Filminstallatie - Manifesto

Brieven aan idealen

Schaamteloze zelfpromotie typeert onze tijd. Maar ook de avant-gardekunstenaars van weleer schreeuwden om aandacht. In Manifesto geeft Julian Rosefeldt ze nog maar eens een roeptoeter.

‘Niets is origineel’, schrijft een juf voor een klaslokaal op een schoolbord en ze plaatst een dikke streep onder de woorden. Je kunt overal van stelen. Verslind dus alle films, muziekstukken, boeken, dromen, architectuur, willekeurige conversaties, zelfs het licht en het donker. Kies alleen dat wat rechtstreeks tot je ziel spreekt. Het is niet belangrijk waar je iets vandaan haalt, het gaat erom waar je het mee naartoe neemt. Dat, zegt ze, is authenticiteit.

Het zijn klassiek geworden stelregels voor de nieuwe kunst die de Duitse kunstenaar Julian Rosefeldt in zijn nieuwe kunstwerk Manifesto ook ter harte heeft genomen. Hij is het die de juf, een rol van Cate Blanchett, woorden in de mond legt die in manifesten geschreven werden door Stan Brakhage, Jim Jarmusch, Lars von Trier, Thomas Vinterberg en Werner Herzog. Nogal grote woorden voor een groep kleine kinderen, die na de uitleg over originaliteit en authenticiteit zelf aan de slag mogen of eigenlijk moeten: de docent is streng en de opdracht betreft een examen. Ze loopt tussen de rijen schoolbankjes door en werpt veelal afkeurende blikken op hun vellen paper. Ze geeft aanwijzingen – de film mag geen oppervlakkige actie vertonen, de regisseur mag niet in de credits verschijnen, belangrijk – ze grist potloden uit handen om iets toe te voegen en vaker nog om iets door te strepen. Na afloop van de test schieten vele vingers met vragen de lucht in, maar dan gaat de schoolbel.

Manifesto is een filminstallatie in dertien delen, bestaande uit twaalf scènes en een introductie vertoond op dertien schermen die verspreid door een donkere zaal staan opgesteld. De hoofdrolspelers, stuk voor stuk vertolkt door Cate Blanchett, praten er dwars door elkaar heen. Alsof ze samen aan een tafel zitten in een donker café, ogenschijnlijk verwikkeld in een verhitte discussie, maar eigenlijk happig om hun eigen punt te maken. ‘Alles wat vaststaat, verdampt’, doen Karl Marx en Friedrich Engels een voorzet. ‘Ik ben tegen actie; ik ben voor voortdurende tegenspraak: tegen bevestiging ook. Ik ben niet voor noch tegen en ik geef geen uitleg want ik haat gemeengoed’, heeft Tristan Tzara daarop te zeggen, dadaïst van het eerste uur. ‘Ik schrijf een manifest omdat ik niets te zeggen heb’, bluft dichter en surrealist Philippe Soupault. Rosefeldt treedt op als gastheer van de avond en is verantwoordelijk voor de tafelschikking. Marx en Engels zette hij aan het hoofd: ze gelden voor hem als de vaders van het kunstenaarsmanifest als fenomeen, ook al valt hun schets van het communisme met geen mogelijkheid met de ontwikkeling van de kunst te rijmen.

Large manifesto creditline julian rosefeldt manifesto 2015 julian rosefeldt and vg bild kunst bonn 2
Cate Blanchett in Manifesto van Julian Rosefeldt © Julian Rosefeldt / VG Bild Kunst Bonn / Holland Festival

Rosefeldt, naast kunstenaar zelf werkzaam als docent aan de Akademie der bildenden Künste in München, was in 2012 voor het eerst in Nederland te zien met een filminstallatie. Op negen schermen in de Grote Kerk in Den Haag draaide toen Asylum, een project met meer dan honderd onervaren acteurs waaronder asielzoekers. Voor een voorstelling van het Holland Festival in 2016 schoot Rosefeldt beelden bij de muziek van Joseph Haydn, haalde hij Die Schöpfung naar het heden. Steeds verschijnen de mensen voor zijn camera als bewegende mieren van hun tijd in hun door henzelf gecreëerde omgeving: van dichtbij lijken ze traag en gedwee, vanuit de lucht is het een krioelende massa die richting kiest. Zo ook in Manifesto. Doordat de film opnieuw over meerdere schermen is uitgesmeerd wandelt de bezoeker zelf tussen de verhalen door. En zonder vaste aanvangstijden stappen ze op ieder moment in, eerder al onder meer in Melbourne, Hamburg, New York, Parijs, Hannover en Århus, straks in de grote zaal van Casco Amsterdam in Amsterdam-Noord.

Met Manifesto verbeeldt Rosefeldt geen urgent maatschappelijk thema of klassiek filosofische kwestie maar denkt hij na over de kunst en de richting die zij is ingeslagen. Of liever, over de bedoelingen van avant-gardekunstenaars over welke richting de kunst had moeten inslaan. Dwalend door grote gebouwen en vooral langs grootse ideeën zien we dat de karakters in Manifesto zijn vervuld van maar één gedachte: het moet díe kant op, met de kunst.

Rosefeldt kwam in aanraking met het fenomeen van het kunstenaarsmanifest toen hij werkte aan Deep Gold, een film die hij maakte als hommage aan Luis Buñuels film L’Âge d’or. Hij las er een aantal manifesten van feministische kunstenaars voor en wat hem trof was het vuur waarmee ze waren geschreven, de overtuiging waarmee een opvatting kon worden gebracht. Hij ging zich verdiepen in andere manifesten, die van de suprematisten, de constructivisten en de vorticisten, van theatermakers, van dansers en van architecten, en knipte en plakte uit tientallen teksten de twaalf scènes van Manifesto in elkaar. Ze zijn tevens opgenomen in een kunstboek, uitgegeven door Walther König, en verschijnen op de pagina’s als collages van woorden, bijna als kunstwerken op zich. Het manifest betreft een eigen literair genre, geschreven om te verspreiden, via de nieuwe mogelijkheden van drukwerk of om uit te spreken, voor te dragen. Het manifest is urgenter dan een brief en overtuigder van zijn eigen gelijk dan het vurigste betoog. De meeste zinnen beginnen er als aansporing – ‘Dood, vlieg sneller, heb lief met de inhoud van je hart’ – en bekentenissen eindigen er in drie puntjes – ‘Het zijn wij die de moordenaars zijn – van al je kleine pasgeboren baby’s…’ Filosofische vragen worden gevolgd door antwoorden met uitroeptekens – ‘naar de elektrische stoel met Chopin!’ Lange zinnen met veel komma’s trekken de lezer steeds dieper een gedachte in. Herhaling van de kerngedachte treedt op als een refrein, binnen een manifest maar ook dwars door alle manifesten heen. De avant-garde wil afrekenen met het verleden maar ook met het heden, hun gedachten zijn vast in de toekomst.

‘Ik ben voor een kunst die uit een schoorsteen komt als zwart haar en zich verspreidt door de lucht’

Het zijn brieven geschreven aan idealen die Rosefeldt een nieuw leven biedt. In Manifesto klinken ze als een les op school, als een speech op een begrafenis, als een nieuwsbericht op de televisie. De woorden die veelal lang geleden werden geschreven door jonge mannen worden daar allemaal uitgesproken door een vrouw van middelbare leeftijd, Blanchett in vele verschijningen. Hoe pathetisch klinkt hun vastberadenheid door de mond van een galeriehoudster op de opening van een kunsttentoonstelling of van een zakenvrouw op de beurs. Op enig moment draait Blanchett in alle rollen haar gezicht naar de camera en zíngt zelfs een paar zinnen.

Maar er is meer. Net als in eerder werk laat Rosefeldt zijn camera sluipen, geruisloos dichter naar de actie. In geen van de scènes is sprake van een duidelijk begin of een hard einde, Rosefeldt geeft geen hevige aanleiding voor de bombastische woorden van de kunstenaars en ze hebben in zijn film ook weinig tot geen effect. De uitbarstingen krijgen er een context, soms absurdistisch en soms ontroerend, precies dat wat ontbreekt aan de overgeleverde boodschappen voor de toekomst, ons heden. En ze krijgen opnieuw een publiek, meer of minder geïnteresseerd, en een thuis in een andere tijd of contrasterende plek.

Zo gaat een Amerikaans gezin in een ogenschijnlijk verstikkend jaren-vijftiginterieur aan tafel voor de zondagse lunch. De meid serveert de kalkoen, vader moet nog even gezocht worden, maar moeder gaat vast voor in het gebed met een voordracht van Claes Oldenburgs pop-art-manifest, I Am for an Art uit 1961. ‘Ik ben voor een kunst die politiek-erotisch-mystiek is, die iets anders doet dan op haar kont zitten in het museum’, begint ze. En: ‘Ik ben voor een kunst die uit een schoorsteen komt als zwart haar en zich verspreidt door de lucht. (…) Ik ben voor de kunst uit de bek van een hond, die vijf verdiepingen van het dak valt. Ik ben voor de kunst die een kind oplikt, na het afpulken van een papiertje. Ik ben voor die kunst die wordt gerookt, als een sigaret; ruikt, als een paar schoenen.’ Manlief is inmiddels aangeschoven, vouwt zijn servet met opgetrokken wenkbrauwen, maar zijn vrouw is onverstoorbaar, vertrokken op haar vlucht naar de nieuwe kunst vol vieze woorden. Naar een kunst onder de rokken, een kunst van enigszins verrotte begrafenisboeketten en een kunst van het vallen van een barkruk. Als ze klaar is en de handen geschud zijn keert ze terug naar de realiteit. Ze vraagt de kinderen de groenten op te scheppen en haar man om de vogel te snijden. Zelf giet ze de jus en wijst de kinderen terecht.

Elke van de twaalf scènes speelt zich af in een eigen universum, stil en geconcentreerd, met Blanchett als middelpunt. Zij levert de nodige accenten, de snik in de stem op een begrafenis (‘En jullie zijn allemaal idioten!’), de beschonken toestand van een rockmuzikant backstage die tekeergaat in een microfoon die niet is aangesloten (‘De hele wereld is georkestreerd als een amateurband’), de irritatie en de zelfgenoegzaamheid van de andere karakters. Schaamteloze zelfpromotie is ook onze tijd niet vreemd, maar het manifest is passé. Om gehoord te worden moest je eens hard roepen, vandaag roept iedereen. Het programma van de kunst zoals deze in de twintigste eeuw werd gevolgd lijkt definitief beëindigd. De manifesten van de avant-garde lezen nu als breuklijnen waarlangs de kunstgeschiedenis loopt: van futurisme – krak – naar dadaïsme – krak – naar pop-art en conceptuele kunst.

Toch klinken ze nog krachtig en is hun erfenis gebleven, ook buiten de kunst. In de scène waar Manifesto bij de opstelling in Hannover mee eindigde zit een mollige vrouw in een klein keukentje te ontbijten. Met een broodtrommel in haar hand trekt ze haar jas aan in een te krappe hal, roept naar een kind achter een gesloten deur dat het tijd is om op te staan en trekt de deur achter zich dicht. Door een kille gang gaat ze op weg naar buiten, langs vele voordeuren precies als die van haar. Uit een grote stalling pakt ze dan haar brommer en rijdt langs rijen anonieme betonnen appartementcomplexen naar haar werk: een vuilnisverwerkingsbedrijf. Haar jas laat ze er achter in een muur van kluisjes, na een tochtje in een lift neemt ze plaats in een glazen hok, wederom een hok, en verplaatst de rest van de dag met een joystick vuilniszakken door wederom een betonnen ruimte. En ze spreekt teksten uit van architecten, onder wie Bruno Taut en Robert Venturi – de kunst en haar zo goede bedoelingen.


Manifesto van Julian Rosefeldt is van 5 t/m 25 juni te zien bij Casco Amsterdam. hollandfestival.nl

De Groene Amsterdammer doet het Holland Festival en zijn eigen lezers een verzameling bijzondere verhalen cadeau. Ze getuigen van de lange, soms heel kritische, relatie van het weekblad met het festival: de eerste bespreking verscheen al in juni 1948. Max Arian, die zelf als jongetje van zestien zijn eerste Holland Festival in 1956 beleefde en gedurende vele edities als kunstredacteur bij de Groene werkzaam was, dook in het archief en stelde wat hij noemt een reeks ‘boeketten’ van verhalen samen.