Brieven

In De Groene van 11 augustus is een drieluik gewijd aan dr. L. de Jong, de schrijver van de vaderlandse oorlogsgeschiedenis, door hemzelf sinds kort in titulatuur verheven tot ‘Het Geschiedwerk’. Een der artikelen van het drieluik heeft tot onderwerp De Jongs zogenaamde ‘jeugdzonde’. Die komt hierop neer: als schrijver van het buitenlands weekoverzicht in De Groene Amsterdammer van voor de oorlog heeft De Jong een unieke historische blunder op zijn naam weten te brengen door in het nummer dat op 2 september 1939 verscheen de verwachting uit te spreken dat de oorlogsdreiging van dat moment zijn langste tijd gekend had en dat de kansen op een niet doorgaan van de Tweede Wereldoorlog sterk waren toegenomen. In werkelijkheid was Hitlers aanval op Polen toen al begonnen en zouden Engeland en Frankrijk de volgende dag Duitsland officieel de oorlog verklaren. Inderdaad een feit dat wel enige aandacht verdient, zeker omdat het over enkele dagen de diamanten mijlpaal van zestig jaar zal bereiken. Helaas komt Rob Hartmans, de schrijver van ‘Jeugdzonde’, niet veel verder dan wat rond te husselen met een aantal weinig relevante gegevens.

Ik zou op deze journalistieke non-bijdrage niet gereageerd hebben, ware het niet dat mijn naam er liefst achtmaal in zwaar mishandelde vorm in voorkomt zonder dat aard en wezen van mijn kritiek op De Jong (in het radioprogramma O.V.T. van 7 maart 1993!) zelfs maar worden aangeduid. Die lacune vul ik dus graag op. De reden die ik in 1993 had om De Jongs blunder van 1939 voor het eerst in de openbaarheid te brengen, was het feit dat mij bij enige nadere beschouwing gebleken was dat de geschiedschrijver zelf rondom dit curieuze voorval een nogal kwalijke poging tot verdichtsel had opgebouwd. In zijn beschrijving van de betreffende historische dagen van eind augustus 1939 deelt hij namelijk in Voorspel (het in 1969 verschenen eerste deel van het Geschiedwerk) op pagina 644, laatste alinea, mee, dat hij persoonlijk in zijn opvattingen over wat de strategie in de confrontatie met Hitler zou moeten zijn, aan de kant stond van diegenen die daarbij tegen het aangaan van een overeenkomst met de dictator waren (de zogenaamde anti-appeasers). Na de sombere perspectieven van die laatste augustusdagen te hebben samengevat, schrijft hij dan ook letterlijk: ‘Moest men, helaas, niet rekenen op een tweede “München”?’ Deze retorische vraag onderstreept weliswaar de afschuw van de ware anti-appeaser voor zo'n ontwikkeling, maar is daarmee tegelijkertijd in lijnrechte tegenspraak met de geheel andere koek die het befaamde blunder-artikel van de tweede september over deze aangelegenheid opdient. Hier is namelijk een schrijver aan het woord, dezelfde drs. L. de Jong, die bol staat van positiviteit en optimisme over de uitkomst van het door hem verwachte overleg met Hitler. De Jong (ik vat kort samen): 'Polen zal natuurlijk veren moeten laten, maar de daarmee gewonnen vrede weegt daar ruimschoots tegenop, vooral waar een sterk aantrekkende wereldeconomie een redelijk gesprek met Hitler op den duur mogelijk zal maken.’ Kortom, een stuk dat van a tot z is doortrokken van opgewekt klokgebeier. De feitelijke houding van De Jong in september 1939 maakt zijn mededeling, dertig jaar later in het Voorspel gedaan over zijn anti-appeasement-opvattingen, natuurlijk tot een lachertje eerste klas en mag rustig worden gekwalificeerd als een welbewuste en regelrechte leugen. Over zijn motieven voor deze onthutsende daad kan men slechts speculeren. Mijn vermoedens, in 1993 geuit in die radiocolumn, gaan in de richting van het scheppen van een alibi, want appeasement was in het naoorlogse gedachtengoed niet meer zo populair - en populair wilde hij, als ieder ijdel mens, kennelijk ten koste van alles blijven, het liefst met een onbezoedeld vooroorlogs verleden erbij. Ik was nooit eerder zo geschokt als toen ik deze conclusies over hem moest trekken. Dat Loe de Jong, zo hoog in moreel aanzien en gezag, zo platvloers opereren kon ten behoeve van triviaal eigenbelang, leek bijna onaannemelijk, maar feiten liegen niet. Vooral vanwege dat laatste is het jammer dat Rob Hartmans aan dit alles geen aandacht heeft geschonken, want bij De Groene wisten ze er alles van. Ook is het uitvoerig beschreven en beargumenteerd in mijn boek De dansorkesten van de BBC (Bas Lubberhuizen, 1994).