Popmuziek: Sam Fender

Brits onderkoeld

Sam Fender © chuffmedia

Sam Fenders carrière bestaat tot nu toe uit aankondigingen. Van iets groots, dat is inmiddels wel duidelijk. Want alle singles die dat album dat nog maar steeds niet is verschenen voorgaan, zijn afkomstig van een eenduidig talent, met een verre van eenduidig geluid. Afhankelijk van welk single je luistert, is Fender het nieuwe gezicht van een genre. Van gitaarrock, van soulrock, van pop.

De zanger-gitarist uit het Britse North Shields, vlak bij Newcastle, zoon én broer van een singer-songwriter, heeft inmiddels negen singles uitgebracht, maar nog steeds geen album. Hij heeft duidelijk ingezet op een lange adem en opbouwen: opnieuw speelt hij binnenkort in Nijmegen, Utrecht, Keulen: steden die hij vorig jaar ook al aandeed, maar nu overal in een maatje (of twee) grotere zalen. Zijn laatste single Hypersonic Missiles, vernoemd naar het nieuwe raketsysteem dat door elke defensie heen breekt, is zijn Born to Run: meeslepend, op het randje van effectbejag (het ‘who ohoho’-inhaakmoment), vol verlangen, en wanneer de gitaar de climax lijkt in te leiden, is daar nog de overtreffende trap: de saxofoon. Dead Boys was Fenders The ’59 Sound: ook al zo’n nummer dat bijna uit elkaar barst van de geldingsdrang, een nummer dat al tijdens het intro wil opstijgen.

Maar het is 5446 kilometer van North Shields naar New Jersey, en ook die zijn hoorbaar: Fender is te Brits voor het grote gebaar van de opgestroopte-mouwen-mannen waar hij soms aan doet denken. Te veel beïnvloed door de Arctic Monkeys ook. Zijn stem is daarnaast een totaal andere dan die van zijn Amerikaanse geestverwanten: hoog, clean, een prachtige popzanger, geen rauwe rasp.

In het opgejaagde Friday Fighting gaat zijn stem in de overdrive, en doet hij opeens denken aan Brandon Flowers van The Killers, uit Las Vegas. Schmieren is het, en niet zuinig ook, maar wel charmant schmieren. De tekst van dat nummer is bovendien geweldig: een beschrijving van een vrijdagavond in de kroegen van Newcastle. Fender put gul uit de combinatie van drank en hormonen, en dan vooral de beruchte laatste vrijdag voor Kerst, die in de lokale media bekendstaat als Black Eye Friday (je ziet de dikke tabloidletters er meteen bij) of als de titel van het nummer. Fenders fascinatie lijkt groot, maar zijn afkeer klinkt eveneens door: ‘This toxic masculinity/ It’s all that I can see/ In floods of thirsty streets’. In Poundshop Kardashians heeft de afkeer het volledig overgenomen. ‘There’s an orange faced baby at the wheel of the ship/ Doing donuts in the carpark/ We watch as it all falls apart/ We idolize idiots.’ Best knap: het is een vrolijk en aanstekelijk nummer, zonder enige hoorbare woede. Brits onderkoeld.


Sam Fender speelt 18 april in Doornroosje Nijmegen, 20 april in TivoliVredenburg in Utrecht, 29 april in de Melkweg Amsterdam en 5 juli op het Down The Rabbit Hole-festival in Beuningen