Onze zwarte prinses

Briefwisseling over Ayaan Hirsi Ali

Waarom wordt Ayaan Hirsi Ali niet als feministische heldin omarmd en stond zij bijvoorbeeld niet tussen de ‘derde-golffeministen’ op de februaricover van Opzij? Die vraag is het thema van een correspondentie tussen de politicologen Meindert Fennema (62) en Sjoerdje van Heerden (26).

Beste Sjoerdje,

HET BESTE BOEK dat ik vorig jaar heb gelezen is Mijn vrijheid van Ayaan Hirsi Ali. Ik ben trouwens niet de enige. Wereldwijd zijn er miljoenen lezers die de Engelse versie, Infidel, hebben aangeschaft en in de pocketeditie staan zelfs vragen over de tekst, speciaal ten behoeve van de Infidel Reading Group Guide. Ik raad sindsdien iedereen die geïnteresseerd is in mijn vakgebied (migratie en etnische studies) aan deze autobiografie te lezen. Het boek geeft een zo scherpe analyse van tien jaar vreemdelingenpolitiek, van de fabricage van vluchtverhalen, van de goede kanten maar ook de kwalijke kanten van het integratiebeleid dat geen sociale wetenschapper die zou mogen missen. Op mijn faculteit zijn er helaas maar weinig collega’s die het boek willen lezen. Als je links bent lees je Hirsi Ali niet.
Hirsi Ali beschrijft zonder enige poeha de verschrikkingen die het leven in Somalië, Saoedi-Arabië en Kenia voor meisjes in petto heeft. En het angstaanjagende is dat het hier ook nog gaat om een jeugd die zich deels afspeelt in de hogere middenklasse. Haar ontsnapping naar Duitsland en haar vlucht naar Nederland geven de lezer meer inzicht in de vluchtelingenproblematiek dan honderd uitzendingen van Netwerk. Het vluchtelingenkampregime wordt messcherp geanalyseerd en in de beschrijving van zelfs de meest schrijnende voorvallen vermijdt Hirsi Ali goedkoop sentiment. Het boek van Ayaan heeft mijn visie op de man-vrouwverhoudingen blijvend beïnvloed.
Dertig jaar geleden las ik de autobiografie van Anja Meulenbelt. De schaamte voorbij heette dat boek en dat zou heel goed de ondertitel kunnen zijn van Mijn vrijheid. Ook bij Ayaan wordt steeds een beroep gedaan op het schaamtegevoel om haar onderdrukking te accepteren. Bij Ayaans besnijdenis doet haar oma een beroep op de religieuze en etnische loyaliteit van haar moeder als deze bij terugkeer van een verre reis tot haar woede verneemt dat haar dochter stiekem is besneden. Als Ayaan besluit om het gedwongen huwelijk met haar neef niet te consumeren, doet moeder op haar beurt een beroep op de eer van de familie. Gevoelens van schuld en schaamte achtervolgen Ayaan tot in het opvangkamp in Lunteren als ze voor het eerst haar hoofddoek afdoet en een spijkerbroek aantrekt.
Beide autobiografieën beschrijven hoe een sterke vrouw de vrijheid opeist die een door mannen gedomineerde wereld haar wil onthouden. De auteurs zijn allebei – toevallig? – als kind slachtoffer van huiselijk geweld en van verwaarlozing geweest. Zij voelden zich allebei in hun adolescentie aangetrokken tot politiek extremisme. Bij Anja was dat de maoïstische KEN(ML), bij Ayaan de Moslim Broederschap.
Beide schrijfsters hebben in meer dan één land gewoond. Maar daar beginnen ook meteen de verschillen. Want waar Anja Meulenbelt zich kosmopoliet waande omdat zij in Nederland geboren was, in Duitsland gewoond had en veel vrienden in Londen bezocht, heeft Ayaan in Somalië, in Saoedi-Arabië, Kenia, Nederland en de Verenigde Staten gewoond. De wereld is de afgelopen dertig jaar kleiner geworden en de kosmopoliet van toen is thans een provinciaal.
Het boek van Meulenbelt speelt zich af in een progressief Amsterdams milieu waar de gelijkheid tussen man en vrouw volkomen geaccepteerd lijkt. Meulenbelt laat zien dat achter dit ‘discours’ van seksegelijkheid de onderdrukking van vrouwen langs slinkse wegen en vaak met behulp van andere vrouwen wordt voortgezet. Ook in de biografie van Ayaan is er aan manipulatief gedrag geen gebrek. Haar vader gebruikt zijn oogziekte om zijn dochter in het gareel te houden. Door haar geld te vragen voor een operatie hoopt hij haar te dwingen een beroep te doen op haar rijke man, die zij juist wil ontlopen. Ayaan beschrijft ook het linkse milieu bij de Wiardi Beckman Stichting, waar Paul Kalma probeert haar met een beroep op de loyaliteit aan de PVDA in het gareel te houden.
Wat de biografie van Ayaan doet uitstijgen boven die van Anja is de relatieve mildheid van haar oordeel: uiteindelijk blijkt Kalma ondanks zijn manipulatieve kanten toch ook een trouwe vriend te zijn. Bij de Wiarda Beckman Stichting ontbreekt een dergelijke ruimheid van geest. WBS-medewerker René Cuperus rangschikte zijn oud-collega in de Volkskrant onder de ‘charlatans, extremisten en sensatiezoekers van de tweede garnituur’. Dat soort karaktermoord vind je in Mijn vrijheid niet. Van een j’accuse is geen sprake, ook niet als zij uitvaart tegen haar landgenoten die wel heel snel leren dat je in Nederland veel, te veel, voor elkaar krijgt door je als slachtoffer van racisme en kolonialisme op te stellen. En zelfs niet bij haar vaders weigering haar telefonisch nog te woord te staan.
In De schaamte voorbij is dat wel anders. Als Anne, met wie de ik-figuur een lesbische relatie heeft, het uitgemaakt heeft en niet meer aan de telefoon wil komen, spatten de woede en het zelfbeklag van elke bladzij. Ayaan heeft aan slachtofferisme een broertje dood en de verschrikkingen die haar zijn overkomen beschrijft zij op een wel heel onderkoelde wijze. Ayaan is een veelvoudig slachtoffer: van seksuele verminking (door haar grootmoeder), van huiselijk geweld (door haar moeder), van levensbedreigend geweld (door de koranleraar), van verwaarlozing (door haar vader) van doodsbedreiging (door moslimradicalen) en ten slotte van verraad (door Rita Verdonk). Haar zusje pleegt zelfmoord, haar broer besteelt haar, haar vader verstoot haar. Als een vrouwelijke Houdini ontsnapt zij telkens aan haar noodlot en zij lijkt na elke ontsnapping sterker te worden.
Ook seksueel bevrijdt zij zich, al eindigt het boek er niet mee dat zij, zoals Anja, samen met andere vrouwen met een spiegel naar haar geslacht gaat zitten kijken. Voor Ayaan was een dergelijke bevrijding niet meer mogelijk. Het mannelijke mes heeft haar het zicht op haar schaamlippen voorgoed ontnomen.
Beste Sjoerdje, zou dat niet een les moeten zijn voor al die feministische en antiracistische constructivisten die beweren dat woorden net zo gevaarlijk kunnen zijn als daden? Is het levensverhaal van Ayaan niet een literaire aanklacht tegen dat postmoderne gewauwel? Zou dat misschien de reden zijn dat op onze faculteit zo weinig docenten Mijn vrijheid willen lezen? Dat de naam van Hirsi Ali de gezichten van de postmoderne feministen doet verstrakken?
MEINDERT

Beste Meindert,

TOEN JIJ MIJ VROEG of ik Mijn vrijheid gelezen had, was het boek al volledig bestoft. De reden hiervoor was natuurlijk drukte, maar ook het feit dat Ayaan, zeker toen, bijna dagelijks de debatten beheerste. Ik leed aan een Ayaan-overkill. Inmiddels heb ik het boek gelezen en ik ben het met je eens dat iedereen die geïnteresseerd is in migratie en etniciteit dit ook zou moeten doen.
Jij constateert dat schrikbarend weinig linkse collega’s van jou Mijn vrijheid willen lezen. Kan ik hieruit opmaken dat jouw rechtse collega’s wél massaal warmlopen voor Ayaan? Of is het hele idee van rechtse collega’s een contradictio in terminis? Dat zou mij niet verbazen; ik heb tijdens mijn studie nooit het gevoel gekregen dat een docent met al dan niet verhulde passie een standpunt rechts van D66 stond te verkondigen, andersom tot vervelens aan toe. Als die volhardende desinteresse voor het boek van Ayaan specifiek een probleem van academisch links is, dan vraag ik me af hoe de recensenten oordeelden in opiniebladen en kranten die jouw collega’s ongetwijfeld wel op waarde zullen schatten. Maar wat blijkt: Harm Ede Botje besluit zijn bespreking van Mijn vrijheid in Vrij Nederland met de constatering dat haar getuigenis voor seculiere westerse intellectuelen verplichte kost is. En hoewel van een expliciete oproep geen sprake is, oordelen ook Nelleke Noordervliet en Frank van Zijl in De Groene Amsterdammer en de Volkskrant overwegend positief. De milde recensies uit linkse hoek – Mineke Bosch (NRC Handelsblad) en Liesbeth Wytzes (Elsevier) waren veel strenger – heeft Ayaan misschien wel te danken aan het feit dat zij zich in haar autobiografie ‘wist te gedragen’. Botje is hierover duidelijk opgelucht: ‘De voormalig vrome Hirsi Ali ging de afgelopen jaren nogal tekeer. (…) In Mijn vrijheid komt Ayaan gelukkig niet met nog ruigere provocaties.’
Kennelijk heeft deze voorzichtige omarming onder jouw collega’s weinig indruk gemaakt. Ook in mijn omgeving worden anti-Ayaan-gevoelens warmgehouden. De avond dat, na het lange Kamerdebat, duidelijk werd dat Ayaan Hirsi Ali waarschijnlijk ons land zou moeten verlaten werd ik gebeld door een buitenzinnige studiegenoot: ‘Zet de champagne maar vast koud! Ze wordt het land uitgezet!’ De volgende ochtend werd tijdens de eerste koffieronde een gezamenlijk standpunt geformuleerd: natuurlijk zijn we fel tegen het huidige asielbeleid, maar Hirsi Ali heeft het er in dit geval toch echt zelf naar gemaakt. Zie het als de politiek correcte variant van ‘regels zijn regels’. Hoogst bijzonder natuurlijk, omdat juist deze groep en hun gelijkgestemden zich met hand en tand hebben verzet tegen de uitzetting van de sympathieke kleermaker Gümüs en de getalenteerde vwo-scholiere Taïda.
Waar komen die irritatie en onverwachte felheid toch vandaan? Ik ben geneigd te denken dat het ligt aan de onverbiddelijkheid van Ayaans strijd. Ze doet niet alleen gewaagde uitspraken, maar weigert vervolgens, bijna ongeacht de gevolgen, in te binden, te nuanceren of te relativeren. Niet alleen heeft Hirsi Ali een broertje dood aan het sluiten van compromissen, ze deinst er ook niet voor terug om olie op het vuur te gooien. Ze is bijna monomaan. Je kunt dit gedrag omschrijven als moedig en bewonderenswaardig, maar de meedogenloze wijze waarop Ayaan maatschappelijk gevoelige onderwerpen aan de kaak stelt, is funest voor haar imago.
Dat brengt mij op Anja Meulenbelt. Ik zou er nooit op zijn gekomen om haar te koppelen aan Ayaan Hirsi Ali. Sterker nog, toen ik onder zachte dwang van jou aan De schaamte voorbij begon, zei Anja Meulenbelt mij heel weinig. Ik geloof dat ik dacht: is dat niet die licht hysterische vrouw met dat rode haar? Jij stelt dat in beide autobiografieën de strijd van een jonge sterke vrouw om vrijheid in een door mannen gedomineerde wereld beschreven wordt. Maar naarmate ik het einde van De schaamte voorbij naderde, begon ik mij steeds meer te storen aan Meulenbelts slachtofferhouding (iets wat jij zelf ook opmerkte). Alles ‘overkwam’ haar zo. Ik ben veel meer onder de indruk van het levensverhaal van Ayaan Hirsi Ali.
De reden dat Ayaan niet vervalt in een wat jankerig betoog is waarschijnlijk dat zij diegenen die haar zowel geestelijk als fysiek pijn hebben gedaan niet ziet als dader maar als slachtoffer. Mijn vrijheid is geen aanklacht tegen de mensen die Ayaans leven zo moeilijk hebben gemaakt, maar een aanklacht tegen het geloof dat het leven voor mensen zo moeilijk maakt. Hoeveel meisjes en vrouwen bevinden zich nog in vergelijkbare omstandigheden als die waar Ayaan zich aan ontworsteld heeft? Hoe kunnen zij geholpen worden? En wat kan Ayaans levensverhaal betekenen voor hun lot?
Deze laatste vraag werd niet zozeer ingegeven door het boek zelf, maar vooral door een ander verwijt dat Hirsi Ali vaak toegeworpen krijgt: dat haar feministische vertoog het vrouwen eerder lastiger heeft gemaakt dan dat het hen heeft geholpen. Navraag hierover leerde mij het volgende: sommige moslimvrouwen voelen zich voor het blok gezet door Ayaans aanval op de positie van de vrouw binnen de islam. Onbedoeld lijkt zij te spreken namens en voor alle moslimvrouwen en haar oordeel is hard. Hierdoor krijgen moslimvrouwen een stempel opgedrukt waar zij nooit om hebben gevraagd. In die zin heeft Ayaan het moslimvrouwen dus alleen maar moeilijker gemaakt: je bent ongeëmancipeerd tot het tegendeel bewezen is. Maar is dit een legitieme reden om Hirsi Ali de mond te willen snoeren? Haar aanhangers zullen ongetwijfeld zeggen dat het juist haar bedoeling is de druk om te emanciperen te verhogen. Daarnaast is het de vraag of deze veronderstelde druk op moslimvrouwen in westerse landen niet wegvalt in vergelijking met de onderdrukking van vrouwen in moslimlanden. Wat vind jij hier nu van, Meindert?
SJOERDJE

Beste Sjoerdje,

JE HEBT NATUURLIJK GELIJK als je zegt dat ook linkse journalisten en schrijvers soms een positief oordeel hebben over Ayaan Hirsi Ali. Maar hoe komt het toch dat juist universitair verankerde feministen haar steeds de grond in boren? Neem nu de recensie van prof. dr. Mineke Bosch van het Center for Gender and Diversity van de Universiteit van Maastricht, die net naar Groningen verhuisd is om daar een leerstoel moderne geschiedenis te gaan bekleden. Zij schreef een biografie van Aletta Jacobs. Niet de eerste de beste dus. Deze Mineke Bosch schreef in NRC Handelsblad een recensie die overloopt van postmoderne inzichten. Er is, meent Bosch, geen waarheid buiten de vertelde waarheid. De waarheid die Hirsi Ali vertelt is dus alleen haar waarheid. Die constatering is een variant van de onvergetelijke uitspraak in de film One People van Pim de la Parra. Diep in de jungle van Suriname zegt een oude bosneger tegen de Nederlandse hoofdrolspeelster (Willeke van Ammelrooy): ‘De Kalverstraat, mijn kind, heeft nooit bestaan.’
Zo zegt Mineke Bosch tegen Ayaan: ‘Dat Afrika van jou, dat je beschrijft in je autobiografie, is een westerse uitvinding.’ Die professorale stelling wordt geïllustreerd met onsmakelijke suggesties over het auteurschap van Mijn vrijheid. ‘De autobiografie’, schrijft Bosch, ‘is geschreven door een ghostwriter, net zoals de levensverhalen van Amerikaanse celebrities. Deze levensverhalen worden, net als Mijn vrijheid, door ervaren ghostwriters geschreven en het komt niet zelden voor dat de protagonist bekent de tekst zelf niet te hebben gelezen.’ ‘Hirsi Ali’, zo vervolgt Mineke Bosch, ‘beschrijft haar leven diverse keren als een reis, een odyssee van de “andere wereld van mijn jeugd” naar deze wereld. Deze reis, die van (donker) Afrika naar het (verlichte) Nederland voert, brengt haar van chaos naar orde, van een wereld vol dwingende conventies, autoritaire opvoedingsmethoden en gearrangeerde huwelijken naar een wereld van keuzevrijheid, onderhandelingshuishoudens en partnerrelaties gebaseerd op liefde, van een wereld vol bijgeloof naar een wereld voor kennis en waarheid.’ Volgens Bosch heeft dit soort vertellingen in de Verlichting een nieuwe impuls gekregen door de nadruk op de emanciperende mens. En dan komt het: ‘Velen (! – mf) zien het als een typisch westers genre en feministen hebben het daarenboven (! – mf) bekritiseerd als een typisch mannelijke fictie. Een aantal van hen, onder wie Anja Meulenbelt, Verena Stefan, Kate Millett en Marie Cardinal, heeft daarom geëxperimenteerd met andere verhalen, die rekening houden met “de andere levens van vrouwen”.’
Let nu eens op de woorden ‘velen’ en ‘daarenboven’. Bosch suggereert dat het boek van Hirsi Ali twee maal niet deugt: het is een typisch westerse en een typisch mannelijke vertelling. Maar hoe durft ze te beweren dat Hirsi Ali geen rekening houdt met ‘de andere levens van vrouwen’? Enkele vrouwen in haar boek hebben volkomen andere levens, die zij indringend beschrijft. Het leven van haar oma, van haar oud-tante, van haar moeder, van haar zus die zelfmoord pleegt – het zijn even zovele portretten met liefde en inzicht geschilderd.
Bij Anja Meulenbelt zou men een dergelijke stelling nog wel staande kunnen houden. De schaamte voorbij is een bewonderenswaardige poging van Anja Meulenbelt om haar woede over het leed dat haar door mannen is aangedaan onder woorden te brengen. Maar de andere vrouwen in het boek komen er bekaaid van af. Het zijn óf solidaire zusters óf weerzinwekkende schepselen die, zoals Anne, uiteindelijk toch voor hun man kiezen. De wereld van Anja Meulenbelt is een eendimensionale wereld. Haar personages zijn voorgestanste modellen die of aan de goede kant of aan de verkeerde kant staan.
Het hele stuk van Mineke Bosch is één grote wisseltruc. Omdat Hirsi Ali zelf niet wit en mannelijk is moet zij een gedaanteverwisseling ondergaan. In het postmodernistische procédé is Ayaan wit gewassen en mannelijk geworden. Volgens Bosch is het script van Submission gebaseerd op ‘een oud verhaal dat zich steeds heeft aangepast aan koloniale en postkoloniale verhoudingen, en dat in de context van “het nieuwe realisme” in het integratiedebat een heel groot publiek aanspreekt en overtuigt. Ayaan heeft op dit verhaal, dat niet alleen in het verleden, maar ook in het heden dodelijk is gebleken, haar leven gebouwd.’
Theo van Gogh mag dan omgebracht zijn en Ayaan Hirsi Ali mag permanent bewaking nodig hebben, welbeschouwd zijn zij geen slachtoffers maar daders. Ayaan is de willing executioner van de witte heteroseksuele westerse dominantie. Zij is, in een beeldspraak uit datzelfde woordenboek van genderstudies, een kokosnoot: een kokosnoot met ballen.
Over die westerse blik, waarmee Hirsi Ali naar Afrika kijkt, valt nog wel wat meer te zeggen. Het beeld van ‘donker Afrika’ waar Bosch op doelt bestaat in de Europese literatuur. Bijvoorbeeld in Conrads Heart of Darkness. Het is de vraag of de beschrijving van Hirsi Ali te vergelijken is met Conrads gruwelijke roman, maar los daarvan doet zich de vraag voor of er geen andere Europese beelden bestaan van Afrika. In zijn beeldende essay uit 1961, Het paradijs op aarde, gaat de historicus Henri Baudet in op de betekenis van de nobele wilde in de Europese literatuur. Hij laat zien dat dat beeld in de Renaissance opkwam in de vorm van de goede Ethiopiër, die vanwege de warmte en zijn natuurlijke primitiviteit wel dicht bij het paradijs moest wonen. Die Afrikaan moest het stokje van primitieve goedheid snel doorgeven aan de goede indiaan en die moest in de achttiende eeuw zijn meerdere erkennen in de goede muzelman.
‘Arme neger’, schrijft Baudet, ‘altijd was hij in onze cultuur opgetreden in duidelijke oppositie tegen de islam. Maar nu, tamelijk plotseling, gaat die islam gelden als bewonderenswaardig; onverwacht stijgt zijn ster met grote snelheid en krijgt de traditionele contrastwerking van neger en islam omgekeerde betekenis. De islam is sinds een eeuw of meer object van wetenschappelijke aandacht, de neger niet.’
Wat ook bijdroeg waren de reizen die veel Europeanen in de zeventiende en achttiende eeuw maakten naar islamitische landen. Zij kwamen terug met verhalen waarin de muzelman geen gewelddadige barbaar was, maar een sympathieke oosterling die een leven leidde dat amoureus en erotisch was. De Franse vertaling van Duizend-en-één-nacht verscheen aan het begin van de zeventiende eeuw. De edelmoedige Bassa Selim uit Mozarts Die Entführung aus dem Serail werd in 1782 ten tonele gevoerd. Bassa is een sultan uit Turkije die Konstanze in zijn paleis heeft opgesloten. Als Belmonte haar komt bevrijden, wordt ook hij gepakt, maar Bassa schenkt beide geliefden de vrijheid. Mozarts operaheld is de vertegenwoordiger van een andere wereld die zo niet superieur dan toch op z’n minst aantrekkelijk was.
Hirsi Ali slaat dat beeld aan gruzelementen. Zij laat de achterkant van de islam zien waarmee zij zowel in Addis Abeba en Nairobi als in Mekka hardhandig geconfronteerd is: seksuele onderdrukking van de vrouw, huiselijk geweld, genitale verminking. In die zin klopt het wel dat Hirsi Ali de dominantie vertegenwoordigt. Het dominante verlichtingsvertoog vertelt immers een verhaal dat erg lijkt op dat van Hirsi Ali. Daarin gelden de Verenigde Staten en West-Europa als het heartland van beschaving. Daarin wordt neergekeken op primitieve culturen. Napoleon verklaarde na zijn veldtocht in Egypte dat hij ‘dégouté’ was van Rousseau en alle bon sauvages: ‘L’homme sauvage est un chien.’
Hirsi Ali raakt de feministische dames op hun zwakste plek: zij laat zien dat hun ‘kritische’ multiculturalisme ten koste gaat van de vrouwen in die andere exotische culturen. Hirsi Ali pleegt verraad aan het revolutionaire exotisme door zich niet te schikken in de rol van slachtoffer die haar op grond van cultuur en afkomst is toebedeeld. Zij is dankbaar waar zij boos had moeten zijn omdat zij in Nederland gediscrimineerd wordt. Als succesvolle negerin is zij bovendien het levende bewijs van het unique selling point van het liberale gedachtegoed dat door de radicale feministen verfoeid wordt. Hirsi Ali is een discursieve graat in hun keel.
Toen Hirsi Ali in 2005 werd uitgenodigd om het academische jaar te openen, ontstond juist onder mijn feministische collega’s beroering. Er werd een heus anti-Ayaan-actiecomité gevormd onder leiding van de antropologe Miryam Aouragh. Op een bijeenkomst die ik voor mocht zitten verklaarde zij dat het verkeerd was om Hirsi Ali het academische jaar te laten openen. ‘Ze is representant van de dominantie, niet van de kritiek daarop.’ Maar welke dominantie representeert Hirsi Ali? Toch niet die van de mannen die haar jeugd gedomineerd en geruïneerd hebben?
Professor Annelies Moors had zich geërgerd aan het feit dat Hirsi Ali door de Universiteit van Amsterdam was uitgenodigd op grond van het argument dat ze ‘wereldwijd erkenning geniet vanwege haar strijd tegen de onderdrukking van moslimvrouwen’. Ayaan Hirsi Ali, zo meende zij, vertegenwoordigt die moslimvrouwen niet. ‘Waarom Hirsi Ali uitnodigen als woordvoerder van moslimvrouwen, terwijl er zoveel vrouwen zijn die daar al jarenlang werkelijk voor opkomen?’ Het valse aan deze uitspraak is dat Ayaan weliswaar strijdt tegen de onderdrukking van moslimvrouwen, maar zelf nooit de pretentie heeft gehad namens die moslimvrouwen te spreken. Sterker nog: zij pleit juist voor het recht op afvalligheid.
Sjoerdje, ik schaam mij voor een faculteit waar de onmenselijkheid als ‘kritische wetenschap’ wordt verkocht, waar de haat tegen afvallige moslims niet alleen door moslims uitgedragen wordt maar ook door mensen die zich links wanen en zich ver verheven voelen boven een Afrikaanse negerin die de moed heeft te verklaren dat het voor een vrouw in Nederland beter toeven is dan in Somalië, Kenia of Saoedi-Arabië.
En de haat die Ayaan ten deel valt beperkt zich helaas niet tot de sociale faculteiten. Onze nationale hofhistoricus Geert Mak vergeleek de film Submission met Der Ewige Jude. En ja, ook Anja Meulenbelt bevindt zich in het illustere gezelschap van Ayaan-haters. Nee, van die vrouwelijke solidariteit waar ze in De schaamte voorbij nog voor pleitte, daar is helemaal niets van terecht gekomen, vind je niet?
MEINDERT

Beste Meindert,

Nee, onder de huidige generatie feministen is de solidariteit ver te zoeken. Een mooi voorbeeld hiervan is de onenigheid tussen Heleen Mees en zelfbenoemd ‘femaniste’ Roos Wouters. Op z’n zachtst gezegd liggen deze twee elkaar niet zo. Power-feministe Mees zou gezegd hebben dat ze de kriebels kreeg van Roos Wouters, waarop Wouters terugsloeg door te verkondigen dat zij bij de gedachte aan Mees zin krijgt om te punniken. Die punnikdrang vertaalde zich bij de presentatie van Wouters’ boek Fuck! Ik ben een feminist in het op film laten exploderen van een afbeelding van Mees. Niet één keer maar wel tien keer.
Volgens Wouters hebben feministen als Mees de vrouw onterecht in twee groepen opgedeeld: zij die volwaardig meedraaien in de maatschappij en zij die hiertoe een halfbakken poging doen door naast de verzorging van de kinderen enkel deeltijd te werken. Waar Mees stelt dat het afgelopen moet zijn met dat ambitieloze gerommel in de marge, roept Wouters juist op tot een compromis. Zij heeft namelijk aan den lijve ondervonden dat binnen veel moderne gezinnen moeder en vader de behoefte voelen om werk en zorg te combineren. Wouters pleit voor een maatschappelijke structuur waar het de normaalste zaak van de wereld is dat ook papa een dag per week gewapend met een zak krentenbollen zijn kinderen na schooltijd in de bakfiets laadt. Mees geeft echter geen centimeter terrein prijs: vrouwen moeten carrière maken en niet drie of vier dagen per week maar gewoon vijf. Kindermeisjes en de afhaalchinees zijn prima substituten voor al dat verantwoorde gemoeder, bovendien help je daarmee ook nog eens laaggeschoolden aan het werk.
Alle onenigheid ten spijt sierden beide vrouwen in februari de cover van Opzij. Met nog elf andere feministen gaven zij zo gehoor aan de wens van hoofdredactrice Margriet van der Linden om binnen het feminisme niemand meer uit te sluiten. Er is plaats voor iedereen: vrouwen van alle soorten en maten, autochtoon, allochtoon en zelfs voor de man. Met deze nieuwe filosofie geeft Van der Linden het startschot voor feminisme 3.0, alias de derde golf.
Nu valt het te betwijfelen of deze brave cover een afspiegeling vormt van de werkelijkheid. Ik stel me zo voor dat bij de verdeling van jurken en schoenen het poederloeder in sommigen van hen de kop opstak. Mees die overweegt de haarlak van Wouters aan te lengen met secondelijm en Wouters die met plezier toekijkt hoe Mees in een heel dure maar onflatteuze jurk gehesen wordt. Maar vooral vraag ik me af waarom er geen plaatsje vrij was voor Ayaan op deze cover. Had zij onder het motto ‘iedereen erbij’ niet gezellig kunnen aanschuiven naast de gehoofddoekte Nora Kasrioui? Niet in de laatste plaats omdat een van de speerpunten van feminisme 3.0 de emancipatie van moslimvrouwen is.
Ten slotte wilde ik nog even terugkomen op jouw hypothese dat Mineke Bosch in de strijdende Ayaan vooral een willing executioner van de heteroseksuele westerse dominantie ziet. Jij stelt dat het Ayaan verweten wordt een kokosnoot te zijn. Ik denk dat je daar gelijk in hebt, maar dat je deze conclusie om nog een reden kunt trekken. Niet alleen de vermeende westerse en mannelijke vertelwijze van Mijn vrijheid zijn een trap tegen het zere been, maar ook Ayaans real life-legertje van blanke mannelijke groupies vormt een bron van afgunst. Ayaan zou typisch zo’n vrouw zijn voor wie zelfs de trouwste hond zijn gezin in de steek laat. Jaffe Vink noemde haar ‘onze zwarte prinses’. Dat vind ik ook een beetje te veel van het goede. Zo bezien is Ayaan geen kokosnoot maar een omgekeerd Oreo Cookie, en dat is vast nog erger.
SJOERDJE

Meindert Fennema (62) is docent politieke theorie en etnische verhoudingen aan de afdeling politicologie van de Universiteit van Amsterdam; Sjoerdje van Heerden (26) is student-assistent politicologie aan dezelfde universiteit