Brievenmuseum narcissus kijkt om zich heen

Frank Starik, Mijn leven als Museum. Uitgeverij In de Knip scheer, 224 blz., f34,50
‘Aldus naar waarheid opgetekend.’ Dit lijkt een citaat uit een notarieel stuk of een rechtbankprotocol. Woorden om de lezer eraan te herinneren dat wat hij zojuist heeft gelezen, niet een produkt van iemands verbeelding is, maar een zo secuur mogelijke weergave van een gebeurtenis. Het is enigszins bevreemdend deze formulering te zien opduiken in een literair boek.

Literatuur en verbeelding zijn immers bijna synoniemen. Waar je het ene ziet staan, is het andere nooit ver weg. Het is dan ook de vraag of Frank Starik met Mijn leven als Museum wel een literair boek heeft willen schrijven. De beeldend kunstenaar, fotograaf, zanger, dichter, gewezen Maximaal en gewezen directeur van het Starik Museum van Kleine Werken bedient zich in dit boek van weer een ander medium. Hier ontpopt hij zich als brievenschrijver. ‘Hier’, 'Vogel’, 'War’, 'Zomer’, 'Museum’, 'Zand’ en 'Dienst’ zijn de titels van de zeven hoofdstukken waar hij in brieven een museum voor zichzelf opricht.
De geadresseerden zijn onder anderen 'De verre vriend’, 'Mijn goede vriend N.’ en 'Mijn liefste oude mevrouw’. Als een brief bewijs genoeg is, staat het vast dat achter deze benamingen echte personen schuilgaan en geen literaire personages. Het laatste hoofdstuk bevat onder andere brieven aan de potentiele 'Vrienden van het Starik Museum’. Zo'n tweehonderd mensen hebben deze epistels van de directeur van het Starik Museum inderdaad ontvangen in de afgelopen jaren. Dit boek behoort niet tot het oude genre van de roman in briefvorm. Het is geen briefwisseling tussen gefingeerde karakters, maar een bundeling van een reeks brieven die Frank Starik ooit heeft verstuurd.
Een museum en een uitgave van brieven - normaal is zoiets voorbehouden aan beroemde kunstenaars en schrijvers, die dit bovendien vaak pas na hun dood overkomt, al dan niet gewild. Zelfs de roem van de ijdeltuit Dali was al tot grote hoogte gestegen voor hij zich dit met genoegen liet welgevallen. IJdelheid is ook Starik niet vreemd, zoals hij zelf toegeeft, maar hij heeft zijn redenen om niet zo lang te wachten.
'Hier’, het eerste hoofdstuk, is een soort 'Hier Parijs, hier Frank Starik’: berichten aan het thuisfront over de onvolkomenheden van het kunstenaarsleven op een klein bedompt kamertje in de Franse hoofdstad. Het lijkt alsof hij in deze brieven nog op gang moet komen. Het verslag van het miezerige bestaan in Parijs vertoont zelfspot, maar is daarin nogal koket en zijn stijl vertoont hier wel erg reviaanse trekjes.
Naarmate zijn onderwerpen echter minder gratuit worden, neemt ook het leesplezier toe. De manier waarop Starik in het hoofdstuk 'Vogel’ de lotgevallen observeert van zijn Mozambiquesijs, mannetjesputter en witkopnon, toont dat hij tot meer in staat is. 'Vandaag schrijf ik een brief die bol moet staan van het ongeluk tussen de menschen en de dieren onderling, het misverstand waarop we moeten bouwen. Het ongeluk dat in het oog springt is natuurlijk het ongeluk met de witkopnon. (We zaten in de kamer die niet tot ons sprak.) De witkopknon heeft zich gedurende mijn afwezigheid verhangen.’ Die zin tussen haakjes verraadt dat de dichter nooit ver weg is als Starik brieven schrijft, zoals ook de beeldend kunstenaar en fotograaf steeds aanwezig zijn in dit brievenboek.
Starik doet niet alleen schriftelijk verslag van zijn werk, hij opent ook elk hoofdstuk met een foto. Zo gaat aan het hoofdstuk 'Zand’ een foto vooraf van een oude vrouw die de beringde rimpelhanden voor het gezicht heeft geslagen. In zijn brieven aan 'de oude mevrouw’ gaat het voortdurend om haar verzoek aan hem haar een middel toe te sturen waarmee zij een einde aan haar leven kan maken. In eerste instantie is Starik bereid haar te helpen, maar gaandeweg krijgt hij steeds meer bedenkingen. 'Uiteindelijk blijven we steken bij uw individuele verantwoordelijkheid die bij uzelf rust. Ik doe u als het ware bij wijs van compromis en uit eerbied voor uw wens het juiste recept aan de hand namelijk: 25 Vesparax en 1 of meer glazen cognac (waarbij de vraag rijst of het ook jenever of bessenwijn mag zijn).’
De dood is op vele plaatsen aanwezig in de brieven. Starik schrijft over de dood van dieren, van de witkopnon en zijn poes, maar ook over het sterven van zijn vader en van de bevriende dichter Kei. Hij vraagt zich af hoe hij voor Kei een grafmonument zal maken. Zijn beschrijving van Keis leven en sterven - beide hebben zich grotendeels voltrokken buiten de gebaande paden van onze maatschappij - is waarschijnlijk het mooiste monument dat hij voor hem had kunnen optrekken.
De dood is uiteindelijk ook de reden waarom hij het Starik Museum van Kleine Werken opricht. 'Het Museum dient opgevat te worden als een Teken. Als een teken dat je moet doen wat je wilt en dat je mag zijn wie je bent, als een hommage aan een overgecultiveerd ik. De functie van het museum ligt echter niet in zijn megalomane ijdelheid doch juist in de erkenning van en de angst voor het tijdelijke en uitwisbare van dat ene beperkte leven, in de volstrekt onindividuele angst om te verdwijnen, verdwijnen, zoals we dat allemaal doen’, zo schrijft hij in het hoofdstuk 'Museum, inleiding tot het tweedimensionale denken’. Dit is het kortste hoofdstuk en de brief ontbeert een aanhef, alsof deze brief direct aan de lezer van Mijn leven als Museum is gericht.
Veel mensen geloven dat de angst voor de dood de fundamentele drang is achter het ontstaan van elk kunstwerk. Maar Starik trekt de dood ook het kunstwerk in. Dat doet hij bijvoorbeeld door beelden van zijn overleden vader en zichzelf door en in elkaar te laten schuiven, zoals in het fotowerk Decarnation. In deze brievenautobiografie gebeurt dat doordat hij, te midden van al de wederwaardigheden en beslommeringen van zijn bestaan, steeds weer stuit op de dood. Het Starik Museum van Kleine Werken is, zoals hij zelf al zegt, een hommage aan een overgecultiveerd ik - Narcissus zou geen slechte bijnaam zijn voor de museumdirecteur die in zijn zelfbespiegelingen soms zo solipsistisch is dat hij op een Droste-blikje lijkt. Maar tegelijk is het museum een onderkomen voor de dood. Stariks brieven vormen vaak een komisch en ironisch pleidooi om de dood onder ogen te zien en weer een plaats te geven in ons leven en onze maatschappij.
Hij koppelt dit rustig aan allerlei alledaagse financiele perikelen van zijn bestaan. In het laatste hoofdstuk, 'Dienst, brieven aan de uitkerende instantie’, schrijft hij epistels aan de ambtenaren van de sociale dienst, waarin hij nauwgezet verslag doet van zijn pogingen zichzelf een inkomen te verschaffen. Na een jaar geeft hij er de brui aan:
'Toch nemen wij een beetje afscheid van elkaar.
Enkele fragmenten van de brieven die ik u schreef, vormen, listig aan elkaar gelast en deels herschreven, te zijner gelegenheid het hoofdstuk “Dienst” in “Mijn leven als Museum”, wanneer u daar tenminste geen bezwaar tegen heeft.
En zo wel, dan zou dat misschien precies de juiste en broodnodige publiciteit opleveren, dit zou op zich wel aardig van u zijn, dat bezwaar maken, maar ik wil zelfs bij mijn afscheid als uw geliefde brievenschrijver u niet overvragen.
Ik denk dat dit het was.
Ja.
Dat was het, gegroet en het ga u goed en mij ook.’
Zo eindigt dit memento mori-boek. Het Starik Museum is inmiddels gesloten. De directeur is zo nu en dan in het land te horen en te zien als de zanger van de Willem Kloos Groep. Wie nog iets van het museum wil zien, moet snel naar Den Haag. In de Maldoror Galerie is nog tot 27 maart het Starik Ex-Museum van kleine werken gehuisvest. Maar zijn brievenmuseum is tot lang daarna te lezen.