Natuurlijk was hij niet dood. Hij had me zijn eigen uitvaart zo vaak geschetst en zich daarbij onbeschaamd, haast kinderlijk verheugd op wat komen zou – de vrouwen vooral, de scènes, de hebzucht omtrent herinneringen, de hiërarchie van het verdriet. In de chaos die de dood zaait graaien de achterblijvers naar houvast, eigenen zich iets toe. Zo gaan die dingen en hij wist het. Dus zag ik hem ervoor aan de hele boel te hebben geënsceneerd, zoals hij mij ervoor zou hebben aangezien hem tijdig te komen ontmaskeren en mezelf, als bijvangst, de heldenrol toe te spelen. Zoals mensen in films tijdens bruiloften doen, zou ik de rouwzaal binnenstormen, de klucht doorzien en de kist tegenhouden. ‘Ik maak bezwaar!’

Ooit hadden we elkaar voor alles aangezien. De ontmoeting vond plaats in wat men ‘onmogelijke omstandigheden’ noemt en zijn gevoel voor drama viel mijn gevoel voor drama in de armen. ‘Volkomen gedesoriënteerd’ noemde hij het. ‘Aan gruzelementen’ noemde ik het. We schreven brieven die dropen van de uitgestelde levens, onhaalbare beloftes. We braken, hervonden, we susten en pookten op, we wilden berusten (ik) of ontbranden (hij) maar nooit op hetzelfde moment op dezelfde plaats. We duizelden in de ruimte die we elkaar boden, een fictie vol ontsnappingsmogelijkheden, een wachttijd die moest worden uitgezeten. We koesterden een liefde die nooit vermengd zou raken met de realiteit en daarom eeuwig houdbaar leek: jarenlang zagen we de mooiste versies van onszelf in elkaar weerspiegeld.

Een vriend regelde het afscheid. Ik mocht hem zien en hij lag, van kop tot voeten, overtuigend dood te zijn. Toen wachtte ik op woede, maar voelde niets wat op woede leek. Wel kreeg ik koorts. Rouw als omgekeerd verliefd-zijn, een falling out of love, dat onrustig maakt, de eetlust remt, het hoofd overneemt. Vanaf het ontwaken tot aan het slapen en zelfs daar tussenin dreef alles wat zorgvuldig weggeborgen was weer boven. Ik herlas de brieven die ik had bewaard, al wist ik heus wel dat we nooit meer ‘over die berg papier’ heen zouden leren kijken, zoals hij had voorspeld. We hadden, zonder enig overleg, de stad verdeeld: de plaatsen waar hij kwam en ik nooit meer, de plaatsen waar ik kwam en hij nooit meer.

Er kwamen nieuwe levens, nieuwe liefdes. Er was geen spijt, er werd niet vergeleken – er viel niets te vergelijken. Soms was ik verwonderd over zoveel pathetiek, zoveel irrationele adoratie, maar het lukte me niet om de liefde met terugwerkende kracht ongeldig te verklaren. Het idee dat hij nog bestond, ergens. Dat ik nog bestond, ergens. En altijd, ver weg, dat vederlichte schrijnen van een open einde.

De tijd had ons verhaal, voorzover dat überhaupt bestond, voldoende geredigeerd – zijn dood zette er nu een onwrikbare punt achter.

Wat overbleef, de grappen die niemand zou begrijpen, flarden van gesprekken, kussen, blikken en handgebaren, haalde ik te voorschijn. Ik zag steeds beter hoe het was geweest. Alles wat groots en meeslepend is, is óók deerniswekkend – het is de kunst om geen partij te kiezen. Het is de kunst, geloof ik, om alle levens naast elkaar te leggen en te zeggen: we hebben geluk gehad.

Laten we de oude

brieven verbranden, al die mooi
verregende zongebleekte woorden en regels
in vlammen opgaan maar schaamteloos
hun inhoud behouden. We hebben
geluk gehad, o, wat hebben we –

Laten we

straks andere steden verkennen, door nieuwe
straten met muzikanten en slapers op banken
slenteren, wennen aan weggaan.

Laten we

daar eten drinken en geven

de zanger genoeg om dronken te worden
de bedelaar wat hem toekomt.

Hester Knibbe
Uit: Archaïsch de dieren,
uitgeverij De Arbeiderspers,
2015