Welkom in Canada

Bring us the refugees!

Sinds 1978 kunnen gewone Canadezen vluchtelingen ‘sponsoren’ om ze naar Canada te laten komen. Tienduizenden mensen vonden zo een nieuw vaderland. Maar: ‘Ik geloof niet dat Canadezen veel aardiger zijn dan Europeanen.’

Drie jaar geleden stopte Ghina Mofti uit Aleppo met praten. Als ze haar moeder de kamer uit zag gaan, klampte de vijfjarige Ghina zich aan haar vast. Als ze naar de kinderopvang werd gebracht, huilde ze hartverscheurend. De oorlog in Syrië was al jaren aan de gang en dat had zijn weerslag op het gezin. Er was soms geen water, soms geen elektriciteit en soms geen eten. Vanuit het huis waar Ghina met haar ouders, broer en zus woonde, kon ze de bommen op de stad zien vallen. Op een dag kwamen er zelfs twee op de school van haar broer terecht. Haar vader en moeder, Alfadel en Bushra, stonden machteloos. Ze voelden dat ze zelf langzaam gek werden. Wisten dat het beter zou zijn voor het hele gezin om Syrië te ontvluchten. Maar hoe, en vooral: waar naartoe?

Vader Alfadel besluit niet naar Europa te gaan. Hij is bang om alleen op een boot te moeten stappen en van zijn familie te worden gescheiden. Hij neemt contact op met zijn broer Mahdi, die al jaren in Montréal woont. Mahdi heeft uitgevonden dat er in Canada een programma bestaat waarmee Canadezen zelf vluchtelingen kunnen laten overkomen: het Private Sponsorship of Refugees Program (psr). Hij heeft contact gelegd met een moskee en heeft daar mensen gevonden die hem willen helpen om Alfadel en Bushra met hun drie kinderen naar Canada te halen. Ze moeten Syrië dan wel eerst ontvluchten, want om in aanmerking te komen voor het sponsorprogramma moet je officieel displaced zijn. Op 29 juni 2014 verlaat de familie Mofti Syrië. Vanuit Turkije gaan ze proberen hun asielaanvraag in Canada te regelen.

Al sinds 1978 kent Canada een systeem waarin groepjes gewone Canadezen vluchtelingen kunnen ‘sponsoren’ om ze naar Canada te laten komen. Het psr-programma werd toen direct ingezet om zo’n dertigduizend bootvluchtelingen uit Indochina over te brengen naar Canada. Sinds de invoering van het programma zijn al tweehonderdduizend vluchtelingen met hulp van private sponsoren naar Canada gekomen.

Medium gettyimages 629492442
Montréal, december 2016. Kinderen van een Syrisch gezin, een jaar na binnenkomst in Canada door hulp van een sponsorgroep © Carlos Osorio / Toronto Star / Getty Images

In de praktijk kan dat op verschillende manieren gaan: een groep van vijf of meer gewone Canadezen (G5) of een organisatie als een kerk, moskee of buurthuis meldt zich aan als sponsorgroep. Vaak omdat ze al iemand kennen die ze willen overbrengen vanuit een oorlogsgebied, bijvoorbeeld een familielid of vriend, maar dat is niet noodzakelijk. De groep verzorgt samen met de vluchteling een aanzienlijke hoeveelheid papierwerk. Als de aanvraag vervolgens wordt goedgekeurd, is de sponsorgroep een jaar lang verantwoordelijk voor de vluchteling.

De sponsoren moeten dus vooraf aantonen over voldoende geld te beschikken om hem of haar daadwerkelijk gedurende dat jaar te onderhouden, en moeten er ook voor zorgen dat hij of zij goed terechtkomt in de Canadese samenleving. De groep regelt een woning met meubels en andere spullen die nodig zijn om een nieuw leven op te starten in een nieuw land. Ze zoeken ook mee naar een geschikte school of baan, ze gaan mee naar de dokter, ze helpen met huiswerk of ze leggen uit waar je de bus kunt nemen en hoe je daarvoor een kaartje koopt. Ze vormen een sociaal netwerk.

‘Als sponsor word je als het ware familie voor iemand die hier nieuw is’, zegt Vania Davidovic uit Toronto, een actieve sponsor die in het afgelopen jaar meerdere sponsoraanvragen heeft ingediend en die er naast haar baan bijna een voltijd taak aan heeft. ‘Je bent dichtbij en de vluchteling kan jou altijd benaderen als hij iets niet weet of ergens hulp bij nodig heeft.’

‘Ik ben per dag wel zes tot acht uur bezig voor de vluchtelingen. Als ik meer kon geven, zou ik het doen’

Iedere keer als de telefoon gaat, springen Bushra en Alfadel op. Ze zijn terechtgekomen in Bursa, een stad op twee uur rijden van Istanbul. Ze hebben er een woning gehuurd en de kinderen gaan er naar school. Die beginnen zelfs al wat Turks te spreken. Bushra was in Syrië lerares wiskunde, Alfadel werkte als opzichter in een metaalfabriek en was paardentrainer, maar in Turkije werken ze niet. De lonen zijn te laag en ze hebben te veel aan hun hoofd. Ze vullen hun dagen met wachten op bericht over hun asielaanvraag in Canada. Op talloze telefoontjes en mails naar de migratiedienst krijgen ze geen reactie. Ondertussen werkt Alfadels broer Mahdi in Dorval, een voorstad van Montréal, hard om de komst van zijn broer voor te bereiden. Mehmet Deger, de 72-jarige voorzitter van de Dorval Moskee, helpt hem daarbij. Ze zoeken een baan voor Alfadel, zodat hij zelf kan werken. De financiële lasten om het gezin te ondersteunen zijn voor sponsoren dan minder hoog. Alfadel zal gaan werken in een papierfabriek, zolang Bushra en hij op de wachtlijst staan voor Franse les. De kelder van de moskee staat inmiddels vol meubels, speelgoed, servies, schoolschriften en kleding. Een zacht ronkende luchtontvochtiger moet ervoor zorgen dat de ruimte niet te vochtig wordt. Deger, die zelf 45 jaar geleden vanuit Turkije naar Canada migreerde, dekt de spullen af met een laken, tegen stof. De spullen verhuizen ze later naar de woning die ze voor de Mofti’s hebben geregeld.

In de herfst van 2015 gaat alles ineens snel. De Mofti’s gaan, met de bagage die ze nog hebben, naar een hotel in Istanbul. Daar rijdt een busje voor dat hen naar het vliegveld brengt. Pas na het inchecken krijgen ze hun paspoorten terug. Het is anderhalf jaar na het eerste telefoontje van Alfadels broer en het vliegtuig stijgt op, met het hele gezin aan boord. Eindelijk zijn ze op weg naar Canada. Als ze daar landen, zullen ze meteen een permanente verblijfsvergunning krijgen.

De beelden van de begin september 2015 verdronken peuter Aylan Kurdi maken ook in Canada veel indruk. Het jongetje had familie in Canada en steeds meer mensen vragen zich af: wat doet Canada eigenlijk om Syriërs te helpen? Langzaam wordt duidelijk hoe traag de conservatieve regering van Stephen Harper asielaanvragen van Syriërs verwerkt. Sinds 2013 zijn maar een paar duizend vluchtelingen uit Syrië naar Canada overgebracht en een deel daarvan is ook nog gesponsord door Canadezen en niet door de overheid.

Als na de verkiezingen liberaal Justin Trudeau aan de macht komt, belooft die het helemaal anders te gaan doen. De nieuwe minister-president trekt extra geld en vooral personeel uit om ervoor te zorgen dat er binnen een paar maanden 25.000 vluchtelingen uit Syrië in Canada zullen zijn. En hij blaast het psr-programma, dat onder Harper praktisch onbruikbaar was geworden, nieuw leven in. Het zal nu vooral makkelijker worden om vluchtelingen uit Syrië en Irak te sponsoren, want die hoeven voortaan geen officiële VN-vluchtelingenstatus meer te hebben om in aanmerking te komen. Dat betekent niet dat ze minder streng gecontroleerd zullen worden dan andere vluchtelingen, maar wel dat hun aanvraag veel sneller kan worden verwerkt.

Vier maanden later, eind februari 2016, kondigde de regering met veel bombarie aan de doelstelling van 25.000 Syriërs te hebben gehaald. Al ging dat niet zonder slag of stoot. Een groot aantal van hen leefde bijvoorbeeld een tijd in hotels omdat er geen betaalbare woningen te vinden waren. En in plaats van 25.000 mensen die door de regering worden bijgestaan, is een aanzienlijk deel ervan privé gesponsord. Het psr-programma loopt een jaar na de versoepeling van de voorwaarden van het sponsorprogramma uitstekend. In oktober 2016 waren al dertienduizend Syriërs via privé-sponsoring door gewone Canadezen of door kerken, moskeeën of buurthuizen overgekomen. Duizenden aanvragen lopen nog. Dat betekent dat tienduizenden mensen rechtstreeks betrokken zijn bij de dagelijkse begeleiding van één of meer vluchtelingen.

‘Het mooie aan dit programma is dat het je de kans geeft om iets te dóen’, zegt Vania Davidovic, die zelf in de jaren negentig als vluchteling naar Canada kwam. ‘Je hoeft niet meer toe te kijken.’ Davidovic vond het moeilijk om in de zomer van 2015 vluchtelingen door haar vaderland Servië te zien trekken op zoek naar een beter bestaan. ‘Als je zelf vluchteling bent geweest, weet je waar die mensen doorheen gaan.’ Dus legde ze via Facebook contact met mensen die hun weg naar en door Europa zochten en hielp hen vanaf een afstand met navigeren in grensgebieden.

‘Een man had al drie keer geprobeerd de oversteek naar Griekenland te maken. Drie keer was de boot gezonken’

Ze deed ook contacten op met mensen die Europa, ondanks verwoede pogingen, nog niet hadden bereikt. ‘Een man die ik kende had al drie keer geprobeerd de oversteek naar Griekenland te maken’, vertelt ze. ‘Drie keer was de boot waarop hij zat gezonken.’ Toen ze hoorde dat de voorwaarden voor het sponsorprogramma verruimd werden, zette ze direct crowdfundingscampagnes op om enkele van de mensen die ze online had leren kennen te kunnen sponsoren.

Het bedrag dat een sponsor bij elkaar moet krijgen is niet gering: 12.600 dollar (8850 euro) per volwassene en bijna 30.000 dollar (21.000 euro) voor een familie met drie kinderen. ‘Maar het mooie is dat je dat geld niet zelf hoeft te hebben maar dat je het ook kunt inzamelen’, vertelt Davidovic. ‘Ik heb inmiddels al voor vier mensen een succesvolle crowdfunding gevoerd en ik heb nog twee campagnes lopen. Alles bij elkaar ben ik per dag wel zes tot acht uur bezig voor de vluchtelingen. Als ik meer kon geven, zou ik het doen. Je hebt echt de macht om iemands leven te veranderen.’

Het is inmiddels een jaar geleden dat de familie Mofti landde op het vliegveld van Montréal. Alfadel, Bushra en de kinderen wonen nu in een klein appartement in Montréal, in de wijk Pierrefonds-Roxboro. De verwarming is er hoog opgestookt en de gekregen banken zijn met lakens afgedekt. Bushra gebaart naar een stapel brieven en formulieren die ze niet goed begrijpt. Ze moet weer allerlei dingen opsturen, maar waarom? Samen met Alfadel gaat ze nu fulltime naar school om zo snel mogelijk de Franse taal onder de knie te krijgen. De kinderen zoeken hun plek op hun eigen school. Mohammad (12) werd al uitgeroepen tot beste leerling van zijn klas in wiskunde. Nour (14) heeft er niet veel zin in. Het beviel haar een stuk beter in Turkije, waar ze vriendinnen had, waar ze gemakkelijk met mensen kon communiceren en waar ze de soaps op tv kon volgen. ‘Maar nu is dit ons land’, corrigeert Alfadel vlug: ‘Ik ben blij dat we hier zijn.’ Na enig aarzelen: ‘Maar ik hou nog altijd het meest van Syrië.’

Medium hh 52280976
Toronto, 11 december 2015. Minister-president Justin Trudeau begroet een Syrische familie op Pearson International Airport © Nathan Denette / THE CANADIAN PRESS / HH

De sponsorgroepen die de vele – voornamelijk Syrische – vluchtelingen ondersteunen, lopen ondertussen tegen van alles aan. Het is door taalbarrières soms moeilijk met de vluchtelingen te communiceren, vluchtelingen vinden het soms ongemakkelijk het geld aan te nemen van de sponsoren, en sponsoren hebben wel eens moeite om zich niet met ieder aspect van het leven van de vluchteling te bemoeien. Andersom zijn er vluchtelingen die bijvoorbeeld niet kunnen lezen, die met veel traumatische herinneringen rondlopen of die mensen hebben moeten achterlaten in oorlogsgebied en door zorgen om hen meer bezig zijn met hun vaderland dan met hun leven in Canada. Niet iedereen kan werk vinden en niet iedereen is na een jaar sponsoring uiteindelijk ook echt financieel onafhankelijk.

Toch lopen veel Canadezen warm voor het psr-programma. Daar is een aantal verklaringen voor, zegt Audrey Macklin, hoogleraar Human Rights Law aan de Universiteit van Toronto. Ten eerste ervaren mensen de komst van vluchtelingen anders dan in Europa: ‘Canada heeft de “luxe” dat vluchtelingen hier – simpelweg door de ligging – niet zomaar aan de grenzen staan. We doen ook erg ons best om te zorgen dat ze hier niet kunnen komen, en daar slagen we behoorlijk goed in. In plaats daarvan gaan we er vrijwillig op uit om vluchtelingen die bijvoorbeeld in kampen in de “regio” zitten, op te halen. Canadezen worden dus niet geconfronteerd met groepen vluchtelingen die schijnbaar niet tegen te houden zijn, maar ze zien hier mensen komen die door de overheid zijn uitgenodigd.’

‘We moeten elkaar helpen. Dat is de boodschap van alle religies: als je één mens redt, red je de hele mensheid’

Ten tweede is het systeem al bijna veertig jaar zo dat de overheid een deel van de vluchtelingen die naar het land komen volledig steunt, en dat gewone Canadezen ook een deel voor hun rekening nemen. ‘Opvang en integratie van vluchtelingen wordt dus niet puur als overheidstaak gezien.’ En ten slotte is, ook voor de sponsoren zelf, duidelijk dat het programma goede integratie in de hand werkt. Vluchtelingen hebben direct een groep mensen om zich heen met kennis van de Canadese samenleving. ‘Sponsoren hebben een actief belang: het gaat vaak om mensen die ze al kenden, om familieleden of vrienden, en het gaat ook om geld dat ze zelf hebben ingezameld. Ze willen dat het allemaal goed verloopt en ze staan er heel anders in dan mensen die alleen wat geld kunnen overmaken naar een goed doel.’

‘Toch zou ik ook willen zeggen: ja, in de media zie je mensen die met winterjassen klaarstaan op het vliegveld. I know, we look great. Maar ik geloof niet dat Canadezen veel aardiger zijn dan Europeanen. Vergeet niet dat dit allemaal voortkomt uit het feit dat we enorm streng beveiligde grenzen hebben waardoor haast niemand hier op een andere manier zou kunnen komen. Dit systeem bestaat mede doordat wij zo goed zijn in mensen buiten houden.’

Vlak nadat de doelstelling van 25.000 vluchtelingen was gehaald, schroefde de Canadese overheid de eigen inspanningen flink terug. Dat betekent dat veel personeel uit de ‘regio’ is teruggehaald, waardoor aanvragen trager verlopen, en dat vluchtelingen, vaak in onzekere en instabiele situaties, langer moeten wachten. Dat herkent Vania Davidovic, en ook Mehmet Deger noemt dit als een van de belangrijkste knelpunten in het systeem. Sponsoren in het hele land roeren zich.

‘En terecht’, zegt hoogleraar Macklin. ‘Wij zijn hier, hebben geld ingezameld, we hebben een appartement en meubels en we zijn klaar om in actie te komen. Ik ben op een bijeenkomst geweest waar mensen boos riepen: “Bring us the refugees!”’ Volgens overheidswebsites duren aanvragen uit bijvoorbeeld Turkije acht maanden, maar Macklin, Davidovic en Deger weten allemaal dat dat optimistisch is. En het is duidelijk dat er maar één ding voor nodig is om het psr-project de nek om te draaien: als het allemaal te lang duurt, zoeken vluchtelingen andere uitwegen en verliezen sponsoren langzaam hun enthousiasme.

Dat heeft ook Audrey Macklin ondervonden, die zelf deel uitmaakt van een sponsorgroep. ‘We hebben gewacht en gewacht, we hebben een appartement gehuurd en alles geregeld, maar de familie die ons is toegewezen komt maar niet. Uiteindelijk heeft de overheid ons gevraagd of we een – lelijk woord – replacement family wilden opvangen. Dat was een familie die al in Canada was, maar er was iets misgegaan met hun sponsorgroep. Dat hebben we gedaan. Maar of en wanneer die eerste familie komt, weten we niet.’

Eind vorig jaar bleek uit overheidscijfers dat vluchtelingen die via het psr-programma zijn gekomen beter terechtkomen in de samenleving dan mensen die door de overheid zijn overgebracht. Ze vinden ook na het eerste ‘gesponsorde’ jaar sneller werk en verdienen meer, ze beheersen de taal sneller en zijn minder afhankelijk van voorzieningen als voedselbanken. Daarbij moet de kanttekening worden gemaakt dat door de overheid geselecteerde vluchtelingen vaker mensen zijn die erg kwetsbaar zijn en meer begeleiding nodig hebben.

Ondanks deze goede resultaten maakte de regering onlangs bekend dat er nog maar duizend gesponsorde vluchtelingen mogen worden aangemeld. Er is inmiddels een enorme wachtlijst ontstaan, en de overheid wil ook de aandacht vestigen op andere groepen dan Syriërs en Irakezen. Vluchtelingen uit andere landen wachten soms al jaren op de uitslag van hun aanvraag.

In Pierrefonds-Roxboro komt moskeevoorzitter Mehmet Deger nog regelmatig kijken hoe het met het gezin Mofti gaat. De Dorval Moskee sponsorde in de jaren negentig al voor het eerst vluchtelingen, toen mensen uit Bosnië. ‘Als we kunnen helpen, dan helpen we’, zegt Deger. ‘We zijn maar kort op aarde en we moeten elkaar helpen. Dat is de boodschap van alle religies: als je één mens redt, red je de hele mensheid.’

Sinds de moskee weer actief betrokken is bij het hervestigen van vluchtelingen heeft Deger een hoop geweld te verduren gehad. Het is niet te vergelijken met de schietpartij in een moskee in Quebec vorige week, maar bedreigend is het wel. De ramen van de Dorval Moskee zijn ingegooid, het gebouw is beklad en met stickers van een anti-immigratiegroepering beplakt en de auto van Deger is beschoten. Hij heeft net een nieuwe camera laten monteren voor het raam van de moskee, waarmee hij nu ook vanaf zijn smartphone de ingang in de gaten kan houden.

Met Ghina, de jongste dochter van de familie Mofti, gaat het inmiddels een stuk beter. Ze lacht weer, maakt vriendjes op school en kletst zachtjes in het Frans met haar broer en zus. Deger staat op van de bank van de familie Mofti en loopt naar het raam. ‘Is dit aluminium of kunststof?’ vraagt hij aan Alfadel. Hij houdt zijn hand tegen het kozijn en springt quasi-verschrikt op. ‘Dit is koud, brother! Dat gaat je geld kosten deze winter. We gaan nylon kopen en daarmee een extra laag isolatie maken voor het raam. Dat heb je echt nodig, hoor.’ Alfadel sputtert beleefd dat het zo ook wel goed gaat, dat de verwarming het prima redt. Maar als Deger aandringt, geeft Alfadel toe. Nylon, ja, dat is misschien wel een goed idee, en ook nog best voordelig.