Bril had niet gekeken

TELEVISIE
Zwarte ogen

Toeval bestaat. Uit de boekenkast duikt een exemplaar op van literair tijdschrift De Held, mei 1988. Themanummer over televisie. Bedoeling van de redactie was ‘een geschreven evenwicht te tonen tussen zegening en terreur van het machtige, ja onverslaanbare medium’. Maar helaas, heet het, de uitgenodigde auteurs ‘sloegen collectief door naar afschuw en verveling. De terreur teistert.’

Mij verbaast dat niks; jonge schrijvershelden van toen waren even voorspelbaar in hun dédain voor het medium als intellectuelen aller landen sinds de intrede van koning eenoog tot aan vandaag. Pièce de résistance is De luciferstand: 22 Argumenten Tegen Televisie van Martin Bril, dan 28 jaar. Nog niet de Grote Bril, maar die schemert er duidelijk doorheen. Zo min als hij ooit de roman schreef die hij van zichzelf moest schrijven, zo min is deze merkwaardige tekst essay. Het zijn, dan al, 22 stukjes zonder noemenswaardige samenhang behalve stijl en toon. In maar tien van die ‘paragrafen’ komt het woord ‘televisie’ überhaupt voor en dat soms nog alleen omdat er ergens een toestel staat. In nummer 16 leest Herman Riphagen – Barneveld, 29 jaar, klompvoet – dat heel Nederland lid is van de Avro. Hij vloekt ‘godvernogantoe’ en verhangt zich in het schuurtje achter in de tuin. Een beetje absurde Bril, maar Herman had wel eerst zijn broodtrommel leeggegeten. En tussen het lezen van die krant en het dood gevonden worden staat wel, prominent geflankeerd door witregels: ‘De zon scheen en het woei hard.’

In nummer 6 stopt Bril met tv-kijken en blijkt hij niks te missen, behalve dat hij niet kan meepraten als het gesprek op tv komt. Hoewel, eigenlijk kan hij bijna alles zomaar invullen. Het meest treft nummer 8. ‘De dood is niet leuk. Eigenlijk is de dood onuitstaanbaar. Er is niets aan te doen. Het ergste is nog dat daarna niets komt. Als je nou de dood kon overleven, dan zou het minder erg zijn. (…) Maar na de dood gebeurt er niets. Er is weinig over bekend, gelukkig. Niemand kan er wat zinnigs over zeggen. Dat is de pest. Je wilt alles wel in twijfel trekken, de zwaartekracht, het weerbericht, god desnoods, maar die dood waar je niets van weten kunt, die staat als een paal boven water. Het is muggezifterij, maar het zit me dwars dat de dood niet leuk is.’ Bizar juist nu die tekst tegen te komen. Enfin, Bril-bewonderaars (wie niet?) kunnen er stijlanalyse en exegese op loslaten. Later werden hij en Zwagerman (ook in De Held aanwezig) zelf vaste tv-coryfeeën.
Het ongelijk van televisiehaters (die stiekem vaak nog verslaafd zijn ook) wordt alleen al jaarlijks aangetoond door de programmering rond de vierde van de meimaand, gewijd aan de dood. Indrukwekkend voorbeeld dit jaar is Zwarte ogen: Op zoek naar de tango van mijn vaders, documentaire van Jan Bosdriesz. Speurtocht naar Pjotr Leschenko, zoete Oekraïens/Russisch/Roemeense zanger van de jaren dertig en veertig bij wie Eddie Christiani een schim wordt. Maar onderweg komen ook een ongewone Hollandse familiegeschiedenis, christenpacifisme, homoseksualiteit, Duitse bezettingsterreur, Bessarabië, Riga, Damascus, Boekarest, stalinisme, de Roemeense Goelag, Noord-Duits concentratiekamp Sandbostel en geallieerde wraak op Duitse meisjes voorbij. Te veel ja, maar al die lijnen kruisen of lopen parallel en wie zich overgeeft ondergaat een bizarre achtbaantocht waarin alles uiteindelijk samenhang lijkt te vertonen. Lijkt, want leven en geschiedenis bestaan uit paradoxen en ongerijmdheden die alleen in biografie, roman, film vaste vorm krijgen tussen kaft en kaft, tussen leader en aftiteling. Melancholie en vergeefsheid, zo ervaar ik de ondertoon.
Bril zou het prachtig gevonden hebben. Alleen had hij gegarandeerd niet gekeken.

Jan Bosdriesz, Zwarte ogen. Holland Doc.
Donderdag 7 mei, Nederland 2, 22.50 uur