij behoren.

Van een vriendin hoorde ik hoe zij bij het station Heemstede-Aerdenhout op een parkeerplaats stond te wachten en een haastige BMW in de vrijgekomen plaats schoof. Toen zij de BMW-rijder daarop aansprak zei hij: ‘Als u u nu met uw zaken bemoeit, dan bemoei ik me met de mijne.’ De man moet haast wel een moderne bonusbankier geweest zijn. In ieder geval zou een bankier van het oude stempel het niet in zijn hoofd gehaald hebben een dame zo te bejegenen. Hufterigheid is een stijgend cultuurgoed.

Toch denk ik dat er ook een andere kant aan je klacht zit die destijds door Pim Fortuyn op onnavolgbare wijze onder de aandacht gebracht is. Nederland is druk, erg druk. Sinds jouw geboorte zijn er vijf miljoen inwoners bijgekomen en dan heb ik jou niet meegeteld. Veel van die nieuwe Nederlanders kwamen van buiten, maar even zo goed kwamen er ook veel van binnen. Het aantal auto’s is sinds jouw geboorte bijna verdubbeld en het aantal verkeersbewegingen is een veelvoud van wat het was in 1980. Al bewegende is het aantal contacten tussen mensen van uiteenlopende klassen eveneens sterk vermeerderd. Gabriël van den Brink wijst erop dat de intensiteit van het maatschappelijke verkeer toeneemt, terwijl de sociale ruimte waarin moderne burgers zich bewegen grootschaliger en anoniemer is geworden. Veel mensen lossen dat op zoals jij, door zich zo veel mogelijk af te sluiten van het sociale verkeer in de publieke ruimte.

Er is overigens wel een ander probleem met de opvatting van Van Stokkom: hij beschouwt ook de opkomst van rechts als een vorm van hufterigheid. Volgens hem valt de oprukkende hufterigheid ook te zien als symbool van de verschraalde publieke moraal die zich momenteel laat kenmerken door ‘tanend gezag’, ‘toenemend cynisme’ en ‘de neiging hardere straffen te eisen’. Dat laatste is waar (of het cynisme toeneemt is verre van zeker) en ook is het zeker dat het niet zal helpen. Maar ik zou dit toch liever zien als een reactie op de toegenomen of waargenomen hufterigheid en criminaliteit die daarmee geassocieerd wordt. Veel mensen zijn banger geworden, zelfs in hun eigen huis en in hun eigen buurt.

Meindert


Beste Meindert,

Vrij Nederland presenteerde onlangs een typering van het nieuwe Nederlandse ‘Rechtsland’ waarbij mij inderdaad een aantal parallellen opviel met de geconstateerde verhuftering van de samenleving. Zo wordt gesteld dat Rechtsland zich, in tegenstelling tot het oude Nederland waar linksmensen de boventoon voerden, laat karakteriseren door vastberadenheid, daadkracht en hard werken. Pacifisme wordt gezien als zwaktebod en de middelvinger regeert de snelweg. Daarnaast is lompheid de geprefereerde omgangsvorm en dienen intellectuelen het veld te ruimen. Rechtsland zou een reactie zijn op de jaren zestig en zeventig toen ‘een groep losgeraakte provocateurs het voor het zeggen kreeg en er een potje van maakte’.

Ook volgens Simon Kuper, auteur van het boek Ajax, The Dutch, The War moet de opkomst van rechts als een vorm van hufterigheid worden beschouwd. Hij stelde onlangs in Buitenhof dat het sinds Pim Fortuyn binnen de Nederlandse samenleving tot deugd is verheven om te zeggen wat je denkt, ook wanneer dit kwetsende zaken betreft. Geert Wilders en de PVV moeten als betreurenswaardige uitvloeisels van deze ontwikkeling worden gezien. Volgens Kuper is het maar goed dat de wereld geen Nederlands spreekt, anders zou deze op zijn kop staan. We zouden ons moeten schamen, schreef hij eerder in NRC Handelsblad.

In de opvatting dat de opkomst van rechts als een vorm van hufterigheid moet worden beschouwd, staat Van Stokkom dus niet alleen. Overigens bedoelt men met rechts dan wel nieuw-rechts zoals de PVV en de LPF. Verder blijkt dat het alsnog allemaal de schuld is van (oud-)links. Immers, met hun halfslachtige hippieovertuigingen hebben zij Nederland naar god geholpen.

Of het zinnig is de verhuftering van de samenleving te vatten in links-rechts-termen is maar de vraag. Opmerkelijk is het natuurlijk wel dat de PVV-fractie zich, voor zover wij weten, bovengemiddeld schuldig heeft gemaakt aan hufterig gedrag zoals grof taalgebruik, kopstoten, roekeloos rijgedrag en als slagroom op de taart het optreden van Eric Lucassen als urinebode. Maar opvallend genoeg pleit uiteindelijk ook juist de PVV voor hardere straffen en de terugkeer van fatsoen om zodoende de eigen vermeende culturele opmars weer aan banden te leggen. Het dubbelzinnige gedrag van Geert Wilders, Marcial Hernandez, Hero Brinkman en Eric Lucassen is misschien het beste te omschrijven met de woorden van de Amerikaanse schrijver Michael Chabon: ‘It takes a sour woman to make a good pickle.’

Deze tegenstrijdigheid maakt duidelijk dat er met betrekking tot de verhuftering van de samenleving twee zaken spelen: het vertonen van asociaal gedrag en asociaal reageren op de vertoning van asociaal gedrag. Ook Van Stokkom wijst op dit onderscheid en stelt dat beide vormen bezig zijn aan een opmars. We zijn zowel agressiever als lichtgeraakter. Het blijft hierbij echter onduidelijk in hoeverre het om twee verschillende groepen gaat of om dezelfde. Tevens blijft het onduidelijk hoe deze gedragingen zich tot elkaar verhouden. Worden mensen steeds lichtgeraakter door een toenemende blootstelling aan agressiviteit of zijn dit juist twee kanten van dezelfde medaille? Wat denk jij Meindert, zou het zo kunnen zijn dat voornamelijk hufters zich druk maken om hufterigheid?

Dat het binnen een land inderdaad ook anders kan, ervoer ik onlangs in Japan. Afgelopen februari bracht ik daar een bezoek, ongeveer drie weken voordat de catastrofale aardbeving plaatsvond nabij Sendai. Japanners bleken doorgaans uitermate beleefd, gedisciplineerd en zich bewust van hun omgeving. Zo wachten ze netjes in een rijtje op het perron tot de metro arriveert. Eenmaal in de metro richt vrijwel iedereen zich tot zijn mobiele telefoon, maar dan wel zonder geluid. Niemand belt. Ook stemverheffing en luidkeels brallen is ze vreemd. Bovendien wordt er niet gegeten of gedronken in de metro. Word je tijdens een metroritje plotseling overvallen door een penetrante voedselgeur dan weet je meteen hoe laat het is: er bevindt zich nóg een toerist in de wagon. Het is trouwens ook geen gewoonte om te eten terwijl je over straat loopt. Openbare prullenbakken zijn er dan ook nauwelijks te vinden. Bij aankomst op het treinstation in Kyoto word je er middels grote internationale borden op gewezen dat je trolly weleens hinderlijk zou kunnen zijn voor je omgeving. Of je deze daarom zo dicht mogelijk bij je lichaam wil houden.

Na ruim een week had ik mijn conclusie getrokken: als er één volk bij uitstek geschikt is voor het grootstedelijke samenleven, dan zijn het de Japanners. Ook nu, in de nasleep van de ramp in Sendai schijnen ze gemoedelijk in de rij te staan in de hoop op een laatste druppel benzine.

Dit rustige gedrag zou te verklaren zijn uit de eeuwenoude tradities van kalmte, beleefdheid en gehoorzaamheid. Negatieve emoties zouden niet snel af te lezen zijn aan hun gezichtsuitdrukking. Die zullen zij eerder proberen te verbloemen met een glimlach, alleen hun ogen zouden dit soort gevoelens kunnen verraden. Zo gebruiken Japanners ook andere emoticons: waar wij de nadruk leggen op de mond of het hele gezicht, leggen zij die op de ogen. Een blij gezichtje is bij ons bijvoorbeeld :-) en bij hen (_). Een droevig gezichtje is bij ons :-( en bij hen (;_;).

Overigens wil ik niet beweren dat alles altijd maar pais en vree is in Japan; de cultuur staat tevens bekend als gewelddadig en wreed. Zo beantwoordde mijn moeder mijn gemailde lofzang over de Japanse omgangsvormen onder meer met een subtiele verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog. En dat een hoge mate van (opgelegde) beschaving en discipline ook zijn keerzijde kent, wordt duidelijk uit de hoge zelfmoordcijfers in Japan.

Nu stelde jij in je brief dat een deel van de Nederlandse hufterproblematiek ligt bij het alsmaar drukker wordende intermenselijke verkeer. Niettemin lijkt het drukke intermenselijke verkeer in Japan de beschaving vooralsnog geen parten te spelen. Tokyo heeft inclusief voorsteden ruim twaalf miljoen inwoners en kent de drukste kruispunten ter wereld. Dat doet toch vermoeden dat drukte geen rol speelt, zolang de cultuur dit maar toelaat.

Sjoerdje


Beste Sjoerdje,

Wat mij stoort is de tendens om de hufterigheid als politiek strijdbegrip te gebruiken. Ik geef een voorbeeld. In een tweegesprek van de oud-museumdirecteuren Rudi Fuchs en Henk van Os in De Groene Amsterdammer van 25 november 2010 zegt de laatste: ‘Een hufter is voor mij iemand die meent dat er aan hem niets gedaan hoeft te worden.’ Dat is wel een heel ruime definitie: zo geformuleerd was Harry Mulisch misschien wel de grootste hufter van de vorige eeuw. Uit de context blijkt echter dat Van Os die niet bedoelt. Hufters zijn volgens hem mensen die op kunstsubsidies willen bezuinigen, en dan in het bijzonder de PVV-stemmers (‘om het beest maar bij de naam te noemen’, voegt Van Os daaraan toe). Dat niet de PVV maar de VVD en het CDA de regering vormen die de bezuinigingen op de kunst doorvoert, daarover lezen wij in het tweegesprek geen woord.

‘In de bosbouw’, zegt Fuchs op zijn beurt, ‘weet men tegenwoordig dat het beter is hout te laten liggen en rotten. Uit die rotting komt wat voort. Dat is wat kunst ook doet. Kunst ligt te stinken, zoals goede kaas.’ Niks meer aan doen, lijkt Fuchs te zeggen. Maar dat is nu juist wat deze regering wil met de kunst: laat toch lekker rotten! Misschien komt er dan iets uit wat mensen echt lekker vinden, in plaats van de praatjes van twee mannen die volledig op kosten van de belastingbetaler van het goede leven genieten en die mensen die daar bezwaar tegen maken voor hufter uitmaken.

Het begrip hufterigheid is door links gekaapt net zoals het begrip criminaliteit door rechts is gekaapt. Tegenover ‘three strikes you are out’ van Wilders staat het beschavingsoffensief van de linkse dominees en advocaten. Komt het voor links dan niet goed uit dat de grondtroepen van de PVV zo’n groot peloton aan hufters bevatten? Maar op GeenStijl wordt Bas van Stokkom een ‘prudent progressieve internethufter’ genoemd, een ‘sociologische clown’, een ‘academische lamlul’. En: ‘Linkse krullenbol doet weer grappige uitspraken.’

Het beschavingsoffensief waarmee men de verhuftering wil stoppen krijgt soms de contouren van een maatschappelijke restauratie. Alles wat nieuw is, wordt door links afgewezen: of het nu gaat om reality tv, de castingshows of de PVV, het valt voor links allemaal onder hufterigheid. Van de weeromstuit sluit links het ancien regime in zijn armen. Toen Heleen van Royen onthulde dat dokter Oudkerk heroïnehoeren voor twintig euro vaginaal visiteerde, namen heel wat linkse dames en heren in onze omgeving het voor hem op. Men vond de onthulling ‘stijlloos’. Ook vind je onder de verdedigers van het koningshuis steeds meer linkse mensen, terwijl rechts zich van het koningshuis begint af te keren. De deftigheid komt tegenwoordig van links, de democratisering van rechts.

In Japan zijn de mensen nog welopgevoed en beleefd, schrijf je. Jij hebt dat zelf ondervonden, maar na de tsunami die op zijn beurt een nucleaire ramp veroorzaakt heeft, lezen wij dat ook in de krant. Ondanks de rampspoed die hun treft blijven de Japanners gedisciplineerd en beleefd tegen elkaar. Japanners hebben daar zelfs een woord voor, hoorde ik een correspondent op de radio zeggen, een woord waarvoor geen vertaling voorhanden is.

Misschien is het wel zo dat burgerdeugden juist sterk ontwikkeld zijn in sterk hiërarchisch georganiseerde maatschappijen en veel minder in maatschappijen waar een grote mate van gelijkheid bestaat. De hoffelijkheid die men in acht neemt zou dan een gevolg zijn van traditionele gezagsverhoudingen. Dat zou betekenen dat een egalitaire samenleving naar zijn aard een samenleving van hufters wordt. Geen prettig vooruitzicht…

Meindert


Meindert Fennema is hoogleraar migratie en etnische studies aan de Universiteit van Amsterdam. Vorig jaar verscheen zijn boek Geert Wilders: Tovenaarsleerling_. Sjoerdje van Heerden promoveert bij de afdeling politicologie van de UvA op een onderzoek naar de demonisering van politici en politieke partijen binnen verschillende West-Europese landen_